Wat Jezus Christus en Antiochus Epifanes gemeen hebben

Doorgewinterde Bijbellezers zal het wellicht niet eens meer opvallen, maar waarom gebruikt Paulus nu eens de naam Jezus, dan weer Christus, dan weer Christus Jezus of Jezus Christus? In elk geval niet, om even een open deur in te trappen, omdat Christus de achternaam van Jezus zou zijn.

Het woord χριστός (khristós), gezalfde, is een bijvoeglijk naamwoord. Maar als Paulus dit woord voor Jezus gebruikt, gedraagt het zich meestal niet als een bijvoeglijk naamwoord, maar als een naam. Dat is te zien aan het feit dat het lidwoord vaak ontbreekt. In veel grammatica’s vind je dat Christus bij Paulus als eigennaam functioneert. De oorspronkelijke titel ‘messias’ (gezalfde) zou in de Griekse context zijn veranderd in een eigennaam.

Er zijn twee problemen met deze opvatting.

  1. Ten eerste is de vermeende overgang van ‘titel’ naar tamelijk kleurloze ‘eigennaam’ nogal abrupt en dus onbevredigend.
  2. Ten tweede was ‘messias’ geen vaststaande titel in de tijd waarin het christendom ontstond. Eschatologische vertegenwoordigers van God worden in Joodse teksten soms ‘gezalfd’ genoemd om hun uitverkoren positie aan te geven als dragers van Gods Geest. In een bepaalde groep teksten gaat het dan om een eschatologische koning. Maar ‘gezalfde’ is geen afgebakende titel, het is de kenmerkende eigenschap van vertegenwoordigers van de God van Israël. Jezus is voor zover bekend vóór 70 na Chr. de enige historische persoon aan wiens naam het predicaat ‘gezalfde’ zo nauw verbonden is. Daarom is het vermoedelijk te generaliserend om ‘de messias’ als Joodse titel op te vatten.

Matt Novenson, in zijn boek Christ Among the Messiahs (2012), bestrijdt dichotomie van eigennaam versus titel die er vaak in de interpretatie van ‘Christus’ bij Paulus bestaat (Larry Hurtado wees pas op dit boek). Hij wijst erop dat er meer onomastische categorieën zijn.

Het fenomeen van een tweede naam of bijnaam bij de eigennaam was wijd verspreid. Judeeërs bijvoorbeeld gebruikten soms een Latijnse bijnaam (Juda Cimber; P.Yadin 18), een gelatiniseerde naam (Flavius Iosephus) of een alternatieve naam (Saul/Paulus). Alleen al het eerste hoofdstuk van Josefus’ Vita levert twee bijnamen op: Simon de Stotteraar (Σίμων ὁ Ψελλὸς ἐπικαλούμενος) en Mattias de Gebochelde (Ματθίας ὁ Κυρτὸς ἐπικληθείς). Zo’n bijnaam geeft dus een karakteristieke eigenschap van de persoon weer, wat handig is in een cultuur waarin er maar een beperkt aantal eigennamen gebruikt wordt.

De aangehaalde voorbeelden geven aan in welke richting we voor ‘Christus’ moeten zoeken, namelijk het gebruik van bijnamen. Novenson meent dat ‘Christus’ geen nickname is, maar een erenaam: hij munt de categorie honorifics (p. 87). Dit zijn meestal gewone bijvoeglijke of zelfstandige naamwoorden die de eigennaam vergezellen en daarvan zelfs de plaats kunnen innemen. Het is geen naam van geboorte, maar een aangenomen naam, meestal bij de troonsbestijging. Voorbeelden zijn Augustus, Epifanes, Eupator, Filopator, enzovoort. Welnu, taalkundig functioneert Christus op dezelfde manier als deze erenamen. En net zoals de betekenis van Augustus wel degelijk gevoeld wordt als men deze in Griekse teksten vertaald met Sebastos, zo moet bij ‘Christus’ de betekenis ‘gezalfde’ nog wel degelijk aangevoeld zijn.

Dit is een bevredigende verklaring: ‘Gezalfde’ is noch een titel, noch een eigennaam, maar een erenaam, zoals ‘Epifanes’ voor Antiochus Epifanes. Bij Paulus is er dus geen sprake van een abrupte overgang van titel naar eigennaam, maar we zien dat wat volgens Jezus’ volgelingen een karakteristieke eigenschap van hem was, namelijk dat hij door God gezalfd was, inmiddels zijn erenaam is geworden.

Ten slotte: hoe zouden we khristós bij Paulus dan het beste kunnen vertalen? Dat is afhankelijk van verschillende overwegingen. Je zou, zoals de gangbare vertalingen doen, kunnen aansluiten bij de heersende conventie en ‘Christus’ vertalen. In andere klassieke teksten vertaalt men immers meestal ook gewoon Augustus met Augustus en niet met ‘de Verhevene’ of iets dergelijks. En we hebben het meestal over Antiochus Epifanes en niet over Antiochus de Manifeste God.

Maar het is ook verdedigbaar om Christus met ‘de Gezalfde’ te vertalen, net zoals bijvoorbeeld Simon de Stotteraar hierboven (in plaats van Simon Psellus). Overigens betekent dat ook dat je ‘Christus Jezus’ beter niet als ‘de Gezalfde Jezus’ vertaalt. Je vertaalt immers ook niet τῷ Ψελλῷ Σίμωνι met ‘aan de Stotteraar Simon’ (Vita 4) of ὁ Ἐπιφανὴς Ἀντίοχος met ‘Epifanes Antiochus’ (Bell. 5.460). De Griekse woordvolgorde dicteert niet wat de Nederlandse volgorde moet zijn.

Geef een reactie (alleen onder echte naam)

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s