Intermezzo: methodologie en interpolaties in Paulus’ brieven

De serie over Paulus en Jezus gaat gestaag door: meestal schrijf ik een klein stukje in het weekend totdat ik weer een enigszins publicabele blogpost heb. De volgende aflevering zal gaan over spreuken van Jezus in de brieven van Paulus en dan volgen nog één of meer afleveringen over de conclusies die we kunnen trekken.

Deze blogpost komt er even tussendoor, omdat ik de kwestie van interpolaties in Paulus’ brieven een te interessant onderwerp vind om helemaal te laten liggen. Naar aanleiding van de laatste blogpost kreeg ik namelijk reacties over de tekstuele basis van mijn uiteenzetting over wat Paulus over het aardse leven van Jezus weet te vertellen. Zijn alle gebruikte passages wel echt van Paulus? Omdat ik denk dat er geen werkelijk problematische gevallen tussen zitten, vond ik het niet nodig in te gaan op de vraag of alles in de onbetwiste brieven van Paulus ook als tekst van Paulus zelf kan gelden. Toch komt die vraag steeds weer naar voren. Daarom lijkt het mij nuttig nog eens uit te leggen welke methodische afwegingen hierbij een rol spelen.

De beste wetenschappelijke handeditie van het Nieuwe Testament is de 28e editie van het Novum Testamentum Graecum (Nestle-Aland: NA28) – die overigens net over de Duits-Nederlandse grens in Münster wordt geproduceerd. In de afdeling van de katholieke brieven is NA28 reeds gebaseerd op de Editio Critica Maior, de grote kritische editie die voor het eerst al het bestaande materiaal verwerkt. De tekst van NA28 is een eclectische tekst. Dat wil zeggen dat tekstcritici deze tekst hebben samengesteld op basis van de beschikbare handschriften en dat de editie dus aan geen van deze handschriften identiek is. De zo ontstane tekst is een hypothese voor de tekst die ten grondslag ligt aan de ons bekende overlevering. Die hypothese is niet altijd gemakkelijk op te stellen: niet elke variant die in de hoofdtekst is gekozen, is met dezelfde zekerheid omkleed. Bij De brief aan de Galaten bijvoorbeeld noteert de tekstuele commentaar van Bruce Metzger twaalf plaatsen waar het tekstkritische comité meende dat de tekst niet helemaal zeker is.

Een andere manier om de rafelrand van onzekerheid van de tekst van deze brief te evalueren, is het bekijken van een andere editie. Toevallig is er recent een nieuwe studie naar deze tekst gedaan door Stephen C. Carlson (Tübingen 2015). Met behulp van de computer en de biologische methode van cladistiek komt hij uit bij een tekst die op twaalf plaatsen afwijkt van NA28. Dit zijn, ook inhoudelijk, geen dramatische verschillen. Tekstkritische arbeid levert dus een betrouwbare tekst op.

Om dit nog wat inzichtelijker te maken, ga ik in op het voorbeeld van De brief van Jakobus. Deze brief heeft namelijk in NA28 al een nieuwe tekst gekregen op basis van de Editio Critica Maior (ECM). Bovendien zijn bij deze tekst de gegevens van de op coherentie gebaseerde genealogische methode (CBGM) online beschikbaar. De brief van Jakobus heeft, afhankelijk van de gebruikte editie, tegen de 1750 woorden. In Metzgers commentaar (die in de tweede editie betrekking heeft op NA27) worden zestien plaatsen besproken waar de tekst van deze brief volgens het comité niet helemaal zeker is. Afgezet tegen het aantal woorden is dat minder dan 1%. (Deze en volgende berekeningen zijn overigens slechts bedoeld om een indruk te krijgen, niet om heel precieze data te genereren.)

De tekst van deze brief telt volgens de ECM 753 variante tekstplaatsen. Wanneer dit wordt afgezet tegen het aantal woorden, betekent dit dat ruwweg 57% van de tekst in alle teksten die in de berekening zijn meegenomen, overeenkomt. Maar hierbij moet wel bedacht worden, dat in verreweg de meeste gevallen de varianten betekenisloos en/of gemakkelijk te herkennen zijn als corrupties. Ook heeft natuurlijk niet elk handschrift op al deze plaatsen een variant ten opzichte van de (hypothetische) initiële tekst. Deze initiële tekst (dus de hoofdtekst in ECM/NA28) heeft in de CBGM 151 potentiële afstammelingen (kleine fragmenten en de meeste elimineerbare handschriften zijn hierbij niet meegenomen). De teksten onderaan deze lijst, meestal in jonge handschriften, hebben gemiddeld rond de honderd varianten ten opzichte van de initiële tekst: dat is dus, afgezet tegen het aantal woorden, ongeveer 84% overeenkomst. De eerste potentiële afstammeling, de tekst in de Codex Vaticanus, heeft 24 afwijkingen ten opzichte van de initiële tekst. Dus de beste overgeleverde tekst voor De brief van Jakobus komt, als het aantal variante plaatsen wordt afgezet tegen het aantal woorden, voor ruim 98% overeen met de initiële tekst.

Met deze indicaties valt duidelijk te maken dat tekstcorruptie doorgaans niet betekent dat een handschrift van deze brief niet meer als zodanig te herkennen is. Bij een willekeurig woord in een handschrift is de kans dat deze overeenkomt met de initiële tekst veel groter dan het tegendeel. Je zou niet anders hoeven te verwachten, want de meeste kopiisten hebben immers de intentie een zo getrouw mogelijke kopie te maken.

De hypothetische initiële tekst van De brief aan de Galaten is de tekst die aan het begin staat van de ons bekende overlevering. Dit betekent niet automatisch dat dit de originele tekst is. Maar er kan wel een terminus ante quem opgesteld worden, de jongst mogelijke datering. Gezien de verspreiding in de handschriften, vroege vertalingen en de vroegchristelijke schrijvers, kan de initiële tekst gedateerd worden in uiterlijk de vroege tweede eeuw. Het zou kunnen dat de initiële tekst wel samenvalt met de tekst die Paulus in de jaren vijftig naar de Galaten stuurde. Maar in het slechtste geval moeten we nog een kleine eeuw overbruggen. Er is dan geen bewijs voor de lotgevallen van de tekst tussen Paulus’ tijd en de vroege tweede eeuw.

Aan de andere kant is het niet geheel onredelijk om de graad van corruptie tussen de initiële tekst en de vroegste handschriften op deze periode te projecteren. In het geval van De brief van Jakobus valt daar een indicatie van te geven. Als we aannemen dat de initiële tekst uit de tweede eeuw stamt, is er een gat van twee tot drie eeuwen tot de vroegste handschriften. Deze komen voor 97% tot ruim 98% overeen met de initiële tekst (Vaticanus: ruim 98%; Sinaiticus: 97%; Ephraemi Rescriptus: 98%; berekend als boven). De gegevens voor De brief aan de Galaten zullen hier niet veel van verschillen. Het is daarom een alleszins redelijke gedachte, dat, mocht er inderdaad, zoals het slechtste scenario voorschrijft, een kleine eeuw tussen Paulus’ tekst en de initiële tekst zitten, we een mate aan tekstcorruptie van ongeveer 1% zouden kunnen verwachten. Nogmaals: dit is slechts een indicatie op basis van bepaalde veronderstellingen. Het zou zomaar kunnen dat er een slechte kopiist of een overijverige redacteur tussen zat. Niettemin is de vroegst reconstrueerbare tekst een stilistisch en inhoudelijk samenhangend geheel. Daarom is het mogelijk te stellen dat de kans dat een willekeurig woord in de initiële tekst van de brieven van Paulus overeenkomt met de brief die Paulus daadwerkelijk stuurde, veel groter is dan het tegendeel. 

Er is geen garantie dat de initiële tekst van de brieven van Paulus overeenkomt met de brief die Paulus daadwerkelijk stuurde. Daarom zijn er wel conjecturen (gissingen) gedaan die de tekst zouden moeten emenderen (verbeteren). Ook zijn er vaak vermoedens geuit dat er latere interpolaties (inlassingen) in de brieven van Paulus zijn te vinden. De meeste van deze voorstellen zijn door tekstcritici verworpen. Maar het centrale methodologische punt is, dat de bewijslast ligt bij degene die een tekstverbetering wil voorstellen zonder steun in de tekstgetuigen. Dit volgt immers uit de constatering dat het a priori veel waarschijnlijker is dat een willekeurige passage in de initiële tekst overeenkomt met wat Paulus daadwerkelijk schreef of dicteerde.

Welnu, een passage die in de reactie op de vorige blogpost werd aangewezen als mogelijke interpolatie, is Gal. 1,18-20, waarin de “broer van de Heer” Jakobus voorkomt. Het waarschijnlijk niet toevallig dat een huidige voorstander van een interpolatiehypothese bij deze plaats de mythicist Robert Price is. Welke argumenten voert hij hiervoor aan? Volgens hem kende Tertullianus deze passage niet, omdat hij die anders in Adversus Marcionem 5,3 wel gebruikt zou hebben. Dat is een merkwaardig argument, om meerdere redenen. De eerste is dat Tertullianus de passage wel degelijk kende, wat blijkt uit De praescriptione haereticorum 23. De tweede reden is dat het een argumentum e silentio is, wat alleen geen drogreden is als onderbouwd kan worden dat de stilte betekenisvol is. Kan dat hier? Nou nee. Dat Tertullianus in Adv. Marc. 5,3 geen melding maakt van Paulus’ eerste bezoek aan Jeruzalem, zou betekenisvol kunnen zijn als hij bijvoorbeeld het aantal bezoeken aan Jeruzalem van Paulus had besproken. Maar dat is niet het geval. Het gaat Tertullianus erom dat Paulus dezelfde schepper-god verkondigde als de apostelen in Jeruzalem. Dat valt genoegzaam aan te tonen met Paulus’ tweede bezoek in Jeruzalem (Gal. 2,1-10). Bovendien bespreekt Tertullianus De brief aan de Galaten niet vers voor vers. Hij is in discussie met Marcion, die deze brief vooraan plaatste in zijn sterk geredigeerde editie van het Nieuwe Testament. Tertullianus wil hem op zijn eigen editie vangen. Het zou daarom kunnen dat Marcions editie Gal. 1,18-24 miste.

Er is dus vermoedelijk een tekstgetuige waarin Gal. 1,18-24 ontbreekt: niet Tertullianus, maar Marcions editie. Maar deze vermoedelijke variant is voor ons doel niet interessant, omdat het veel waarschijnlijker is dat Marcion deze passage gewoon geschrapt heeft — om maar even een open deur in te trappen. De tekstoverlevering van De brief aan de Galaten geeft dus geen aanleiding om Gal. 1,18-24 uit de initiële tekst weg te laten. Dan zijn we weer terug bij af. En is het dus methodisch het beste om uit te gaan van de authenticiteit van Gal. 1,18-24, tenzij iemand met zwaarwegende argumenten de weegschaal naar de andere kant doet uitslaan. Een criterium voor het overwegen van een interpolatie is dat de tekst zoals die in de handschriften te vinden is,  niet meer als tekst van Paulus valt te begrijpen. Een interpolatiehypothese kan dus alleen een laatste toevlucht zijn.

[Update 30 juli 2015: leesbaarheid verbeterd.]

1 thought on “Intermezzo: methodologie en interpolaties in Paulus’ brieven”

Geef een reactie (alleen onder echte naam)

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s