Paulus en de Jezustradities (7)

Af en toe haalt Paulus een spreuk van de Heer (d.w.z. Jezus) aan. Maar dat wil niet automatisch zeggen dat hij dan bedoelt een uitspraak van de aardse Jezus te citeren. Soms moeten we zo’n spreuk begrijpen als een woord van de verhoogde Heer Jezus. Bijvoorbeeld:

Om te verhinderen dat ik mezelf zou verheffen, werd mij een doorn in het vlees gestoken: ik word gekweld door een engel van Satan. Ik heb de Heer driemaal gesmeekt mij van hem te bevrijden, maar hij zei: ‘Je hebt niet meer dan mijn genade nodig, want kracht wordt zichtbaar in zwakheid.’ Dus laat ik mij veel liever voorstaan op mijn zwakheid, zodat de kracht van Christus in mij zichtbaar wordt.
— 2 Kor. 12,7b-9 (NBV)

Hetzelfde is vermoedelijk het geval in 1 Tes. 4,15-17 (NBV), waar Paulus “met een woord van de Heer” spreekt. Paulus kan het in dit geval van anderen overgenomen hebben.

Een strikt onderscheid tussen woorden van de aardse en de hemelse Jezus vloeit voort uit een moderne, historische vraagstelling. Paulus geeft daar geen direct antwoord op, want voor hem heeft een woord van de aardse en de hemelse Jezus hetzelfde gezag. Het heeft daarom voor hem geen zin het onderscheid expliciet aan te geven. Of hij dacht dat een woord door de aardse Jezus was uitgesproken, moet blijken uit een nauwkeurige interpretatie. In het kader van dit blogbericht kunnen we er slechts in vogelvlucht naar kijken.

In de Eerste brief aan de Korintiërs haalt Paulus in drie gevallen expliciet een woord aan dat op naam van Jezus staat. Het eerste geval luidt als volgt:

Degenen die getrouwd zijn geef ik, nee, niet ik – de Heer geeft hun het volgende gebod: een vrouw mag niet scheiden van haar man (is ze al gescheiden, dan moet ze dat blijven of zich met haar man verzoenen), en een man mag zijn vrouw niet wegsturen.
— 1 Kor. 7,10-11 (NBV)

Wat opvalt is dat Paulus onderscheid maakt tussen zijn eigen opvatting en het gebod van de Heer, dat kennelijk tot de algemeen bekende overlevering behoorde. Bovendien vult hij dit gebod aan met zijn eigen mening (1 Kor. 7,25) omdat hij geen voorschrift van de Heer voor andere te bespreken gevallen heeft. Hij plaatst het verbod om te scheiden dus heel duidelijk buiten zichzelf. De parallellen in het Evangelie volgens Marcus en in Q (Mc. 10,9; Mt. 5,32; Lc. 16:18), die overeenkomsten en verschillen vertonen met Paulus, maken het vrij zeker dat we hier te maken hebben met een woord dat al vroeg aan de aardse Jezus werd toegeschreven.

De tweede keer dat Paulus expliciet een woord van Jezus aanhaalt, is de volgende:

Voor hen die het evangelie bekendmaken geldt hetzelfde: de Heer heeft bepaald dat zij door te verkondigen in hun levensonderhoud mogen voorzien.
— 1 Kor. 9,14 (NBV)

In de context doet Paulus een beroep op verschillende autoriteiten: algemene gewoonte, wettelijke voorschriften en rechten van de andere apostelen. Als laatste volgt dan een bepaling van de Heer. Aangezien Paulus’ eigen autoriteit hier ter discussie staat, moet het wel gaan om een bepaling die reeds als bepaling van Jezus de ronde deed. Ook is er een sterke parallel met de synoptische traditie (Mt. 10,10; Lc. 10,7). Wederom is het vrij zeker dat we hier te maken hebben met een woord van Jezus dat tot de vroegchristelijke overlevering behoorde en waarmee Paulus dus bekend was.

Het derde geval is de aanhaling van de woorden bij het laatste avondmaal:

Want wat ik heb ontvangen en aan u heb doorgegeven, gaat terug op de Heer zelf. In de nacht waarin de Heer Jezus werd uitgeleverd nam hij een brood, sprak het dankgebed uit, brak het brood en zei: ‘Dit is mijn lichaam voor jullie. Doe dit, telkens opnieuw, om mij te gedenken.’ Zo nam hij na de maaltijd ook de beker, en hij zei: ‘Deze beker is het nieuwe verbond dat door mijn bloed gesloten wordt. Doe dit, telkens als jullie hieruit drinken, om mij te gedenken.’
— 1 Kor. 11,23-25 (NBV)

Opvallend is dat deze woorden van Jezus zijn ingebed in een (samenvattend) verhaal, wat niet vaak voorkomt in Paulus’ brieven. Ook is het hier klip en klaar dat Paulus een gebeurtenis schetst uit de laatste uren van Jezus’ aardse leven.

Lastiger te begrijpen zijn de woorden waarmee Paulus deze passage inleidt: “Want wat ik heb ontvangen en aan u heb doorgegeven, gaat terug op de Heer zelf.” Of, iets concordanter vertaald: “Want wat ik heb ontvangen van de Heer, heb ik aan u doorgegeven.” Hij lijkt hier enerzijds een overlevering te citeren, maar aan de andere kant lijkt hij de Heer als bron aan te duiden. Moeten we dat opvatten als een verwijzing naar de uiteindelijke oorsprong van de overlevering, waarbij Paulus de tradenten voor het gemak weglaat? Dat is mogelijk, maar de minst omslachtige lezing lijkt te zijn dat Paulus claimt dat hij dit van de Heer zelf gehoord heeft. Dat zou in het uiterste geval betekenen dat Paulus zegt deze woorden rechtstreeks uit de hemel te hebben ontvangen.

Maar zelfs als Paulus het zo zou bedoelen, is dat op historische gronden twijfelachtig. Dan moeten we immers aannemen dat de parallelle scenes in de evangeliën, in onderscheid van de rest, opeens diepgaand door een stukje tekst van Paulus zijn beïnvloed. De parallel in het evangelie volgens Lucas komt het meest overeen met Paulus, maar lijkt op een aantal punten ‘primitiever’ dan de versie van Paulus. Tevens past de vorm van 1 Kor. 11,23b-25, met de details die voor de context van Paulus’ brief irrelevant zijn, eerder bij een vroegchristelijke herinnering dan bij de inhoud van een ‘openbaringswoord’ van de Heer aan iemand die niet echt is geïnteresseerd in historische details. Dit wordt bevestigd door het feit dat in deze verzen taalgebruik voorkomt dat atypisch is voor Paulus.

Niet alleen de synoptische parallellen, de voor Paulus atypische inhoud en het atypische taalgebruik maken het aannemelijk dat Paulus hier een vroegchristelijke traditie heeft overgenomen. Het begrippenpaar ‘ontvangen’ en ‘doorgeven’ komt ook voor in 1 Kor. 15,3, waar het gaat om een een geformaliseerde overlevering over de dood en opstanding van Christus. Daar is het duidelijk een gemeenschappelijke overlevering van alle apostelen, die immers allen dezelfde boodschap brengen (1 Kor. 15,11) en bij wie Paulus zich aansluit. De combinatie ‘ontvangen’ en ‘doorgeven’ is een vaste uitdrukking die ook in rabbijnse bronnen voorkomt voor het doorgeven van de traditie.

Hoe valt de frase “van de Heer” dan te verklaren? Twee dingen zijn hier van belang. Ten eerste, voor Paulus gaat het erom het gezag van de te citeren woorden te onderstrepen. Het gaat hem er niet om uit de doeken te doen hoe hij deze woorden precies heeft ontvangen. In de tweede plaats is het onjuist menselijke overlevering en hemelse openbaring als elkaar uitsluitende fenomenen te beschouwen. Iemand die het woord van God bracht, sprak namens de Heer. Sterker nog, diegene werd gezien als ware hij de Heer zelf (vgl. Did. 4,1). Het is daarom goed voorstelbaar dat Paulus de geciteerde overlevering heeft ontvangen van mensen die hij beschouwde als sprekend met de legitimatie van de hemelse Heer. Met deze verklaring wordt recht gedaan aan beide aspecten van de introductie van Jezus’ laatste woorden.

Van één gedeelte in 1 Korintiërs is het dus zeker dat Paulus de geciteerde woorden aan de aardse Jezus toeschreef. De overeenkomst met de andere twee uitspraken in deze brief is dat ze allemaal betrekking hebben op de inrichting van het christelijke gemeenschapsleven. En van het verbod op echtscheiding is er een relatief vroege parallel in de synoptische overlevering (namelijk de overlevering die ten grondslag ligt aan Marcus én Q). De bepaling over het levensonderhoud heeft een parallel in Q. Het is daarom niet onwaarschijnlijk dat Paulus meende dat ook deze andere twee voorschriften door Jezus tijdens zijn aardse leven waren uitgesproken.

Zowel uit de parallellen met de synoptische traditie als uit de expliciete instructies van Jezus die Paulus aanhaalt, blijkt dat Paulus bekend was met overleveringen die later opgenomen zijn in de synoptische evangeliën. Ten minste één, maar vermoedelijk meer van die instructies schrijft hij toe aan de aardse Jezus. Dat is niet veel. Kennelijk was het onderwijs van de aardse Jezus nog niet zo belangrijk voor Paulus als het in het latere christendom zou worden.

1 thought on “Paulus en de Jezustradities (7)”

Geef een reactie (alleen onder echte naam)

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s