Babata en de talen rond de Dode Zee

Rond deze tijd is het precies 56 jaar geleden dat aan de westkust van de Dode Zee de zogeheten Brievengrot (Cave of Letters) werd ontdekt door Yigael Yadin. Een van de meest opzienbarende vondsten was, naast brieven van Bar Kochba, het archief van Babata, een Judese vrouw die ten zuiden van de Dode Zee in Moaza woonde. De documenten die zij bij zich droeg op het moment dat zij met haar familie de toevlucht had gezocht in de grotten van Nahal Hever, geven een uniek beeld van de complexe (taal)situatie van deze regio aan het begin van de tweede eeuw.

Het archief van Babata bevat allerlei contracten in het Nabatees en Judees Aramees, en in het Grieks. Hoewel ze niet kon schrijven en hoogstens een beetje kon lezen, was mevrouw verwikkeld geweest in juridische procedures rondom de voogdij van haar zoon Jezus en de erfenis van haar eerste man, die werden uitgevochten onder de jurisdictie van het Romeinse hof in Petra. Onder de documenten is ook een belastingaangifte bewaard gebleven.

In december 127 reisde Babata Simonsdochter met haar echtgenoot en voogd Juda van hun woonplaats Moaza naar een van de centra van de provincie Arabia: Rabbat-Moab. Daar deed zij aangifte over vier dadelplantages ter gelegenheid van een census, die werd uitgevoerd door gouverneur Titus Aninius Sextius Florentinus. Babata huurde een schrijver om de aangifte in het Grieks op te stellen. Vervolgens voegde Juda een Aramese verklaring toe dat Babata naar waarheid had verklaard, en daar de eed aan de tuchê van de keizer op had gezworen. De schrijver vertaalde ook deze Aramese tekst eronder in het Grieks. Bij het inleveren van de declaratie noteerde de prefect Priscus in het Latijn op de aangifte dat hij het document had ontvangen. Toen werd dit hele document gepubliceerd in de basilica, waarna het vermoedelijk in het publieke archief verdween. Maar voordat dat gebeurde, liet Babata een officiële kopie maken. De ingehuurde kopiist liet het Aramese stuk weg, en een andere schrijver vertaalde het Latijn in het Grieks. Ten slotte tekenden vijf getuigen, allen in Nabatees Aramees.

In de hele procedure komen dus drie talen en twee ‘regiolecten’ voor: Latijn, Grieks, Judees en Nabatees Aramees. Elke taal heeft hierin een eigen functie: Latijn voor intern gebruik in het Romeinse bestuur, Grieks voor de officiële juridische taal, en Aramees als de lingua franca van de locale bevolking. Contracten die zijn opgesteld tussen plaatsgenoten in en rond Moaza zijn dan ook meestal in het Aramees.

Hebreeuws is afwezig in het archief van Babata. Dat is niet verbazend, aangezien zij niet in Judea woonde. Interessant is dat in andere juridische documenten uit deze grotten, die óf betrekking hebben op Judea, óf tijdens de Bar-Kochba-opstand in Judea zijn opgesteld, wel vaak Hebreeuws voorkomt.

Geef een reactie (alleen onder echte naam)

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s