De status van de tekst van het Nieuwe Testament

P. Oxy. 4449

Eén van mijn onderzoeksinteresses is tekstkritiek, in het bijzonder die van het Nieuwe Testament. Niet alleen is dit vakgebied uitzonderlijk binnen het bredere veld van de tekstkritiek van antieke teksten — de zegen en de vloek van een overvloed aan handschriften — maar ook daarbuiten, omdat het met enige regelmaat gekaapt wordt voor een ideologisch debat. Aan de ene kant spant men de tekstkritiek voor het karretje van het verdedigen van de onfeilbaarheid van de Bijbel, maar aan de andere kant dient zij als de eerste stok om de christenhond te slaan, wil deze wagen het woord ‘Bijbel’ te prevelen. Bij al dit wapengekletter zou je bijna vergeten dat tekstkritiek de methodische bestudering van de overleveringsgeschiedenis is — een monnikenwerk dat al snel overschreeuwd wordt door gemakkelijke, half geïnformeerde leuzen.

Wat is, zuiver tekstkritisch gezien, de status van de beste kritische tekst van het Nieuwe Testament, Nestle-Aland editie 28 (NA28) en de Editio Critica Maior (ECM)? Ik zal proberen in het onderstaande hiervan in grote lijnen een evenwichtig beeld te geven.

Van antieke teksten in het algemeen geldt dat ze bewaard zijn in handschriften uit de (late) middeleeuwen en de renaissance, als ze de flessenhals van de late oudheid en de vroege middeleeuwen hebben overleefd. Doordat er meestal maar enkele handschriften per geschrift zijn, is het doorgaans mogelijk een stemma op te stellen en het handschrift waar alle overgeleverde handschriften van afstammen (het archetype), te reconstrueren. Niet zelden zit er dan nog een gat van enkele eeuwen tussen het archetype en het ontstaan van een geschrift. Vandaar dat het voor de filoloog noodzakelijk is het archetype voor zover mogelijk te emenderen en te zuiveren van corrupties.

Bij het Nieuwe Testament ligt de zaak methodisch hetzelfde, maar is de verdeling van het materiaal anders. Ook hier geldt dat de bulk van de handschriften uit de latere middeleeuwen stamt, maar de eerste complete teksten van NT-geschriften stammen al uit de derde eeuw. Vanwege veelvuldige contaminatie en kennelijke kopieerdrift is het onmogelijk een eenvoudige stamboom op te zetten tussen de bekende handschriften. Vandaar dat bij het NT niet wordt gesproken over het archetype, maar van de Ausgangstext (initial text). Dat wil zeggen: de tekst die aan het begin van de bekende overlevering staat.

Het is een beginnersfout deze initiële tekst te dateren naar het vroegste handschrift van een bepaald geschrift (geschrift, want de NT-geschriften werden eerst afzonderlijk of in corpora overgeleverd). Als we bijvoorbeeld kijken naar de waarschijnlijk vroegste bewaard gebleven verzameling van de brieven van Paulus, Papyrus 46, dan blijkt dat deze tekst al conflaties bevat (bijv. in Fil. 1:11) en dat andere handschriften niet van dit handschrift afstammen. Dat betekent dat er vanzelfsprekend ook al een overleveringsgeschiedenis aan de oudste handschriften is vooraf gegaan. Vanaf de tweede eeuw komen daarnaast de citaten in de vroegchristelijke schrijvers en de vroege vertalingen. Als je die puzzelstukjes bij elkaar legt, dan is voor het grootste deel van het Nieuwe Testament de tekst die alle latere varianten verklaart (de Ausgangstext), redelijkerwijs in de tweede eeuw te dateren.

Omdat het gat tussen de vroegst reconstrueerbare tekst en het ontstaan van de geschriften van het NT relatief zo gering is, ziet men bij de nieuwtestamentische tekstkritiek meestal af van conjecturen (gissingen zonder basis in de handschriften). In de begintijd van de moderne tekstkritiek, toen er voornamelijk late handschriften bekend waren, was conjecturaalkritiek nog een noodzakelijk middel. Het blijkt dat vele conjecturen bevestigd zijn door latere handschriftvondsten — maar andere gissingen ook weer niet. De algemene tendens in de tekstkritiek om de overgeleverde tekst te respecteren, geldt eens te meer voor de situatie van de tekst van het NT.

Maar laten we voor het gemak aannemen dat NA28/ECM de NT-tekst representeert zoals die er op enig moment in de tweede eeuw uit zag. Wat is de verhouding tussen deze Ausgangstext en de tekst zoals die voor het eerst in omloop kwam (de ‘oorspronkelijke’ tekst)? Hier is een vergelijking met andere klassieke teksten verhelderend. Als we de Griekse tekst van Plato’s dialogen lezen, doen we meestal alsof we inderdaad de tekst van Plato lezen. Is dit gerechtvaardigd? Ja, want zelfs met inachtneming van problematische passages en tekstuele problemen is zo’n tekst onmiskenbaar van Plato. Daarbij komt de hardnekkigheid (Tenazität) die de overlevering van de meeste teksten, inclusief die van het NT, kenmerkt. Voor vrijwel alle kopiisten geldt dat ze kopieën afleveren die vrijwel identiek zijn met de moederkopie. (Daarom overleven sommige fouten heel lang, tegen de dominante traditie in.) De kans dat een willekeurige zin of een willekeurig woord in een tekst van Plato van Plato zelf is, is dus a priori veel groter dan het tegendeel. Dat betekent dat na de tekstkritische arbeid de bewijslast bij diegene ligt die wil beweren dat iets in de tekst gecorrumpeerd of vervalst is.

Wanneer we dus een hypothese op willen stellen over de geschiedenis van de NT-tekst tussen de ‘originelen’ en de Ausgangstext, is er geen plaats voor amethodische scepsis of een misplaatst beroep op Ockhams scheermes. De meest economische aanname met het oog op de overschrijfpraktijk is namelijk dat tussen de Ausgangstext en de ‘oorspronkelijke’ tekst niets ongebruikelijks is gebeurd. Dus is de Ausgangstext nagenoeg identiek met de teksten zoals deze voor het eerst in omloop raakten. De ECM is daarom, zoals de uitgevers claimen, de beste hypothese voor de oorspronkelijke tekst. Dit geldt voorlopig ook van de delen van NA28 waarvoor de ECM nog niet beschikbaar is. Als we bijvoorbeeld Paulus’ brief aan Filemon lezen, kunnen we er met een kleine slag om de arm a priori van uitgaan dat we inderdaad Paulus’ woorden lezen. De bewijslast ligt bij degene die iets anders wil beweren.

7 thoughts on “De status van de tekst van het Nieuwe Testament”

  1. “Aan de ene kant spant men de tekstkritiek voor het karretje van het verdedigen van de onfeilbaarheid van de Bijbel, maar aan de andere kant dient zij als de eerste stok om de christenhond te slaan, wil deze wagen het woord ‘Bijbel’ te prevelen.”
    Als verstokt atheïst die op Amerikaanse site nog wel eens met plezier in de clinch ligt met christenen kan ik dat alleen maar bevestigen – inclusief het tweede deel. Dat laatste vind ik vooral opmerkelijk, omdat atheïsten over het algemeen grote fans van de wetenschappelijke methode zijn.

  2. Inderdaad. Mijn indruk is dat veel statements van Ehrman (“De originele tekst van het NT is verloren”, “Er zijn meer tekstvarianten in het NT dan er woorden in staan” etc.) die in een discussie met fundamentalisten nog wel te begrijpen zijn, een eigen leven zijn gaan leiden.

  3. Hoewel ik het niet altijd met Ehrman eens ben, vind ik het toch goed dat hij deze zaken op een wetenschappelijke wijze in discussie brengt – en niet alleen met fundamentalisten -. Natuurlijk wordt hij wel eens selectief geciteerd om een bepaald standpunt te ondersteunen, maar dat is eigen aan veel hot debates.

    Wat betreft de tekstvarianten, hecht ik niet zozeer waarde aan het aantal varianten, maar wel aan de impact die zij hebben op hoe wij de bijbel begrijpen. Bijvoorbeeld 1 Korintiërs: 33-35, is dit werkelijk door Paulus geschreven?

Geef een reactie (alleen onder echte naam)

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s