Nieuwe publicatie: 1 Petrus 2:24 onder revisie

Voor Met Andere Woorden schreef ik een kort artikel over 1 Petrus 2:24. Het is het tweede deel in de rubriek Weerwoord, waarvan Andries Knevel het eerste deel voor zijn rekening neemt.

Het nummer is hier aan te vragen en ook online in te zien. Dit nummer is absoluut de moeite waard, omdat er een aantal belangrijke wijzigingen in de NBV21 toegelicht worden.

Erratum: In de voetnoot op p. 85 staat in de eerste regel ‘NBV’, dat moet ‘NBV21’ zijn.

bronvermelding

Cor Hoogerwerf, ‘1 Petrus 2:24 onder revisie’, Met Andere Woorden 40/2 (2021) 82-85.

Nieuw boek – NBV21: De vertaalmethode toegelicht

Binnenkort verschijnt ook het boek over de NBV21, waaraan ik heb meegeschreven:

Matthijs de Jong en Cor Hoogerwerf, NBV21: De vertaalmethode toegelicht, Haarlem/Antwerpen: Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap, 2021.

Dit boek laat u kennismaken met de NBV21. Het neemt u mee de Bijbel door en biedt een uitgebreide tour langs vele vertaalvoorbeelden die samen het verhaal van de NBV21 vertellen. Maar bovendien brengt dit boek u bij de kern van de NBV en de NBV21: de vertaalmethode die aan deze vertaling ten grondslag ligt. Bijbelwetenschappers Matthijs de Jong en Cor Hoogerwerf lopen stap voor stap de vertaalmethode langs en lichten de gemaakte keuzes deskundig toe. Een must-read voor iedereen die wil weten hoe de Nieuwe Bijbelvertaling tot stand gekomen is en wat er in de revisie is gewijzigd.

Verkrijgbaar vanaf 14 oktober 2021, bijvoorbeeld in de NBG-webshop, waar er ook al een stukje uit het boek is in te zien.

Webinars bijbelvertalen en blogs over NBV21

Afgelopen week vonden er twee webinars plaats over bijbelvertalen en de NBV21, die door mijn collega Matthijs de Jong werden gegeven en waarin ik de kijkersvragen naar voren bracht. Het ene webinar is een online college, het andere is voor een breed publiek. Klik hier om naar de pagina met de webinars te gaan.

Daarnaast heb ik een heleboel blogs geschreven over de NBV21. Ik soms ze hier even op:

Het Griekse Nieuwe Testament (3): De stemmatische methode

Wanneer je alle verschillen tussen de handschriften van een bepaald geschrift uit de oudheid hebt gecollationeerd en de varianten voor zover mogelijk op basis van bepaalde criteria in een genealogische verhouding hebt geplaatst, is het mogelijk een stemma (‘stamboom’) te maken van de handschriften.

De stemmatische methode

Datering

Bij een stemma is de datering van handschriften belangrijk, want oudere handschriften kunnen natuurlijk niet van jongere zijn overgeschreven. De datering van een handschrift vindt plaats op basis van overgeleverde informatie (bijvoorbeeld een colofon in het handschrift) en/of op basis van paleografisch onderzoek (m.n. het vergelijken van het materiaal en de lettervormen met gedateerde handschriften).

Verbindende en scheidende fouten

Handschriften worden stemmatisch met elkaar verbonden met behulp van fouten in de tekst. Er zijn verbindende en scheidende fouten (conjunctieve fouten of Bindefehler en disjunctieve fouten of Trennfehler). Een verbindende fout laat zien dat een groep handschriften nauwer gerelateerd is dan andere, terwijl een scheidende fout laat zien dat een of meerdere handschriften met die fout onafhankelijk is van andere zonder die fout.

De bedoeling is dat je een zo optimaal mogelijk stemma maakt met zo min mogelijk hypothetische grootheden. Zo’n stemma kan er bijvoorbeeld zo uitzien:

Ik ontleen dit voorbeeld aan het Finse Parvum Lexicon Stammatologicum (hier). De X staat voor het oorspronkelijke geschrift, de α voor het archetype dat aan de basis staat van de bekende handschriften (soms is het archetype bewaard gebleven). De verdere hoofdletters staan voor manuscripten, de Griekse letters na de α voor hyparchetypen (hypothetische handschriften die verondersteld moeten worden bestaan te hebben). Zoals aan dit stemma is te zien is het voor filologen de gewoonste zaak van de wereld zo nodig handschriften of teksten te veronderstellen.

In dit voorbeeld hebben ABCD verbindende fouten, die hen onafhankelijk maken van de rest. Maar los daarvan hebben alle vier alleen maar scheidende fouten, zodat ze niet van elkaar overgeschreven kunnen zijn. Vandaar dat ze onder hyparchetype β gezet worden. K heeft geen enkele verbindende fout en is daarom onafhankelijk van de rest. Dat er een rechtstreekse lijn is naar het archetype wil niet per se zeggen dat K er een directe kopie van is, alleen is het in het stemma zinloos (niet optimaal) om er een of meer hyparchetypen tussen te zetten. EFGHJ hebben gezamenlijke verbindende fouten, FJGH hebben er daarbovenop nog meer en GH hebben er daarbovenop nog meer. GH hebben daarnaast enkel scheidende fouten, zodat er een hyparchetype boven moet. FJ hebben daarentegen naast de genoemde verbindende fouten onderling geen scheidende fouten, slechts scheidende fouten met GH. J heeft alle fouten die F ook heeft, alleen een of meer extra.

Bovenstaande stemma is tamelijk theoretisch, want in de praktijk zien stemmata er meestal veel complexer en minder ‘netjes’ uit, bijvoorbeeld zo:

Voordeel van het stemma

Wat is nu het voordeel van zo’n stemma? Het levert een extra instrument op om de oudste tekst te reconstrueren. In de eerste plaats kun je de afhankelijke handschriften onderin het stemma elimineren, zoals in het eerste voorbeeld hierboven J, dat per definitie een slechtere tekst heeft dan F. Varianten die alleen in J staan leggen geen gewicht in de schaal.

In de tweede plaats kan het stemma, als je er op basis van de varianten zelf niet goed uitkomt, helpen beslissen wat de oorspronkelijke variant is. Als een variant niet in ABCD staat, maar wel in EFGHJ (dus in γ) en in K, behoort deze waarschijnlijk tot het archetype omdat deze in twee onafhankelijke takken bewaard is.

Het onderscheid tussen het oordeel op basis van de variante plaats zelf en het oordeel op basis van het stemma kun je ook evaluatie van varianten en van tekstgetuigen noemen, of het oordeel met behulp van interne en externe criteria.

Hermeneutische cirkel

Het is belangrijk op te merken dat zo’n stemma een hermeneutische cirkel in zich bergt. Het stemma wordt immers opgesteld op basis van de beoordeling van varianten, maar wordt vervolgens weer gebruikt als argument om (andere) varianten te beoordelen.

Als je dit in het oog houdt, kan het gebeuren dat je het stemma weer moet aanpassen. Als bijvoorbeeld blijkt dat er bij een volledige bestudering van de handschriften geen nieuwe scheidende fouten in D met ABC worden aangetroffen en de vermeende scheidende fouten in feite vrijwel allemaal beter verklaard kunnen worden als ‘domme’ overschrijffouten die zeer gemakkelijk door de volgende overschrijver kunnen worden hersteld (iets wat regelmatig gebeurt), is het optimaler om β te vervangen door D. Een verandering in het stemma heeft weer gevolgen voor de beoordeling van varianten. Want het zou nu kunnen dat een voormalige scheidende variant in D bij nadere bestudering toch een betere variant lijkt dan in ABC en het wellicht zelfs kan schoppen tot α.

Complicaties

Bij de toepassing van de stemmatische methode op de handschriften van het Nieuwe Testament zijn er twee belangrijke complicaties. De eerste is, dat er hoogst zelden handschriften zijn waarvan ook een directe voorouder of een direct afschrift bekend is. Zeker in de eerste eeuwen van de overlevering zijn de gaten tussen de handschriften waar ooit handschriften als tussenschakel hebben gefungeerd, vele malen groter dan het aantal bewaarde handschriften.

De tweede complicatie is het fenomeen contaminatie. Het eerste stemma hierboven is een ‘zuiver’ stemma, maar stel je voor dat de kopiist van F ook het handschrift D en K tot zijn beschikking had. Dan wordt de reconstructie van de tekst veel gecompliceerder omdat je de stemmatische logica niet meer goed kunt inzetten. Zulke contaminatie heeft op grote schaal plaatsgevonden in de overlevering van het Griekse Nieuwe Testament. Hoewel de logica van de stemmatische methode zeker een rol blijft spelen, moeten tekstcritici van het Nieuwe Testament anders te werk gaan.

Het Griekse Nieuwe Testament (2): Genealogie van varianten

Stel, je hebt van een bepaalde tekst alle handschriften opgespoord en alle verschillen beschreven. Hoe ga je dan verder?

In de vorige blogpost heb ik beschreven dat de eerste stap in het tekstkritische proces van recensio bestaat uit collationeren: het vergelijken van de verschillen tussen handschriften. Volgens de klassieke methode zoals die ontworpen is door Karl Lachmann en Paul Maas ga je vervolgens een stemma (‘stamboom’) opstellen.

Genealogie van varianten

Verschillen tussen handschriften – meestal kopieerfouten – zijn op het eerste gezicht iets vervelends. De filoloog is erop uit om die te elimineren om zo de oudste tekst te reconstrueren. Maar om dat te doen, zijn kopieerfouten juist essentieel. Want dankzij deze fouten kun je handschriften genealogisch aan elkaar verbinden. Op basis van de plaatsen waar alle handschriften exact hetzelfde zijn, kun je niet weten welke van welke is overgeschreven.

Van tevoren weet je natuurlijk niet wat een fout is en wat niet, dus het is beter van ‘varianten’ te spreken. Hoe weet je nu of een variant ouder of jonger is dan een andere variant? Puur op basis van de varianten zelf zijn er twee soorten criteria: intrinsieke waarschijnlijkheid, die te maken heeft met de schrijfstijl van de auteur en de aard van de tekst zelf, en transcriptionele waarschijnlijkheid, die te maken heeft met de gewoonten van kopiisten.

Ik ga dit hier verder niet uitwerken. Wel geef ik twee voorbeelden.

Matteüs 1:18

Hier staat in sommige handschriften genesis, in andere gennêsis. Het kan allebei ‘geboorte’ betekenen, maar het eerste woord heeft een ruimere betekenis (‘oorsprong’, ‘afstamming’) dan het tweede, dat met ‘verwekken’ te maken heeft. De woorden klinken nagenoeg hetzelfde, dus het is goed voorstelbaar dat hier per ongelijk een kopieerfout is gemaakt. Maar welke kant op? Als er genesis stond, zijn er twee redenen te noemen waarom het voor een kopiist gemakkelijk was er gennêsis van te maken. Ten eerste volgt dit woord na een hele reeks gevallen van het verwante werkwoord gennan (‘verwekken’) in Matteüs 1:2-17. Ten tweede is vanaf de patristische periode het vaste woord voor Christus’ geboorte gennêsis, wat invloed uitgeoefend kan hebben. Andersom is het moeilijker voorstelbaar dat een kopiist gennêsis in genesis veranderde. Het woord genesis is in dit vers best verrassend en is ook op een net andere manier gebruikt dan in vers 1 (‘[overzicht/boek van] de afstamming’). Kortom, het is waarschijnlijker dat de variant gennêsis een kopieerfout is.

Openbaring 22:19

Hier is in alle Griekse handschriften sprake van de ‘levensboom’. In de Latijnse Vulgata-uitgaven uit de 16e eeuw vinden we echter ‘levensboek’. Omdat Erasmus geen Griekse tekst van het slot van Openbaring tot zijn beschikking had, vertaalde hij het Latijn terug in het Grieks voor zijn eigen uitgave. Daarom staat er nu in de (Herziene) Statenvertaling en de King James Version ‘levensboek’. Welke variant is oorspronkelijker, ‘boom’ of ‘boek’? Wanneer je beseft dat deze twee woorden in het Latijn ligno en libro luiden, is het gemakkelijk te zien waar de overschrijffout is ontstaan. De Latijnse tekst was oorspronkelijk goed vertaald met ligno, maar een kopiist vergiste zich door libro te lezen.

Het stemma

Als je beoordeelt hoe varianten uit elkaar zijn ontstaan, maak je eigenlijk vanzelf een stemma (‘stamboom’). Er ontstaat immers een genealogie van varianten. Op basis daarvan kun je een stemma van de handschriften maken.

Bij sommige varianten is het niet al te moeilijk om op basis van de genoemde criteria op basis van de varianten zelf te bepalen welke variant het oudste is. Maar er zijn ook genoeg gevallen waar dat veel moeilijker is. Een stemma (‘stamboom’) van handschriften kan helpen om dan een oplossing te vinden.

Over de stemmatische methode en de relatie daarvan tot de handschriften van het Nieuwe Testament schrijf ik de volgende keer verder.

Literatuur

Bruce M. Metzger, A Textual Commentary on the Greek New Testament, 2e editie, Stuttgart 1994.

L.D. Reynolds & N.G. Wilson, Scribes & Scholars: A Guide to the Transmission of Greek & Latin Literature, 3e editie, Oxford 1991.