
“Geloof je het zelf?” vroeg jakhals Erik sceptisch tijdens de Passion in Gouda toen het over ‘opstanding’ ging. Ik vraag mij af wat hij bij dat woord voor ogen had. Het levend worden van een lijk? In het Nieuwe Testament zijn in elk geval drie soorten opstanding te onderscheiden.
1. De opwekking van een overleden persoon als terugkeer in dit leven.
De verhalen zijn bekend: de jongen uit Naïn, Lazarus, het dochtertje van Jaïrus, Dorkas. Allemaal worden ze opgewekt om weer terug te keren in dit leven. Hun lijk gaat weer leven. Steeds geschiedt deze opwekking als wonder door een gezant van God: de zoon van God, of een van zijn apostelen. Dit soort opstanding is zeker niet beperkt tot het Nieuwe Testament. Overal in de antieke wereld (en in sommige streken ook nu nog) kwamen dodenopwekkingen voor (of althans, verhalen daarover). De functie om zo’n verhaal over een bijzonder iemand te vertellen is om zijn (of haar) uitzonderlijke macht aan te tonen en te laten zien dat de god (of goden) achter zo iemand staat.
2. De opstanding aan het einde der tijden.
De voorstelling van de opstanding aan het einde der tijden is in het jodendom ongeveer in de 3e/2e eeuw v.C. ontstaan (misschien onder invloed van het zoroastrisme). De opstanding aan het einde der tijden is geen terugkeer in dit leven, maar het deelachtig worden van een nieuwe wereld. Niet in alle teksten staat dat alle mensen opstaan met als doel het gericht te ondergaan. Soms is de opstanding beperkt tot de rechtvaardigen.
Deze opstanding werd trouwens niet heel grofstoffelijk voorgesteld vóór de 2e eeuw n.C., toen onder christenen de waarde van de materiële wereld ter discussie stond. Paulus zou waarschijnlijk het geloofsartikel ‘de opstanding des vleses’ als ketterij hebben bestempeld.
3. De opstanding van de martelaar als compensatie wegens zijn trouw aan God.
In het vroege jodendom en in het vroege christendom bestond de voorstelling dat God bijzondere rechtvaardigen, zoals martelaren, een bijzondere beloning waardig acht: de opstanding in de hemel direct na de dood. Ook hier is de opstanding geen terugkeer in dit leven. De zeven broers en hun moeder die door Antiochus werden omgebracht, geloofden dat ze door trouw aan de wet van God te blijven, meteen een hemelse opstanding deelachtig zouden worden:
‘U beneemt ons nu wel het tegenwoordige leven, maar de koning van de wereld zal ons na onze dood tot een nieuw, eeuwig leven opwekken, omdat we omwille van zijn voorschriften gestorven zijn.’
‘Uit de hemel heb ik ze [lichaamsdelen] gekregen, omwille van Gods voorschriften doe ik er afstand van, en van hem hoop ik ze weer terug te krijgen.’
‘De dood door mensenhanden wordt begerenswaardig door de hoop die God ons geeft: dat hij ons weer zal opwekken. Voor u echter zal er geen opstanding tot nieuw leven zijn.’
‘Mijn broers is krachtens het verbond met God na een kortstondig lijden het eeuwige leven ten deel gevallen.’
(2 Makk. 7:9.11.14.36)
In de tweede eeuw n.C. zegt de martelaar Polycarpus voor zijn dood het volgende :
‘Ik loof u (God) dat u mij deze dag en dit uur waardig gekeurd hebt om met het getal van de martelaren deel te krijgen aan de kelk van uw Christus om op te staan tot het eeuwige leven met lichaam en ziel in de onvergankelijkheid van de heilige Geest. Moge ik vandaag met hen in uw tegenwoordigheid worden ontvangen als een rijke en welgevallige offerande.’
(Mart. Pol. 14.2)
Een martelaar ontvangt volgens deze voorstelling niet pas bij het einde der tijden de opstanding in een nieuwe wereld, maar overeenkomstig zijn grote lijden ontvangt hij al eerder een grote beloning: de opstanding in de hemel met een verheerlijkt lichaam. Deze voorstelling kom je ook in een bepaalde vorm tegen in Openbaring, als het gaat over ‘de eerste opstanding’:
4 Ook zag ik tronen, en aan hen die erop zaten werd recht gedaan. Het zijn de zielen van hen die onthoofd waren omdat ze van Jezus hadden getuigd en over God hadden gesproken; zij hadden het beest en zijn beeld niet aanbeden en ook zijn merkteken niet op hun voorhoofd of hun hand gekregen. Zij waren tot leven gekomen en heersten duizend jaar lang samen met de messias. 5 De andere doden kwamen niet tot leven voordat de duizend jaar voorbij waren. Dit is de eerste opstanding.
6 Gelukkig en heilig zijn zij die deelhebben aan de eerste opstanding. De tweede dood heeft geen macht over hen. Zij zullen priester van God en van de messias zijn en duizend jaar lang samen met hem heersen.
(Openbaring 20)
Hoe je deze passage ook inkadert en interpreteert in het licht van geheel Openbaring, één ding is duidelijk: de martelaars ontvangen hun rechtvaardiging vóórdat het laatste oordeel aanbreekt. Zij hebben het oordeel immers al doorstaan en krijgen deel aan ‘de eerste opstanding’. Pas na een periode van ‘duizend’ jaar komt de rest van de mensheid tot leven.
Ook Paulus zelf ging ervan uit dat hij deze vorm van opstanding zou kunnen ontvangen als hij een martelaarsdood zou sterven. In de brief aan de Filippenzen ziet hij zijn marteldood als een zeer reële optie: “… of ik nu in leven blijf of moet sterven” (Fil. 1:20). Even later schrijft hij:
’10 Ik wil Christus kennen en de kracht van zijn opstanding ervaren, ik wil delen in zijn lijden en aan hem gelijk worden in zijn dood, 11 in de hoop misschien ook zelf uit de dood op te staan.’
(Filippenzen 3)
Dus als Paulus de martelaarsdood zal ondergaan, heeft hij de hoop misschien ook zelf uit de dood op te staan. Paulus lijkt hier voorzichtig te zijn of hij wel uit de dood zal opstaan. Dat wijst erop dat het niet gaat om de opstanding aan het einde der tijden (daar zou hij wel wat fermer over gesproken hebben, zie 1 Kor. 15), maar om zijn individuele opstanding direct na zijn eventuele martelaarsdood, in de hemel. Dat is de “hemelse prijs” waar Paulus naar streeft (Fil. 3:14).
Slotsom: de opstanding van Jezus
Bij welke vorm van opstanding hoort de opstanding van Jezus? Optie 1 is uitgesloten: Jezus’ lijk werd niet levend, maar hij kreeg een verheerlijkt lichaam, en hij keerde niet terug in dit leven. Optie 2 is ook onwaarschijnlijk, want het gaat om een individuele opstanding, niet om het einde der tijden. (Paulus zegt in 1 Kor. 15 weliswaar dat Jezus is opgestaan als ‘eersteling’, maar dit verband met de eschatologische opstanding is secundair). Dan blijft optie 3 over: de opstanding van Jezus wordt in het Nieuwe Testament voorgesteld als de compensatie van godswege voor zijn martelaarsdood, als vindicatie en rechtvaardiging dat hij inderdaad door God gezonden was. Jezus’ opstanding moeten we dus voorstellen als de opname in de hemel en het ontvangen van een nieuw, hemels, geestelijk lichaam. Jezus’ verschijningen vinden vanuit de hemel plaats.
Tot zover. Er zijn natuurlijk meer nuances en verschillen binnen het Nieuwe Testament als het gaat om de opstanding van Jezus. Maar bovenstaande indeling is volgens mij een handig schema om bij het fenomeen ‘opstanding’ te betrekken. Dan zijn we af van simplistische voorstellingen als zou Jezus na zijn opstanding een soort zombie zijn.
Literatuur
- Jürgen Becker, Die Auferstehung Jesu Christi nach dem Neuen Testament. Ostererfahrung und Osterverständnis im Urchristentum (Tübingen: Mohr Siebeck, 2007).
- Jan Willem van Henten, The Maccabean Martyrs as Saviours of the Jewish People. A Study of 2 and 4 Maccabees (Supplements to the Journal for the Study of Judaism 57; Leiden: Brill, 1997).
- Joost Holleman, Resurrection and Parousia. A Traditio-Historical Study of Paul’s Eschatology in 1 Corinthians 15 (Supplements to Novum Testamentum 84; Leiden: Brill, 1996).
- H.J. de Jonge, ‘Ontstaan en ontwikkeling van het geloof in Jezus’ opstanding’, in: F.O. van Gennep e.a., Waarlijk opgestaan! Een discussie over de opstanding van Jezus Christus (Baarn: Ten Have, 1989), 31-50.
- H.J. de Jonge, ‘De opstanding van Jezus. De joodse traditie achter een christelijke belijdenis’, in: T. Baarda e.a. (eds.), Jodendom en vroeg christendom. Continuïteit en discontinuïteit (Kampen: Kok, 1991), 47-62.
- Ulrich Kellerman, Auferstanden in den Himmel. 2 Makkabäer 7 und die Auferstehung der Märtyrer (Stuttgarter Bibelstudien 95; Stuttgart: Katholisches Bibelwerk, 1979).
- J. Tromp, ‘”Can These Bones Live?” Ezekiel 37: 1–14 and Eschatological Resurrection’, in: H.J. de Jonge & J. Tromp (eds.), The Book of Ezekiel and Its Influence (Aldershot: Ashgate, 2007), 61-78.
Ha Cor,
Dit is een interessant overzicht. Het verklaart inderdaad een hoop. Waar het idee van de opstanding vandaan kwam. Dat het opstandingsgeloof primair voortkwam uit verschijningen, en het lege graf pas een latere “uitvinding” lijkt te zijn. Waarom Paulus zijn verschijning (volgens handelingen een soort visioen uit de hemel) in 1 kor. 15 op één lijn zet met alle andere verschijningen die volgens de evangeliën toch een wat fysieker karakter hadden.
Door deze kijk op de zaak vallen inderdaad een hoop puzzelstukjes op hun plaats. Over het lege graf wil ik nog wel eens iets schrijven, het is namelijk best goed te verklaren hoe dat verhaal opeens bij Marcus opduikt.
Om niet de indruk te wekken dat ik dit allemaal zo uit m’n mouw schud of zelf heb bedacht heb ik trouwens wat literatuur toegevoegd.
Beste Cor,
Interessant artikel. Kun je uitleggen hoe moet ik het nieuw, hemels, geestelijk lichaam lezen? Jezus liet Thomas zijn handen voelen toen hij hem niet geloofde. Is het hemels, geestelijk lichaam gelijk aan het voor ons bekende menselijk lichaam?
Groet, Jur (van Refoweb)
Beste Jur,
In Joh. 20 staat niet expliciet dat Thomas Jezus heeft aangeraakt. Dat als eerste. Evengoed is duidelijk dat in Johannes Jezus’ lichaam niet hetzelfde is als vóór zijn dood.
Volgens Paulus is het opstandingslichaam niet gelijk aan het voor ons bekende menselijk lichaam. Wat daarmee gebeurt, interesseert hem niet. Vlees en bloed beërven het Koninkrijk niet. In de opstanding doet God volgens Paulus een nieuw, hemels lichaam opstaan (1 Kor. 15). In de oudheid stelde men dit soort leven voor als fijnstoffelijk, van een licht soort geestelijke materie. Het lichaam is dus niet hetzelfde, maar het is wel dezelfde persoon die opstaat.
De enige in het Nieuwe Testament die het opstandingslichaam van Jezus sterk doet lijken op het lichaam vóór de dood, is Lucas. Bij Lucas eet Jezus om te laten zien dat hij geen spook is. Maar ook hier is het niet zo dat Jezus precies hetzelfde lichaam heeft.
Dit alles zegt iets over hoe de schrijvers in het Nieuwe Testament waarschijnlijk tegen de zaken aankeken. Wat je daar allemaal van moet geloven, is een andere vraag.
Pingback: Opstanding: verschijningen « Bram van Dijk's Blog
Pingback: Paulus over darmen, ingewanden, vlees en bloed | Γεγραμμένα
Ik had al eens een artikel gelezen (zie hieronder de link) van H.J. de Jonge. Toen ik je artikel las verbaasde het me niet welke namen er bij de literatuur stonden
Persoonlijk vond ik het artikel van De Jonge niet zo overtuigend. Ik hoop snel eens inhoudelijk te reageren…
https://www.openaccess.leidenuniv.nl/bitstream/1887/1054/1/279_028.pdf
Beste Cor,
Weet je waar De Jonge z’n twee categorieën ‘opstanding’ vandaan haalt? De voorbeelden die hij aanhaalt zijn stuk voor stuk nogal ambigu als je ze in één van de twee categorieën wil stoppen. Mijn idee is dan dat de categorieën simelweg niet goed gekozen zijn. En toch is die dichotomie uiteindelijk de reden om te denken dat Jezus’ lichaam weg lag te rotten en dat mensen toch vrolijk zeiden dat Jezus was opgestaan.
“Weet je waar De Jonge z’n twee categorieën ‘opstanding’ vandaan haalt?” Ja uit de bronnen
. Maar waar zit die ambiguïteit dan in volgens jou?
Vrij aan het begin zegt De Jonge dat het werkwoord ‘anastenai’ op twee manieren wordt gebruikt in de Joods-hellenistische context. Hij geeft wat voorbeelden van manier 1: De opstanding aan het eind der tijden.
Bij de tweede manier begint hij met 2 Makk 7:14. Dan heeft hij enkele pagina’s nodig om logische tegenwerpingen te behandelen. Ik laat ieder voor zich bepalen of hij daar in slaagt, maar er is (blijkbaar) nogal wat kritiek te geven. Het wringt. Hij haalt dan nog Ignatius en ‘het Martelaarschap van Polycarpus’ aan, die beide ruim afstaan van de Joods-hellenistische context.
En op pagina 52 staat er dan opeens: “We hebben nu gezien dat ‘opstaan’ [..] gebruikt werd voor 2 verschillende opstandingen. Dat is vreemd. Nu wordt het als conclusie gepresenteerd, terwijl we maar 1 bron hebben bekeken! Op pagina 53 volgen dan nog wat voorbeelden die niet behandeld worden.
Deze aanloop leidt dan naar het centrale argument: Jezus’ opstanding moet in 1 van beide categorieën gestopt worden. Niet de tweede, dus de eerste. Dat komt nogal zwart/wit over. Ik kan makkelijk een derde categorie bedenken: de ziel van martelaren ging bij hun dood naar de hemel, wachtend op een toekomstig vrederijk.
Vandaar dus dat ik benieuwd was naar de oorsprong van zijn twee categorieën. De bronnen zelf roepen zo’n strakke tweedeling niet op, mijns inziens.
Zo’n derde categorie bestaat niet omdat het woord opstanding dan niet meer gebruikt wordt. Teksten zijn er wel trouwens voor de opvatting dat de ziel van de martelaar direct naar de hemel ging (nl. 4 Makk.). Ook die vorm van rehabilitatie is een uitzondering, omdat ‘gewone’ gelovigen niet werden geacht meteen in de hemel te zijn opgenomen na hun dood.
De gedachte dat martelaars na hun dood een speciale behandeling krijgen (directe rehabilitatie in de hemel) is uit allerlei vroegchristelijke bronnen aan te tonen, waarvan De Jonge o.a. Ignatius en het Martyrium Polycarpi noemt. Deze opvatting is terug te traceren tot vooral 2 Makk. en ook het NT. Dat De Jonge veel tegenwerpingen moet weerleggen is logisch, omdat zijn interpretatie ten opzichte van de veel lezers en interpreten vernieuwend is.
Gezien de aard van het bronnenmateriaal vind ik dat De Jonge zijn zaak uitstekend verdedigd. Ik vind de interpretatie van 2 Makk. 7 heel erg plausibel en dat kun je niet wegwuiven met het feit dat de betreffende interpreet veel argumenten gebruikt. Kom dan liever met een inhoudelijke weerlegging.
Dat hij veel argumenten geeft is niet het punt. Het is goed dat hij mogelijke weerleggingen van tevoren vast ‘countert’. Mijn punt is juist dat hij het zichzelf moeilijk maakt door alle opstandingen in deze twee categorieën te willen stoppen.
Daarbij heeft hij het eerst over de Joods-hellenistische context. Daar passen Ignatius en het Martyrium Polycarpi al niet in (want uit de tweede eeuw en christelijk). Bij Ignatius zien we ook een opstanding zoals die niet past in de categorieën van De Jonge: “And after his resurrection He did eat and drink with them, as being possessed of flesh, although spiritually He was united to the Father.” Volgens Ignatius was Jezus dus in de hemel (want bij de Vader) en tegelijk lichamelijk (waar hij mee at en aangeraakt werd) aanwezig bij de discipelen.
Wat mij betreft voldoen de 2 opties van De Jonge niet. Volgens N.T. Wright is de opstanding van Jezus nou juist een belangrijke reden waarom christenen anders over de opstanding dachten dan de (andere) Joden. Hij stelt dat voor de christenen de opstanding aan het eind der tijden is begonnen, juist OMDAT Jezus is opgestaan.
Wat betreft Ignatius: volgens hem was Christus spiritueel verenigd met de Vader, niet in de hemel. Interessant is ook dat hij het vlees ‘alsof’ noemt. Deze opstandingsvoorstelling past wel in de categorieën van De Jonge, want het gaat hier om een verschijning van Christus. Ik zou de context van Ignatius beter moeten onderzoeken, maar we zitten dan inmiddels wel aan het begin van de 2e eeuw, na Lucas. De Jonge verwijst alleen naar deze 2e eeuwse bronnen voor het specifieke concept van de opstanding van de martelaar. Dat staat los van eventuele nieuwe speculaties die zich inmiddels rond Jezus’ opstanding hadden gevormd.
Dat met de opstanding van Jezus de eindtijd is begonnen is een gedachte gebaseerd op Paulus. Joost Holleman (Resurrection and Parousia) heeft aannemelijk gemaakt dat dit een secundaire ontwikkeling is van twee losstaande voorstellingen. En het einde der tijden was al lang begonnen vóór Jezus’ vermeende opstanding, dat was nu juist Jezus’ boodschap geweest.
Ignatius heeft het niet over Jezus ´alsof´ hij in het vlees is, maar dat hij ´dus´ in het vlees is. Het is een conclusie omdat hij met hen at en dronk. Een paar zinnen ervoor staat het expliciet: “For I know that after His resurrection also He was still possessed of flesh, and I believe that He is so now.”
We zitten met Ignatius inderdaad in de 2e eeuw. Zo’n 80 jaar van de kruisiging van Jezus af. Als je stelt dat de ontwikkelingen die tussen 30 en 110 hebben plaatsgevonden genoeg zijn om allerlei geleidelijke ontwikkelingen in de overtuigingen van mensen teweeg te brengen, hoeveel ontwikkelingen moeten er dan wel niet hebben plaatsgevonden in de 150 jaar die zit tussen II Makkeabeen en Jezus’kruisiging? Waarom zouden we dan nog zeggen dat er maar 2 kijken op de opstanding waren in de jaren ’40?
Overigens viel het me pas laatst op dat De Jonge in II Makkebeeen de handen en tong (7:10-11) die de martelaar terug zal krijgen in de opstanding lijkt te negeren. Of gelooft hij wel degelijk dat het opstandigslichaam van de martelaar een echt lichaam is met handen, voeten, armen, benen, etc…?
Holleman heb ik niet gelezen. Bedankt voor de tip!
Volgens De Jonge is het opstandingslichaam een hemels lichaam, en volgens 2 Makk. is dat inderdaad een lichaam met alles erop en eraan, alleen in een glorievolle vorm.
Verder is het belangrijk om te onderscheiden dat het met de 2 soorten opstanding niet gaat om de precieze voorstelling en de lichamelijkheid ervan. De 2 soorten betreft het tijdstip, namelijk de eschatologische opstanding versus de individuele opstanding van (lijdende) rechtvaardigen direct na de dood. In beide gevallen wordt in joodse en christelijke bronnen het woord ‘opstanding’ gebruikt. De oorsprong van de voorstelling van de individuele opstanding van (lijdende) rechtvaardigen direct na de dood is evident 2 Makkabeeën.