Het Griekse Nieuwe Testament (6): De coherentiegebaseerde genealogische methode en genealogische coherentie

In deze serie zet ik beknopt uiteen wat er wetenschappelijk gezien achter de nieuwste brontekstuitgaven van het Griekse Nieuwe Testament zit. Nu is genealogische coherentie aan de orde. In de vorige aflevering van deze serie (zie ook 1, 2, 3, 4) besprak ik de coherentiemethode en pregenealogische coherentie.

Genealogische coherentie

Eigenlijk ben ik hiermee al in de vorige aflevering begonnen. Want zodra je de coherentie tussen in handschriften betuigde tekstvormen van een richting voorziet, wordt de coherentie genealogisch. Oftewel, je zet coherentiegegevens om in een genealogische conclusie. Dit gebeurt eerst lokaal-genealogisch: bij elke variant maak je een lokaal stemma, primair met behulp van de klassieke middelen, maar hierbij kunnen pregenealogische coherentiedata de doorslag geven of je een variant van de ene of de andere variant laat afstammen.

Als je vervolgens van elk tekstadres de oudste variant kiest en naast elkaar zet, ontstaat de initiële tekst (Ausgangstext, initial text). Maar dat is slechts één aspect. In feite kun je nu elke tekstgetuige naast de andere leggen en niet alleen de overeenkomsten en verschillen constateren, maar ook de hoeveelheid anterieure en posterieure varianten. Een tekstgetuige met meer anterieure dan posterieure varianten ten opzichte van een andere tekstgetuige is een potentiële voorouder ervan, en andersom is een tekstgetuige met meer posterieure varianten ten opzichte van een andere tekstgetuige een potentiële afstammeling.

Het woord ‘potentieel’ wijst hier op de complexiteit van de overlevering: door de combinatie van hoge graad aan contaminatie en het verlies van talloze tekstgetuigen is het vrijwel niet mogelijk ‘echte’ relaties tussen handschriften vast te stellen. Daarom wordt er geabstraheerd van de handschriften naar de teksten die ze betuigen. Je kunt immers constateren dat de tekst van de ene tekstgetuige zich dichter bij de intiële tekst bevindt dan de andere. Elke betuigde tekst(vorm) die zich dichter bij de bron bevindt in de stroom van de overlevering, is een potentiële voorouder van de betuigde tekst(vorm)en die zich verder stroomafwaarts bevinden.

Dit kun je dan verder gaan inperken door op zoek te gaan naar de meest nabije potentiële voorouder en een ideaal (zo zuinig mogelijk) stroomdiagram op te stellen. Zo ontstaat genealogische coherentie.

Pregenealogische coherentie kijkt alleen naar de mate waarin tekstgetuigen met elkaar overeenkomen. Genealogische coherentie brengt richting aan tussen tekstgetuigen. De mate van genealogische coherentie van een bepaalde tekstvariant levert belangrijke informatie op.

Stel dat je op een bepaald tekstadres wilt kijken naar de genealogische coherentie van variant a. Bij alle tekstgetuigen met a zoek je dan naar de meest nabije potentiële voorouder. Wanneer het lukt om die voorouder steeds onder de tekstgetuigen met a te vinden (waarbij A, de initiële tekst, bovenin het stroomdiagram staat), is er sprake van perfecte coherentie. Dit is een bevestiging dat a waarschijnlijk inderdaad de initiële tekst is. Tekstgetuigen met andere varianten zullen de oudste potentiële voorouder ergens binnen de attestatie van een andere variant vinden, maar nooit heeft een tekstgetuige met a een potentiële voorouder met een andere variant. Anders gezegd: als de meest anterieure tekstgetuige met variant b een teksgetuige met variant a als potentiële voorouder heeft die op zijn beurt vijf stappen verwijderd is van de initiële tekst (en dus zelf relatief veel posterieure varianten heeft en daarom lager in het stroomdiagram staat), is de kans aanzienlijk dat b inderdaad een overschrijffout is.

Maar stel nu dat blijkt dat sommige tekstgetuigen met a een meest nabije potentiële voorouder met b hebben en de coherentie dus imperfect is. Dan is er reden voor verder onderzoek. Wat gebeurt er met de coherentie als je b tot initiële variant verklaart? Misschien blijkt dat b een betere coherentie heeft binnen de attestatie en ontstaat er als je b tot A verklaart een beter stroomdiagram tussen de varianten. Het zou immers gek zijn als a de oudste variant is, deze (op basis van de aanname dat a de oudste variant is) heel vroeg in de overlevering vaak in b is veranderd en vervolgens weer regelmatig teruggedraaid naar a. Dat is een minder zuinige verklaring.

Dit is bijvoorbeeld aan de hand in 1 Petrus 4:16. De lezing “in dit deel/lot” komt alleen voor in tamelijk late handschriften en “in deze naam” in de handschriften die doorgaans als de oudste en beste worden gezien. Maar een genealogische coherentie-analyse maakt duidelijk dat tekstvormen met “in deze naam” vaak een potentiële voorouder hebben met “in dit deel/lot” (zwaar imperfecte coherentie), terwijl die laatste variant perfecte coherentie heeft. (Deze en dergelijke voorbeelden maken duidelijk waarom een opvallend groot deel van de veranderingen van de ECM ten opzichte van eerdere edities bestaan uit een keuze voor de zogeheten Byzantijnse tekst. Het blijkt dat late handschriften oorspronkelijke varianten kunnen bevatten die geen spoor hebben nagelaten in de oudere overlevering.)

Wat er vervolgens gebeurt, is dat dit lokale stemma van varianten wordt aangepast. Maar als dat op nog een paar tekstadressen gebeurt, is het mogelijk dat bepaalde tekstgetuigen van plaats veranderen in de stroom van de overlevering. Als immers de verhouding tussen anterieure en posterieure varianten ten opzichte van een andere tekstgetuige net de andere kant op gaat wijzen, zullen deze tekstgetuigen van plaats wisselen.

Het is dan tijd voor de volgende cyclus waarin alle lokale stemmata opnieuw worden beoordeeld. Want het zou kunnen dat er iets in de genealogische coherentie van een variant is veranderd door de verandering van de positie van sommige tekstgetuigen. En als dat zo is, leidt dat misschien tot een andere beoordeling van lokale variatie. En dat leidt dan weer tot een globale wijziging in de genealogische verhoudingen. De kritische teksten die in de edities van de ECM terechtkomen, hebben een aantal van deze cycli ondergaan om een optimale verhouding te vinden tussen het globale stemma en de lokale stemmata.

Deze methode levert niet alleen nieuwe inzichten op over de oudste tekst, maar ook over het onstaan van bepaalde varianten (het blijkt bijvoorbeeld dat het veel vaker onbewust is gegaan dan opzettelijk). Bovendien laat deze methode zien dat de overlevering van de tekst van het Nieuwe Testament één grote, geleidelijke stroom is zonder grote breuken of recensies.

Terugblik

Bovenstaande uitleg is erg beknopt en abstract en ook niet helemaal compleet, maar geeft hopelijk een idee van de methodische vernieuwing van de coherentiegebaseerde genealogische methode. Wie beter wil snappen hoe het werkt raad ik het toegankelijke boekje A New Approach to Textual Criticism aan van Tommy Wasserman en Peter J. Gurry. Er is ook een vrij toegankelijke en zeer uitgebreide introductie beschikbaar van Gerd Mink, zie hier. Ook is het heel mooi dat de CBGM met open access is gepubliceerd, zodat iedereen de achterliggende data kan bekijken en ermee kan ‘spelen’ (zie o.a. hier en hier en hier).

New Publications on Theodore of Mopsuestia

Theodore of Mopsuestia’s Interpretation of the Birth Announcements of Ishmael and Isaac (Genesis 16 and 18) and Its Reception in East-Syriac and Greek Sources
in Markus Vinzent & Tikhon Alexander Pinho (eds.), Studia Patristica. Vol. 129: Papers presented at the Eighteenth International Conference on Patristic Studies held in Oxford 2019, vol. 26: From the Fifth Century Onwards (Greek Writers); Following the Holy Fathers: Patristic Sources in the Palamite Controversy (Leuven: Peeters, 2021), 9-20.



The Old Testament and Rhetorical Technique in Theodore of Mopsuestia’s Commentaries on the Epistles of Paul
in Joseph Verheyden and Tobias Nicklas (eds.), Early Christian Commentators of the New Testament (Biblical Tools and Studies 42; Leuven: Peeters, 2021), 61-77.



Abstract

In this contribution I investigate how Theodore of Mopsuestia uses the Old Testament in his commentaries on the epistles attributed to Paul. I distinguish four categories: 1) examples from the Old Testament introduced by Theodore, 2) parallels of biblical idiom employed by Theodore, 3) Pauline citations that are deemed ‘testimonies’, and 4) Pauline exegesis that is considered ‘comparison’ (syncrisis). I argue that in the end Theodore’s way of dealing with these texts has the goal of avoiding allegorical interpretation.

De indeling van Lucas 1 en 2

Bij de voorbereiding voor de NBG-webinars over Lucas 1 en 2 stuitte ik op drie verschillende indelingen van deze hoofdstukken (er zullen er vast meer zijn). Hoe bepaal je dan welke de beste is?

Lucas 1 (vanaf vers 5) en Lucas 2 vormen een afgebakende eenheid binnen het Evangelie volgens Lucas. Het zijn immers de geboorteverhalen van Johannes de Doper en Jezus. Ze spelen ongeveer dertig jaar eerder dan het hoofdverhaal, dat begint vanaf hoofdstuk 3.

Literaire indelingen zijn belangrijk omdat je daardoor zicht krijgt op wat je in de teksten moet verbinden. Lucas had alles ook anders op kunnen schrijven, maar hij vertelt het zó in déze volgorde. Natuurlijk staat het je als lezer vrij allerlei indelingen op de tekst te projecteren, maar mijns inziens is het beter maar eens te beginnen met de indeling die het beste de tekst verklaart zoals die er ligt en zoals die waarschijnlijk door Lucas bedoeld is.

Alle indelingen zien in de aankondiging aan Zacharias en de aankondiging aan Maria de eerste twee blokken. Dat is tamelijk evident.

De eerste indeling plaatst ook de geboorte en besnijdenis van Johannes en Jezus parallel. De ontmoeting tussen Maria en Elisabet staat dan centraal in het midden. Dat is mooi en aantrekkelijk, maar het probleem is dat je een stuk van hoofdstuk 2 er aan laat bungelen. Het past niet in dit schema.

De tweede indeling komt hieraan tegemoet. Die ziet de geboortes ook parallel, maar plaatst de lofzang van Zacharias parallel met de reacties van Simeon en Anna in de tempel. Het gedeelte van de aankondigingen wordt dan afgesloten met de ontmoeting tussen Maria en Elisabet, en het gedeelte van de geboortes met de twaalfjarige Jezus in de tempel. Het probleem hiervan is dat er niet echt sterke tekstinterne aanwijzingen zijn die dit schema rechtvaardigen en dat de blokken nogal in omvang uiteenlopen.

De derde indeling laat de parallel van de geboortes los op grond van het feit dat hoofdstuk 1:5-80 en 2:1-52 vergelijkbaar zijn opgebouwd: ze beginnen allebei met een algemene introductie (waarbij de relevante heerser genoemd wordt) en eindigen met een ‘groeibericht’, bij Jezus zelfs twee (2:40 en 52) waartussen dan nog het verhaal over de twaalfjarige Jezus staat, dat zo ook keurig binnen het schema valt.

Als je dan weer naar hoofdstuk 1 kijkt, zie je hoe de verschillende verhaalblokken binnen deze episode op elkaar voortbouwen. Er is ook een samenhangende chronologie:

  • vijf maanden van afzondering voor Elisabet
  • in de zesde maand de aankondiging aan Maria en haar ontmoeting met Elisabet
  • drie maanden later keert Maria terug
  • de bevalling met besnijdenis op de achtste dag

Het eerste blok gaat over een man in het centrum van de godsdienst, Zacharias, die uiteindelijk de boodschap niet gelooft. De boodschap komt van Gabriël en kondigt een kind aan dat al in de moederschoot van de heilige Geest vervuld is.

Het tweede blok gaat over een meisje ergens in de periferie, Maria, die zich uiteindelijk aan de boodschap toevertrouwd. De boodschap komt wederom van Gabriël en kondigt een kind aan dat door de heilige Geest verwekt wordt en Zoon van de Allerhoogste zal zijn. Gabriël noemt Maria begenadigd.

In het midden van deze episode kruisen de lijnen van Jezus en Johannes elkaar, want Maria gaat op bezoek bij Elisabet (nadat ze in blok 2 over haar toestand had vernomen.) In blok 3 is het Elisabet die Maria, in navolging van Gabriël in blok 2, de meest gezegende van alle vrouwen noemt. Zoals al voorbereid in blok 1 springt Johannes op in Elisabets schoot, en dat heeft te maken met de heilige Geest. Vervolgens reageert Maria op de hele situatie met een hymne waarin ze reflecteert op de gebeurtenissen en er een theologische duiding van geeft.

In blok 4 baart Elisabet Johannes, en dit blok begint net als het vorige met een interactie waarin Elisabet een rol speelt. En net als in blok 3 eindigt dit met een hymne, dit keer van Zacharias die weer kan spreken. Dit verwijst ook naar blok 1 toen hij stom werd. Een verbinding met blok 2 is dat hier sprake is van een profeet van de Allerhoogste die de Zoon van de Allerhoogste zal aankondigen.

Lucas 1:5-80 is dus een afgeronde episode, die op het eerste gezicht gaat over de geboorte van Johannes de Doper, maar waarin de twee middelste blokken zijn gewijd aan Jezus. Van begin af aan is duidelijk hoe de verhoudingen liggen.

Er zijn natuurlijk ook verbindingen met hoofdstuk 2. In het geboorteverhaal van Jezus komen een paar vaste vormelementen terug uit het geboorteverhaal van Johannes (zoals de omstanders en de besnijdenis), en de boodschap van de engel van de Heer bouwt voort op wat Zacharias in zijn slotreflecties in hoofdstuk 1 had uitgesproken. Misschien zou je kunnen zeggen dat hoofdstuk 2 op een bepaalde manier hoofdstuk 1 spiegelt, want terwijl hoofdstuk 1 begint in de tempel, eindigt hoofdstuk 2 ermee.

Over hoofdstuk 2 zou nog veel meer te zeggen zijn, maar dat laat ik verder rusten. Het blijkt maar weer: zodra je je intensief met deze teksten bezig gaat houden, ontdek je weer allerlei mooie en betekenisvolle dingen.

Het Griekse Nieuwe Testament (5): De coherentiegebaseerde genealogische methode en pregenealogische coherentie

Dit is de vijfde blog in een serie over tekstkritiek van het Nieuwe Testament (123, 4) waarin ik beknopt uiteenzet wat er wetenschappelijk gezien achter de nieuwste brontekstuitgaven van het Griekse Nieuwe Testament zit.

Kohärenzbasierte genealogische Methode

Aan het einde van de twintigste eeuw waren er twee belangrijke ontwikkelingen: 1) Bij onder meer het Institut für Neutestamentliche Textforschung te Münster was inmiddels een betrouwbare database opgebouwd van data rond de overlevering van het Nieuwe Testament. 2) Gerd Mink ontwikkelde een nieuwe methode om de problemen van de nieuwtestamentische tekstkritiek aan te pakken.

Deze nieuwe methode heet de kohärenzbasierte genealogische Methode, oftewel de Coherence Based Genealogical Method. In het Nederlands zou je kunnen zeggen: de coherentiegebaseerde genealogische methode, kortweg de coherentiemethode.

Zoals vaak het geval is bij wetenschappelijke ontwikkelingen maakt deze methode het vroegere tekstkritische handwerk niet overbodig of zinloos, maar plaatst deze het wetenschappelijke werk in een nieuw kader. De resultaten van deze nieuwe methode tot nu toe laten zien dat de tekst van het Nieuwe Testament die eruit voortkomt over het algemeen een lichte verandering heeft ondergaan: enkele tientallen veranderingen per sectie (Katholieke brieven, Handelingen, Marcus).

Enkele nieuwe begrippen

De coherentiegebaseerde genealogische methode (CBGM) kijkt op een andere manier naar de overlevering van de tekst.

In plaats van naar directe genealogische relaties tussen handschriften (zoals bij de stemmatische methode) kijkt de CBGM primair naar coherentie tussen teksten in handschriften. In plaats van of het ene handschrift van het andere is overschreven wordt de vraag wat de coherentie is tussen teksten die in de handschriften worden betuigd. Een indeling van de tekstgetuigen is dus niet meer afhankelijk van de datering van het handschrift maar de relatieve plaats van de betuigde tekstgestalte in de ontwikkeling van de tekst als geheel. In theorie kan een tiende-eeuws handschrift immers een oudere tekstvorm betuigen dan een zesde-eeuws handschrift.

Pregenealogische coherentie

Om die ontwikkeling in kaart te brengen zijn een aantal stappen nodig. Ten eerste krijgt elk woord in de tekst een adres: 2, 4, 6 enzovoort. De oneven plekken blijven vrij om plek voor extra varianten te houden. Dus 1 Petrus 1:2/4-10 is het tweede tot en met het vijfde woord van de hoofdtekst van 1 Petrus 1:2.

Als je vervolgens alle varianten invoert in een database kun je twee tekstgetuigen met elkaar vergelijken door alle adressen met variatie naast elkaar te leggen. De computer rekent in een handomdraai uit wat het percentage overeenkomst is tussen tekstgetuigen. Dit noemt men pregenealogische coherentie. Het is waardevolle informatie, want tekstgetuigen met een relatief lage pregenealogische coherentie zullen in de tekstoverlevering immers weinig met elkaar te maken hebben, en vice versa.

Hiermee kun je twee dingen doen. Ten eerste kun je hiermee bekijken hoe sterk de betuiging voor een variant eigenlijk is. Als de betuiging voor een variant relatief incoherent is (de tekstgetuigen hebben een relatief laag percentage overeenkomst op de variante adressen) kun je je afvragen of een variant niet twee of meer keer onafhankelijk van elkaar ontstaan is. Als je de lijst met tekstgetuigen voor een variant ziet kan dat best indrukwekkend zijn, maar als je pregenealogische coherentie erbij betrekt is het mogelijk dat deze lijst uiteenvalt in twee of meer plukjes met op zich coherente tekstgetuigen. Dat betekent dat deze variant waarschijnlijk op meerdere plaatsen in de overlevering is ontstaan. Bij de evaluatie van de tekstgetuigen (externe criteria) neemt het gewicht van deze variant dus af. Wat tekstcritici vroeger moesten nagaan op basis van particuliere kennis en Fingerspitzengefühl kan nu op een systematischer en objectiever manier bekeken worden.

Het tweede gebruik van pregenalogische coherentie komt in beeld bij het maken van een stemma van varianten op elke plek waar variatie is. Dit gaat eerst volgens de lokaal-genealogische methode die ik in de vorige blog besproken heb. Variant a is dan de oudste variant, en de rest stamt hier op een of andere manier van af. Maar het is niet altijd gemakkelijk om te bepalen of bijvoorbeeld variant e ontstaan is uit variant b of uit c. De pregenealogische coherentie kan helpen om hier te beslissen, want als de tekstgetuigen met variant e een stuk coherenter zijn met tekstgetuigen van variant c dan van variant b is het aannemelijker dat variant e is ontstaan uit c.

Op die manier ontstaat er op elke variante plek een richting in de relatie tussen tekstgetuigen. Want als variant a oorspronkelijk is, zijn tekstgetuigen met variant b en c op deze plek secundair. En als variant d afstamt van c, zijn de tekstgetuigen met variant d secundair aan c en a. Tegelijk ontstaat natuurlijk de hoofdtekst van de editie, waarin alle a-varianten komen te staan. In de CBGM heet dit de initiële tekst: de tekst die aan het begin staat van de bekende overlevering.

Als je nu tekstgetuigen naast elkaar legt, kun je niet alleen zien op hoeveel variante adressen een tekstgetuige overeenstemt met met een ander, maar ook hoeveel afwijkende plaatsen een anterieure of een posterieure variant hebben. Wat de CBGM vervolgens doet is een gouden greep, die het probleem van de contaminatie te lijf kan. Want bij een gecontamineerde overlevering worden er kopieën gemaakt uit meerdere oudere handschriften. Een kopie heeft dan ten opzichte van elke voorouder zowel (zoals je zou verwachten) plaatsen waar de tekst slechter is geworden, maar ook plaatsen waar de tekst verbeterd is aan de hand van een ander handschrift. Wat zegt de CBGM nu? Die ziet dus af van een stemmatische benadering, maar stelt dat een tekstgetuige met méér posterieure varianten dan een andere tekstgetuige diens potentiële afstammeling is. Als je alle tekstgetuigen ziet als een stroom vanaf de initiële tekst, zal een potentiële afstammeling zich verder stroomafwaarts bevinden dan diens potentiële voorouder. Een tekstgetuige heeft meestal meerdere potentiële voorouders en nakomelingen.

Je kunt nu dus ook bij elke tekstgetuige diens meest nabije potentiële voorouder opzoeken. Zo kun je stroomdiagrammen maken die erg lijken op stemmata, maar zoals uitgelegd op een aantal cruciale punten anders in elkaar zitten. We komen nu op het punt van genealogische coherentie, maar wat dat is leg ik een volgende keer uit.

Het Griekse Nieuwe Testament (4): Locaal-genealogische methode, teksttypen en de ‘standaardtekst’

Dit is de vierde blog in een serie over tekstkritiek van het Nieuwe Testament (1, 2, 3) waarin ik beknopt uiteenzet wat er wetenschappelijk gezien achter de nieuwste brontekstuitgaven van het Griekse Nieuwe Testament zit.

De locaal-genealogische methode

Zoals ik heb uitgelegd is het door het verlies van talloze handschriften en de hoge mate van contaminatie niet goed mogelijk om de stemmatische methode lost te laten op het Nieuwe Testament. Hoe dan verder?

Een goede mogelijkheid is om niet stemmatisch, maar locaal-genealogisch te werk te gaan. Dat wil zeggen dat je alles per geval bekijkt en per geval beslist wat de oudste tekst waarschijnlijk geweest is. Je kunt immers niet op basis van een stemma automatisch op bepaalde handschriften af gaan. Er komt dus veel gewicht te liggen op de evaluatie van de variant (interne criteria).

Maar zodra je dit in voldoende gevallen gedaan hebt, kun je wel constateren dat in het ene handschrift veel vaker de oudste tekst is bewaard dan in het andere. Het is dan mogelijk om de kwaliteit van een bepaald handschrift te bepalen. En dat kan weer als argument gebruikt worden bij nieuwe varianten. De evaluatie van de tekstgetuige (externe criteria) vindt dan niet meer plaats op basis van de plek in het stemma, maar op basis van de kwaliteit van de tekstgetuige. Daarnaast dienen tekstcritici uiteraard bekend te zijn met allerlei eigenschappen van de tekstgetuigen.

Het gevaar bij deze benadering is wel dat subjectieve voorkeuren een te grote rol gaan spelen en de kwaliteitsbepaling van tekstgetuigen een schijn van objectiviteit krijgt die niet altijd waargemaakt kan worden.

Teksttypen

Een bijkomend middel dat men gebruikt ter compensatie van het ontbreken van een stemma is het model van de teksttypen. Al eeuwenlang is bekend dat bepaalde groepen handschriften overeenkomstige kenmerken vertonen. Men onderscheidt/-scheidde bijvoorbeeld het Alexandrijnse, westerse en Byzantijnse teksttype.

Deze families kun je net zo gebruiken als de genealogische takken in een stemma: als een variant in meerdere teksttypen voorkomt, is de kans groter dat het om een heel oude variant gaat.

Inmiddels is gebleken dat dit model ernstige tekortkomingen heeft. Zo zijn er van families geen ‘zuivere’ versies bekend en zijn veel handschriften hybride. Het is op basis van harde cijfers niet goed mogelijk deze teksttypen van elkaar af te bakenen. Er zijn nooit zogeheten recensies geweest waardoor teksttypen zijn ontstaan (zoals bij de Septuaginta), maar er is sprake van één langzaam overleveringsproces.

Het is nog steeds mogelijk om tekstclusters te onderscheiden, maar de waarde ervan voor de vaststelling van de oudste tekst is sterk verminderd.

De ‘standaardtekst’

Tot ver in de twintigste eeuw was het maken van de brontekstedities het terrein van individuele geleerde mannen. En ook de makers van bijbelvertalingen stonden hun mannetje op dit gebied. Buiten het westen was de situatie anders, en toen in de tweede helft van de twintigste eeuw het maken van toegankelijke vertalingen wereldwijd grote belangstelling had, ontstond er bij de United Bible Societies behoefte aan een betrouwbare Griekse standaardtekst.

Tegelijk waren Kurt Aland en de zijnen in Duitsland bezig om nieuwe brontekstedities te maken die op directe kennis van de handschriften gebaseerd waren en niet meer afhankelijk waren van de grote negentiende-eeuwse edities.

Er werd een internationaal comité samengesteld met tekstcritici uit verschillende geloofstradities. Het resultaat was dat in 1975 een ‘standaardtekst’ kon verschijnen die gebruikt ging worden in de Rooms-Katholieke Kerk en door alle Bijbelgenootschappen van de UBS. Deze tekst is te vinden in het Greek New Testament 3-4 en Nestle-Aland 26-27.

Deze tekst heeft uiteraard het karakter van een compromis en was beslist niet bedoeld als een definitieve tekst. Het voordeel van deze comité-tekst is dat deze gebaseerd is op gezamenlijke kennis van het relatief extreem grote aantal handschriften én op de gezamenlijke discussies. Dit perkt de subjectiviteit in. In elk geval heeft deze tekst al bijna 50 jaar nagenoeg onbetwiste autoriteit.

Maar het kon nóg beter. Daarover een volgende keer.

Literatuur

Kurt Aland & Barbara Aland, Der Text des neuen Testaments, Suttgart 1982.

Ernst Boogert, ‘De handschriften van het Griekse Nieuwe Testament. Op verkenning in de wereld achter vertalingen’ in: Met Andere Woorden 35/3-4 (2016), 64-77.

Holger Strutwolf, ‘Entstehung und Entwicklung der Rezensionshypothese in der neutestamentlichen Wissenschaft’ in: Biblische Notizen 184 (2020), 5-42.

Klaus Wachtel, ‘Die kohärenzbasierte Methode und ihre Ergebnisse für die neutestamentliche Textgeschichte’ in: Biblische Notizen 184 (2020), 43-72.