Papyrus G-A 129: een nieuwe tweede-eeuwse getuige van Paulus’ Eerste brief aan de Korinthiërs

In de lijst Griekse handschriften achterin de laatste handeditie van het Novum Testamentum Graece (28e druk, red. Institut für Neutestamentliche Textforschung) staat aangegeven aan welke eeuw(en) het betreffende handschrift wordt toegeschreven. Tot nu toe zijn er tien handschriften waarbij de tweede eeuw in beeld is:

  • Papyrus 32 (ca. 200) met een handvol teksten uit De brief aan Titus;
  • Papyrus 46 (ca. 200) met de meeste brieven op naam van Paulus;
  • Papyrus 52 (2e eeuw) met enkele verzen uit Het evangelie naar Johannes;
  • Papyrus 64+67 (ca. 200) met enkele passages uit Het evangelie naar Mattheüs;
  • Papyrus 66 (ca. 200) met gedeelten uit Het evangelie naar Johannes;
  • Papyrus 77 (2e/3e eeuw) met enkele verzen uit Het evangelie naar Mattheüs;
  • Papyrus 90 (2e eeuw) met enkele verzen uit Het evangelie naar Johannes;
  • Papyrus 98 (2e eeuw?) met enkele verzen uit De openbaring van Johannes;
  • Papyrus 104 (2e eeuw) met enkele verzen uit Het evangelie naar Mattheüs;
  • Online: Papyrus 137 (2e/3e eeuw) met enkele verzen uit Het evangelie naar Marcus.

Drie handschriften worden zonder voorbehoud in de tweede eeuw geplaatst, alle met tekst uit de evangeliën. Het oudste handschrift met tekst van de hand van Paulus is Papyrus 46, rond 200. Online heeft het Institut für Neutestamentliche Textforschung een handschrift toegevoegd met gedeelten uit De eerste brief aan de Korinthiërs. Dit handschrift (Papyrus 129 of P129 in de Gregory-Aland-nummering) wordt in de tweede eeuw geplaatst, en zou dus wel eens het oudste tastbare bewijs kunnen zijn van de tekst van de brieven op naam van Paulus.

Het handschrift, dat bestaat uit enkele fragmenten van een codexpagina, is verwikkeld in een onverkwikkelijke affaire. De fragmenten zijn momenteel in het bezit van twee Amerikaanse eigenaars, maar het staat vast dat de fragmenten gestolen zijn van de Egypt Exploration Society. Het handschrift zou dus in Oxford moeten zijn en gepubliceerd moeten worden als onderdeel van de Oxyrhynchus-papyri. Niettemin is het feit dat de herkomst duidelijk is (Oxyrhynchus) en dat het INTF het handschrift in hun kurzgefasste Liste heeft opgenomen en er onafhankelijk onderzoek naar heeft laten doen, voor mij voldoende reden om te denken dat het handschrift authentiek is. De datering is natuurlijk altijd een punt van discussie, maar hoe dan ook is het een van de oudste handschriften voor het paulijnse corpus.

De inhoud (delen uit 1 Kor 7:32-37; 8:10-9:3, 9:10-16; 9:27-10:6) is tegelijk wel en niet spectaculair – althans, voor zover dit op basis van de vage afbeeldingen ervan die ik gezien heb en op basis van mijn bescheiden training in papyrologie mogelijk was vast te stellen. Het volgende schrijf ik dus met een héél grote slag om de arm.

Het handschrift is niet spectaculair in zoverre dat de tekst overeen lijkt te komen met wat we in de gangbare moderne kritische editie vinden. Juist enkele omstreden tekstplaatsen vallen buiten de beschreven snippers papyrus. Daarover zal wellicht in enkele gevallen iets te zeggen zijn op basis van de reconstructie van de regellengtes op de codexpagina. Er is zeker een kans dat dit handschrift ervoor gaat zorgen dat de kritische tekst verandert, maar dat is op het eerste gezicht niet evident.

Het feit dat er, voor zover ik met de genoemde beperkingen kan beoordelen, geen varianten in het handschrift lijken voor te komen die afwijken van wat in de moderne kritische editie staat, kan aan de andere kant bevestigen dat onze moderne kritische editie een betrouwbare benadering is van de oudste tekstvorm van deze brief. Dat geldt overigens ook als er toch enkele kleine verschillen tegenover de kritische tekst aan het licht komen. Papyrus 129 kan dus vermoedelijk een krachtige bevestiging leveren van de gangbare wetenschappelijke hypothese omtrent de overlevering van 1 Korinthiërs. Immers, hoe we dénken dat de tekst er in de tweede eeuw uitzag, kan worden bevestigd door empirisch bewijs in de vorm van een tweede-eeuwse tekstgetuige. Dit is potentieel het geval; de wetenschappelijk publicatie en de daaropvolgende discussie zal uitwijzen of dit inderdaad zo is.

Verder zal de codexpagina als materieel artefact belangrijke informatie opleveren met betrekking tot de overlevering van de tekst van het Nieuwe Testament in de tweede eeuw.

Hopelijk kan P129 binnen een paar jaar wetenschappelijk gepubliceerd worden. Ik ben benieuwd in hoeverre de bevindingen van de experts en mijn indruk overeen zullen komen.

Advertenties

Paulus en de overheid in Romeinen 13

Een veel besproken passage uit Paulus’ langste brief is De brief aan de Romeinen 13:1-7. Dit gedeelte is van ongekend belang geweest in de christelijke gedachtevorming over de overheid. Recent ben ik erdoorheen gekropen in verband met de revisie van de Nieuwe Bijbelvertaling. Ook eerder schreef ik er iets over. Inmiddels heb ik een beter beeld gekregen van de bedoeling van Paulus.

Ik citeer de Nieuwe Bijbelvertaling (Nederlands Bijbelgenootschap, 2004/2007):

13 1Iedereen moet het gezag van de overheid erkennen, want er is geen gezag dat niet van God komt; ook het huidige gezag is door God ingesteld. 2Wie zich tegen dit gezag verzet, verzet zich dus tegen een instelling van God, en wie dat doet roept over zichzelf zijn veroordeling af.

De lezers zullen deze gedachte, een topos, herkend hebben, zowel vanuit het Joodse als het Grieks-Romeinse gedachtegoed. Paulus sluit aan bij een Joodse wereldbeeld waarin God de verhoudingen in de wereld heeft aangebracht, inclusief de verhouding tussen de overheid en haar onderdanen. De overheid is het middel waarmee Gods ordening (διαταγή) gestalte krijgt. M. Wolter (EKK) merkt hierbij terecht op dat dit niet betekent dat de overheid goddelijk is of per se dichter bij God staat.

Lezen we verder.

3Wie doet wat goed is heeft van de gezagsdragers niets te vrezen, alleen wie doet wat slecht is. U wilt niets van de overheid te vrezen hebben? Doe dan wat goed is en ze zal u prijzen, 4want ze staat in dienst van God en is er voor uw welzijn. Maar wanneer u doet wat slecht is, kunt u haar beter vrezen: ze voert het ​zwaard​ niet voor niets, want ze staat in dienst van God, en door hem die het slechte doet zijn verdiende straf te geven, toont ze Gods toorn.

Hoewel dit een concrete uitwerking is van het voorafgaande, hebben veel mensen toch vraagtekens bij dit gedeelte. Wat Paulus zegt is toch niet altijd het geval, en zou Paulus vergeten zijn wat hij allemaal had moeten verduren vanuit de overheid? Ik kom hierop terug. Wat Paulus doet, is dat hij een beroep doet op een gemeenschappelijk ideaal. In zowel Joodse als Grieks-Romeinse bronnen valt de gedachte aan te treffen dat de overheid het goede moet belonen en het kwade straffen. De vraag of dit altijd het geval is, is eenvoudig niet in beeld bij Paulus. Wel moeten we veronderstellen dat hij hier een principieel positieve houding ten beste geeft ten opzichte van de overheid en denkt dat de meeste mensen naar dit ideaal streven.

5U moet haar gezag dus erkennen, en niet alleen uit angst voor Gods toorn, maar ook omwille van uw geweten. 6Daarom betaalt u ook belasting en staat wie belasting int in dienst van God.

De conclusie wordt gegeven in vers 5a. In 5b noemt Paulus naast de angst voor straf (dat wat van buiten komt) als climax nog een andere stok achter de deur: het geweten (dat wat van binnen komt). Iedereen weet dat het goed is de overheid te gehoorzamen, en als je dat niet doet zal het geweten je beschuldigen.

Vers 6 interpreteert de NBV als een indicativus en niet als een imperativus. In deze lezing roept Paulus niet op belasting te betalen alsof de Romeinse christenen dat niet doen, maar benadrukt hij juist wat hij en de Romeinse christenen gemeenschappelijk hebben.

M. Wolter (EKK) merkt overigens op dat de inwoners van Rome niet de belasting betaalden die Paulus hier noemt; die gold alleen voor de provincies. Is dat een hint van Paulus dat de Romeinse overheid eigenlijk een vreemde bezetter is? Mij lijkt die gedachte nogal vergezocht. Het is ook mogelijk dat Paulus niet zoveel van de belastingen wist en dat het er dus niet om gaat dat ze een specifieke belasting moeten betalen, maar dat het een algemene regel behelst dat welke belasting je ook verschuldigd bent, je die moet betalen.

7Geef iedereen wat hem toekomt: belasting aan wie u belasting verschuldigd bent, accijns aan wie u accijns verschuldigd bent, ontzag aan wie ontzag toekomt, eerbied aan wie eerbied toekomt.

Hier verbreedt Paulus het perspectief naar ‘iedereen’, dus niet alleen de overheid. Dat is ook de reden dat veel vertalingen hier voor ‘ontzag’ kiezen voor het woord φόβος, terwijl in vers 3-4 hetzelfde woord met ‘vrezen’ was vertaald. Het Griekse woord kan beide betekenisaspecten uitdrukken. Door de verschillende context kan het woord verschillend geïnterpreteerd worden.

Voor het begrip van deze passage zijn twee zaken cruciaal. 1. Paulus schrijft altijd voor een bepaalde gelegenheid. Het is een kolossale fout zijn brieven te lezen alsof hij de ene tijdloze waarheid na de andere produceert. Deze passage mag je dus niet lezen als ‘de’ visie van Paulus op de overheid. In De eerste brief aan de Korinthiërs zegt hij juist dat deze wereld op het punt staat ten onder te gaan en dat je maar het beste een gereserveerde houding tegenover de wereld kunt hebben. Hij kan zelfs zeggen dat de Romeinen in dienst van boze machten waren toen ze Christus kruisigden. 2. De bedoeling van De brief aan de Romeinen is om een zachte landing in Rome voor te bereiden. Daarom legt Paulus omstandig uit hoe zijn ‘wetteloze’ evangelie in elkaar zit en gaat hij vaak met imaginaire tegenstanders in gesprek. In Romeinen 12-13 is opvallend veel materiaal terug te leiden naar algemene voorschriften uit de wijsheidsliteratuur. Hiermee presenteert Paulus zich als een relatief conventionele leraar, die weliswaar de Joodse wet geen beslissende plaats meer toekent, maar toch veel oude vertrouwde levensregels onderschrijft. Zo moet je ook deze passage over de overheid zien. Paulus wil zeggen dat de Romeinse christenen met Paulus geen oproerkraaier in huis zullen halen. Na de verbanning van de Joden in 49 na Christus zat men daar in Rome waarschijnlijk ook helemaal niet op te wachten. Aan het slot van zijn brief geeft hij – heel slim – grootmoedig toe dat hij af en toe nogal vrijmoedig uit de hoek is gekomen in zijn brief. Paulus is dus steeds bezig om eventuele plooien glad te strijken. Dit bevestigt de onderliggende strekking van de passage in Romeinen 13: wees niet bang om mij te ontvangen, want ik ben een heel aangepaste jongen.

Weggevallen tekst van 1 Johannes in Byz (en de [Herziene] Statenvertaling)

Bij wijze van experiment lijkt het mij leuk eens een keer op een rij te zetten in hoeveel gevallen de Byzantijnse tekst (‘Byz’ in ECM/NA28) een kortere tekst biedt in 1 Johannes. Dat zijn dus gevallen waarin in het Byzantijnse tekstcluster, die zo rond de 9e eeuw gedateerd moet worden, tekst is weggevallen ten opzichte van oudere en betrouwbaarder handschriften.

Het gevolg van deze omissies in Byz is dat ze via de Textus Receptus ook voorkomen in de (Herziene) Statenvertaling. Bijbellezers die deze vertaling(en) gebruiken, missen dus stukjes van wat de auteur van De eerste brief van Johannes schreef. (Preciezer geformuleerd: van wat de oudst benaderbare tekstvorm van 1 Johannes is.)

Als ik goed heb gekeken, gaat het om de volgende gevallen. Bij NA28 staat de vertaling van de NBV, bij Byz die van de Herziene Statenvertaling.

1:3

NA28 ἀπαγγέλλομεν καὶ ὑμῖν – verkondigen we ook aan u

Byz ἀπαγγέλλομεν ὑμῖν – verkondigen wij u

2:23

NA28 πᾶς ὁ ἀρνούμενος τὸν υἱὸν οὐδὲ τὸν πατέρα ἔχει, ὁ ὁμολογῶν τὸν υἱὸν καὶ τὸν πατέρα ἔχει. – Ieder die de Zoon niet erkent, heeft ook de Vader niet.  Wie de Zoon erkent, heeft ook de Vader. 

Byz πᾶς ὁ ἀρνούμενος τὸν υἱὸν οὐδὲ τὸν πατέρα ἔχει – Ieder die de Zoon loochent, heeft ook de Vader niet.

2:27

NA28 τὸ αὐτοῦ χρῖσμα – Zijn ​zalving

Byz τὸ αὐτὸ χρῖσμα – deze ​zalving​

3:1

NA28 ἵνα τέκνα θεοῦ κληθῶμεν, καὶ ἐσμέν – Wij worden ​kinderen​ van God genoemd, en dat zijn we ook 

Byz ἵνα τέκνα θεοῦ κληθῶμεν – dat wij ​kinderen​ van God worden genoemd 

3:13

NA28 Καὶ μὴ θαυμάζετε – [En] Wees niet verbaasd

Byz μὴ θαυμάζετε – Verwonder u niet

3:23

NA28 καθὼς ἔδωκεν ἐντολὴν ἡμῖν – zoals hij ons heeft opgedragen

Byz καθὼς ἔδωκεν ἐντολήν – zoals Hij <TR: ons> een gebod gegeven heeft

5:5

NA28 Τίς δέ ἐστιν ὁ νικῶν τὸν κόσμον – [Maar] Wie anders kan de wereld overwinnen

Byz Τίς ἐστιν ὁ νικῶν τὸν κόσμον – Wie anders is het die de wereld overwint

Van deze gevallen is 3:23 opvallend omdat de Textus Receptus hier met de kritische tekst overeenstemt, en niet met de Byzantijnse tekst. Inhoudelijk gezien springen vooral 2:23 en 3:1 eruit. In 2:23 laat Byz een hele zin weg, en in 3:1 eigenlijk ook, zij het dat het een kort zinnetje is.

An Emendation Emended: Sirach 39:14 and Ziegler’s Göttingen Text

The Wisdom of Sirach is, in most bibles, a translation of the Greek translation that was made by the grandson of the author, Jesus Sirach (Ben Sira). The Hebrew text has partially survived in several manuscripts, but the Greek translation is the canonical text. Sirach 39:14 reads as follows:

Send out fragrance like incense,
    and put forth blossoms like a lily.
Scatter the fragrance, and sing a hymn of praise;
    bless the Lord for all his works.

Sirach 39:14 (NRSV)

This is what you get when the text of the Greek manuscripts has been translated. However, the critical edition in the Septuaginta Vetus Testamentum Graecum series, also called the Göttingen edition, offers a different Greek text. The editor, Joseph Ziegler, has printed line 39:14c as follows:

διάδοτε φωνὴν καὶ αἰνέσατε ἅμα

The second word replaces ‘fragrance’ (osmên), en the last word replaces ‘hymn’, ‘song’ (aisma). The translation could be: “Raise your voice, give praise together” (CEB). There is no Greek manuscript support for these variants, so they are conjectures.

The internal reason for emendation is that the verse is out of balance. The first two lines are about scent and flowers, and one would expect that the last two lines are about praising the Lord. “Scatter the fragrance” disrupts the balance.

The external reason to emend the text here is the Syriac translation, which corresponds to Ziegler’s text. In other words, he adjusted the Greek text to the Syriac translation. The Syriac is (in most cases) a translation of the Hebrew text of Ben Sira. For that reason it can provide insights into the Hebrew text when Hebrew manuscript evidence is lacking. If we suppose that here the Hebrew was similar to the Syriac, we can imagine that the grandson of Ben Sira originally translated that text. Later, ΦΩΝΗΝ corrupted into ΟΣΜΗΝ, and ΑΜΑ corrupted into Α(Ι)ΣΜΑ.

The latter emendation is supported by the observation that the Greek text of Sirach nowhere else contains that word, whereas the word for ‘together’ features in, for instance, 16:19 and 45:15.

In all likelihood, the first half of 39:14c corrupted under the influence of 39:14a (‘send out fragrance’, euôdiasate osmên ) and 24:15 (‘I spread forth my fragrance’):

διέδωκα εὐωδίαν

One problem remains: to my knowledge, diadidômi is never combined with phônê. The latter word often combines with didômi in the sense ‘to raise one’s voice’. We can solve this problem in two ways: first, by assuming that the dia- prefix is meaningless in this case, which is not unthinkable in Hellenistic Greek. But because I have not found any instance of that, I wonder whether we should not emend the text further. It is imaginable that diadote was corrupted too, when or after phônên was corrupted into osmên (cf., again, 24:15). Perhaps, then, Ziegler’s emended text of 39:14c should be emended further:

δότε φωνὴν καὶ αἰνέσατε ἅμα

This operation will be superfluous if it turns out that the combination of this verb and this or a similar object is very well possible. Further research is needed in order to confirm or to reject the hypothesis.

Nieuwe publicatie: ‘Het lichaam en zijn schaduw in Kolossenzen 2:17’

In het laatste nummer van vaktijdschrift Met Andere Woorden staat een artikel van mijn hand over de interpretatie en de vertaling van De brief aan de Kolossenzen 2:17. Het artikel is hier digitaal te raadplegen.

In dat artikel gaat het over de huidige gestalte van de tekst. De analyse daarvan laat zien dat daarin minstens twee gedachten door elkaar lopen. Mijns inziens valt dit te verklaren vanuit de stijl van de auteur, die wel vaker verschillende beelden over elkaar laat buitelen. Als extraatje volgt hieronder een hypothese over het ontstaan van de huidige tekst.

De schrijver roept de lezers van de brief op, zich niet te laten intimideren door lieden die menen dat je je leven moet oriënteren op bepaalde spijswetten of op de (Joodse) kalender:

Laat niemand u iets voorschrijven op het gebied van eten en drinken of het vieren van feestdagen, ​nieuwemaan​ en ​sabbat.

Kol. 2:16 (Nieuwe Bijbelvertaling)

Uit andere bronnen valt af te leiden dat de tegenstanders vermoedelijk grote waarde hechtten aan de kosmische orde en de kosmische machten (zoals engelen). Het was voor hen van belang deze orde te respecteren en te laten weerspiegelen in hun voedselkeuze en tijdsindeling. Over deze gebruiken zegt de auteur:

Dit alles is slechts een schaduw van wat komt

Kol. 2:17a (Nieuwe Bijbelvertaling)

De auteur degradeert die gebruiken dus tot ‘schaduw’. In voetnoot 13 in mijn artikel verwijs ik naar een passage bij Philo, die hier verheldering biedt. Philo beschrijft hier hoe je volgens filosofen tot kennis van de Godheid komt, namelijk door observatie van Gods werk, de kosmos, de constituerende delen daarvan en de machten die erin werkzaam zijn. Dit vormt als het ware een schaduw van God. Mozes daarentegen kreeg kennis van God door het schouwen van God zelf. Besaleël op zijn beurt, die instructies van Mozes kreeg voor de tabernakel en wiens naam ‘God in zijn schaduw’ betekent, moest het weer met indirecte kennis doen. In het licht hiervan zegt de schrijver van De brief aan de Kolossenzen dat de genoemde voorschriften zich op een lager niveau bevinden en dus niet het allerbelangrijkste zijn. Hij zegt niet ‘schaduw van de hemelse werkelijkheid’ of iets dergelijks, maar ‘een schaduw van wat komt’, ‘een schaduw van de toekomst’. Hiertussen bestaat minder verschil dan het lijkt, omdat de schrijver eschatologisch denkt, en dus niet zozeer verticaal (aarde versus hemel) maar horizontaal (heden versus de toekomst van Gods nieuwe wereld). Vergelijk Hebreeën 10:1, waar de wet wordt gekarakteriseerd als ‘schaduw van toekomstige goederen’: de wet bood een afspiegeling van de goederen die in de hemel al klaarlagen, maar in de toekomst pas echt gerealiseerd worden.

De schrijver kan de concentratie op de ‘schaduw’ alleen dan problematisch vinden als er een directere manier is om deel te krijgen aan Gods toekomst, net zoals dat volgens Philo voor Mozes was weggelegd. En die is er, door participatie in Christus, die de machten heeft overwonnen, met wie de gelovigen zijn opgestaan, en die nu hun hoofd is. Daarbij verbleken de machten en krachten in de kosmos, die doen er niet meer toe. Als de schrijver dus zegt, ‘dit alles is slechts een schaduw van wat komt’, dan impliceert hij dat de tegenstanders te laag insteken. Hier had de schrijver een punt kunnen zetten. Maar hij maakt dit vervolgens expliciet, waarbij hij aanknoopt bij het woord ‘schaduw’. In relatie tot ‘van wat komt’ heeft dit woord de strekking ‘afspiegeling’. Maar die betekenis verschuift iets door wat de schrijver er vervolgens aan vastknoopt. Er bestaat in de Griekse literatuur een uitdrukking over ‘de schaduw’ versus ‘het lichaam’ (zie mijn artikel). Hierin staat ‘de schaduw’ voor het uiterlijke, het formele, het oppervlakkige versus het substantiële, het wezenlijke. Hiervan maakt de schrijver gebruik om te expliciteren wat volgens hem het belangrijkste is:

– de werkelijkheid (lett. het lichaam) is van ​Christus.

Kol. 2:17b

Door het gebruik van deze zegswijze komt nu een ander belangrijk woord voor de schrijver bovendrijven: ‘lichaam’. Hier is ‘lichaam’ nog een metafoor voor ‘werkelijkheid’, ‘wat ertoe doet’, maar in een van de volgende zinnen heeft de auteur het al weer over de gemeente als lichaam met Christus als hoofd.

Ik stel dus voor om in De brief aan de Kolossenzen 2:17 drie stappen te onderscheiden: 1) de bestempeling van de voorschriften van de tegenstanders als slechts ‘een schaduw’, slechts een afspiegeling van een hogere werkelijkheid in een lagere werkelijkheid. 2) De explicitering van die hogere werkelijkheid en de beschikbaarheid ervan door het gebruik van de uitdrukking van de schaduw versus het lichaam. 3) Het feit dat ‘lichaam (van Christus)’ voor de auteur een belangrijke metafoor is voor de gemeente, de kerk. Door hiertussen te onderscheiden, valt te reconstrueren hoe de schrijver tot de huidige, nogal ingewikkelde en meerlagige formulering kwam.

Bronnen

Cor Hoogerwerf, ‘Het lichaam en zijn schaduw in Kolossenzen 2:17’, Met Andere Woorden 38.2 (2019) 36-43.

Nieuwe Bijbelvertaling, Nederlands Bijbelgenootschap 2004.