Κυρήνιος en de uitspraak van het Grieks

In Lucas 2:2 noemt de schrijver van het derde evangelie de legatus Augusti pro praetore van de provincie Syria: Κυρήνιος. Deze naam is in de Nieuwe Bijbelvertaling weergegeven als Quirinius. Dat is een historisch correcte weergave van de Latijnse naam van Publius Sulpicius Quirinius. In een vertaling als de (Herziene) Statenvertaling kiest men voor een Latijnse transliteratie: Cyrenius. Als dat ook nog eens op z’n Nederlands wordt uitgesproken, zijn we een eind verwijderd van de oorspronkelijke naam: Quĭrīnius.

De Griekse weergave valt goed te verklaren als we ervan uitgaan dat de υ in de tijd dat Lucas schreef al aan het verdunnen was of verdund was naar een korte i-klank en dat de η klonk als een naar een ‘ie’ toe verkleurde ‘ee’. Dan is Κυρήνιος (spreek ongeveer uit als ‘Kiríenios’) immers een prima weergave van Quĭrīnius.

Een vergelijkbaar geval is Δαυίδ, waar de αυ-klank staat voor ‘av’.

Is het in het licht van het bovenstaande niet beter aan te nemen dat het Grieks van het Nieuwe Testament vrij dicht bij de uitspraak van het moderne Grieks staat? En dat de kunstmatige Erasmiaanse uitspraak daar veel verder vanaf staat, helemaal als we diens klemtoonregels erbij nemen? En dat het dus beter is de Erasmiaanse uitspraak in de ban te doen? Dat is in elk geval wat de nieuwtestamenticus Chrys C. Caragounis betoogt in zijn boek uit 2012 (The Development of Greek and the New Testament: Morphology, Syntax, Phonology, and Textual Transmission). Ik vind zijn betoog best wel overtuigend.

Een indruk van de moderne Griekse uitspraak valt te beluisteren in het volgende filmpje (helaas met Textus Receptus):

Advertenties

Openbaring van Jakobus, een “verloren bijbelboek”? Welnee

Vandaag berichtte de NOS over een belangwekkende vondst, namelijk een gedeelte van de Griekse tekst van de Openbaring van Jakobus. Hier is het nieuwsbericht van de University of Texas.

Maar is dit een “verloren bijbelboek”? Welnee. Om twee redenen. De (Eerste) Openbaring van Jakobus wordt door Roelof van den Broek gedateerd in de tweede helft van de tweede of de eerste helft van de derde eeuw. Ongetwijfeld zal dit boek voor de schrijver (uiteraard niet de historische Jakobus) en een groep geïnteresseerden een zeker gezag hebben bezeten. En als dit geschrift door die groep(en) in samenkomsten werd gelezen of bestudeerd als onderdeel van een bijzonder corpus, dan functioneerde de Openbaring van Jakobus voor hen inderdaad als heilige Schrift. Maar voor de meerderheid van de christenen geldt, dat als men al van dit geschrift had gehoord, men dit slechts als een “ketterse” vervalsing terzijde zou hebben geschoven. Het boek heeft nooit enige kans gemaakt om in de Bijbel te worden opgenomen. Dit geldt trouwens niet alleen voor dit soort “ketterse” geschriften, maar ook voor vele “orthodoxe” van gelijke aard (bijvoorbeeld de Openbaring van Paulus, of de Handelingen van Paulus). En zelfs geschriften die wij als bijbelboek kennen, zijn omstreden geweest. Een bekend voorbeeld is de Openbaring van Johannes, dat door velen werd verworpen, zelfs na de vierde eeuw. Kortom, het is misleidend de Openbaring van Jakobus aan te duiden als een bijbelboek. Alsof dat een vaste eigenschap van een boek zou zijn, of alsof het boek geschreven zou zijn om in de Bijbel te worden opgenomen.

In de tweede plaats is dit boek nu niet “teruggevonden”. Het was al decennia geleden gevonden in twee versies. Bij de Nag Hammadigeschriften zat een Koptische vertaling. (Omdat er ook een andere Openbaring van Jakobus in deze verzameling zit, pleegt men het geschrift waar we het in deze blogpost over hebben de [Eerste] Openbaring van Jakobus te noemen.) En in de jaren zeventig is er een andere Koptische tekstversie gevonden in de Tchacoscodex. Beide versies hebben beschadigingen en kunnen elkaar aanvullen, maar er zitten ook verschillen tussen. Het belangwekkende is nu dat er een gedeelte van de Griekse tekst is gevonden. Daarmee kan een beter zicht verkregen worden op de tekstgeschiedenis van dit boek. Saillant is overigens dat het manuscript met de Griekse tekst uit de vijfde of zesde eeuw komt, en de handschriften met de Koptische vertaling ongeveer uit de vierde eeuw.

In het NOS-artikel krijgt cultuurhistoricus Jacob Slavenburg het woord, die, om het diplomatiek te zeggen, een nogal bijzondere visie heeft op de oorsprong van het christendom. Hij suggereert dat er aanvankelijk zo’n honderd evangeliën verdeeld waren over plaatselijke gemeenten, waaruit er uiteindelijk slechts vier zijn gekozen. Hieruit kan het beeld ontstaan, dat die honderd allemaal eenzelfde kans hadden of evenveel gezag kregen. Maar dat is niet zo. Verreweg de meeste evangeliën, openbaringen, handelingen en brieven die niet in het Nieuwe Testament staan, worden gedateerd in de tweede eeuw of later, toen de kern van de nieuwtestamentische canon (de vier evangeliën en de brieven van Paulus) zich al aan het vormen was. Volgens de gangbare wetenschappelijke opvattingen bevat het Nieuwe Testament de oudste christelijke geschriften. Er zijn maar een paar geschriften bekend, zoals 1 Clemens en de Didache, die waarschijnlijk ouder zijn dan de jongste bijbelboeken.

Overigens is de suggestie dat de “orthodoxen” actief achter “ketterse” teksten aangingen om ze te vernietigen, erg misleidend. Ongetwijfeld zal zoiets af en toe zijn voorgekomen, maar de meeste “ketterse” teksten zijn gewoon op een gegeven moment niet meer gekopieerd en daardoor verloren gegaan. Hetzelfde geldt voor vele “orthodoxe” geschriften die we niet meer hebben.

Update: Zie ook dit artikel in de Volkskrant.

Update: Zie ook dit opinieartikel van prof.dr. Johannes van Oort.

Revisie Nieuwe Bijbelvertaling

De Nieuwe Bijbelvertaling wordt herzien. Dit komt niet uit de lucht vallen, want het was al vanaf de publicatie van deze succesvolle vertaling in 2004 toegezegd. Het Nederlands Bijbelgenootschap wil de NBV-R in 2021 uitbrengen.

Verreweg de meest in het oog springende verandering is de invoering van eerbiedskapitalen bij persoonlijke voornaamwoorden die naar God, Jezus of de heilige Geest verwijzen. (Dus Hij/Hem, U, Ik/Mij, maar niet Zijn, Zich; net zoals in de Willibrordvertaling [2012].) Hierover werd bericht in de media (NOS), zij het niet overal even nauwkeurig. De argumentatie voor deze verandering berust niet slechts op de wens van kerkelijke bijbellezers; zij is ook op taalkundige en pragmatische gronden te verdedigen. Deze verandering is uiteraard een van de simpelste om door te voeren. De vertaling wordt verder in haar geheel tegen het licht gehouden, zowel op basis van de feedback van gebruikers als op basis van wetenschappelijke inzichten.

Matthijs de Jong, die leiding geeft aan het revisieteam, legt in een artikel in Met Andere Woorden uit welke uitgangspunten en principes bij de revisie gehanteerd worden. Er zijn vier principes:

  1. Consistentie en afstemming;
  2. Bevorderen van motiefwerking;
  3. Wetenschappelijk draagvlak als leidraad;
  4. Toetsen van expliciteringen.

Lees hier de uitwerking van deze principes met voorbeelden. Het project beoogt met maatwerk de kwaliteit van de NBV te verbeteren en de bruikbaarheid te vergroten. Hoe dat er uiteindelijk uit komt te zien, is nu al te zien bij enkele voorbeeldteksten op debijbel.nl.

Reactions to & Reviews of Catherine Nixey’s The Darkening Age (Eeuwen van duisternis)

This blogpost is intended to bring together some critical reactions to and reviews of a recent book of journalist Catherine Nixey, The Darkening Age (Dutch: Eeuwen van duisternis). This provocative book claims that Christianity in Antiquity did very much look like ISIS. Although I certainly won’t defend a naive, innocent picture of ancient Christianity, I think this kind of sensationalist writing should not be confused with historical analysis.


29 November 2017: Tim O’Neill, ‘Review – Catherine Nixey “The Darkening Age”‘. Extensive review. He calls it “easily the worst book I have read in years”.

6 November 2017: Dame Averil Cameron (University of Oxford) calls the book a “travesty” and refers to her review in The Tablet (Averil Cameron, ‘Blame the Christians’, The Tablet 271.9218 [23 September 2017] 20). She writes that Nixey has “bought into the old ‘blame the Christians’ model.” “Hearts will sink among historians of early Christianity and late antiquity, as well as medievalists and, needless to say, Byzantinists, when they see the title of this pugnacious and energetically written book. The words  ‘darkening age’ evoke everything they have been trying for years to overturn”. Besides using an old, outdated historiographical paradigm, Cameron points out that Nixey’s story is extremely one-sided, and based on a very small selection of secondary literature. Cameron concludes that Nixey’s book is a dramatic over-reaction to her religious upbringing.

3 November 2017: Levi Roach (University of Exeter) reviews: ‘At Cross Purposes’, Literary Review 459 (November 2017) 16-17. The book “does not seek to present a balanced picture […] this is a book of generalisations. […] Nixey […] is unwilling to see shades of grey.”

26 October 2017 (Dutch): Enne Koops recenseert het boek, dat volgens hem “interessant genoeg” is, maar ook erg subjectief en te weinig vanuit historisch en historiografisch perspectief geschreven. Hij verwijst ook naar een interessant artikel van de godsdienstwetenschapper Jan N. Bremmer op Lucepedia over religieus geweld in de vroege kerk.

21 October 2017: Roger Pearse, Hunting the wild misquotation again: the perils for the author of not verifying your quotations investigates a quotation offered by Nixey, who appears to have not read the primary sources and to have twisted this quotation. After being confronted with this, Catherine Nixey deleted her Twitter account!

8 October 2017: Tim O’Neill, The Lost Books of Photios’ Bibliotheca evaluates the supposed Christian destruction of Greek and Roman learning on the basis of which writings survives of Photios’ library. It turns out that in fact a slightly higher percentage of Christian writings got lost. Explanation: the loss of a book should be expected in Antiquity, preserving it demands effort.

7 October 2017: Sarah Bond (University of Iowa), Were Pagan Temples All Smashed Or Just Converted Into Christian Ones? is not directly related to Nixey’s book, but addresses the same subject, based on recent scholarship:

[A]rchaeologist and art historian Friedrich Wilhelm Deichmann, […] in 1939 cast temple destruction as aimed at showing the “triumphing” of Christianity over Greco-Roman paganism.  However, archaeologists in Rome and elsewhere have now begun to adopt a more pragmatic view of Christian treatment of pagan temples; demonstrating that many were renovated, consecrated and then reused as churches rather than smashed to bits.

17 September 2017: Peter Thonemann reviews the book for The Sunday Times. He notes that “the argument depends on quite a bit of nifty footwork” because of the generalizations on the basis of very limited evidence. Regarding the destruction of temples, he comments that “the truth is more complex. Common enough in triumphalist Christian hagiography, temple-destruction seems to have been exceptionally rare in real life.”

Bewijs voor de opstanding van het lichaam

Een jaar geleden publiceerde ik een artikel over een opmerkelijk traktaat over de opstanding (De resurrectione), dat aan Justinus wordt toegeschreven maar vermoedelijk van iets later datum is, zo ongeveer rond 200 AD. In dit werkje geeft de auteur een filosofische bewijsvoering voor de opstanding van het vlees (d.w.z., het vergankelijke lichaam).

Wat dit traktaat zo intrigerend maakt is niet zozeer het bewijs zelf, dat naar onze maatstaven achterhaald is, maar het feit dat hij een dergelijke bewijsvoering opzet. Uit Eusebios’ Kerkgeschiedenis weten we dat er in het begin van de derde eeuw in Rome een groep was rond Theodotos de Schoenmaker die met behulp van Aristoteles en Theophrastos christelijke leerstellingen in de vorm van bewijzen goot. Het zou mij niet verbazen als de auteur van De resurrectione zich verwant voelde met zo’n groep, of ermee wilde wedijveren.

Het betoog is namelijk zo opgezet, dat voor degenen die twijfelen over de juiste opvatting over de opstanding van het vergankelijke lichaam het helder gemaakt wordt dat instemming hiermee volkomen rationeel is. De verwerping ervan, wat uiteraard in het licht van de heersende opvattingen het meest rationeel scheen, krijgt als label mee dat het nog dommer is dan wat ‘heidenen’  over hun goden denken. De groep van de auteur met diens afwijkende opvatting behoort in feite bij de buitenstaanders, maar de auteur tracht mensen die op de drempel staan zo te manipuleren dat ze denken dat zijn groep het redelijke denken vertegenwoordigt, terwijl andere groepen juist buitenstaanders zijn. Zijn gebruik van de filosofie dient ertoe zijn eigen opvattingen te normaliseren en de tegenstanders een gezaghebbende troef uit handen te nemen.

9783525593745

Deze offensieve benadering die zich het gezaghebbende rationele denken toe-eigent, is heel anders (en uiteindelijk succesvoller gebleken) dan de benadering die je in een brief over de geestelijke opstanding uit ongeveer dezelfde tijd tegenkomt. In deze brief, geschreven aan een zekere Rheginos, wordt het filosofische denken juist afgeserveerd ten gunste van geloof en esoterie. Het is denk ik een van de factoren van het succes van het christendom geweest, dat het zich óók presenteerde als een filosofie en zich daarmee committeerde aan het rationele denken.

N.a.v. mijn ‘Proving the Resurrection of the Flesh: The Use of Natural Philosophy and Galenic Epistemology in Pseudo-Justin’s De Resurrectione’, in Joseph Verheyden, Andreas Merkt, and Tobias Nicklas (eds.), “If Christ has not been raised…”: Studies on the Reception of the Resurrection Stories and the Belief in the Resurrection in the Early Church (Novum Testamentum et Orbis Antiquus/Studien zur Umwelt des Neuen Testaments 115; Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2016), 135–147 (pre-print versie hier).