Wat nut ons de historische Jezus? (2)

[De kerk vereert Christus als de Zoon van God, God uit God, Licht uit Licht. Wat heeft die Christus nog te maken met de mens Jezus uit het begin van onze jaartelling? En wat heeft het te betekenen dat de boodschap over Jezus anders is dan de boodschap van Jezus?

In 2009 publiceerde Dale C. Allison Jr. The Historical Christ and the Theological Jesus (Grand Rapids, Mich.: Eerdmans). Je zou dit boek kunnen zien als de persoonlijke pendant van zijn meesterlijke studie Constructing Jesus (2010). Het biedt een door ervaring gelouterde visie op de relatie tussen historisch onderzoek naar Jezus en het christelijk geloof. In een aantal blogposts wil ik aan de hand van dit boekje nagaan hoe je op doordachte wijze vanuit het christelijk geloof met het onderzoek naar de historische Jezus om zou kunnen gaan.]

§3 Obstakels

Allison stelt dat het historische onderzoek naar Jezus hoe dan ook van belang is voor theologie en geloof. Voordat hij het daar over gaat hebben, noemt hij drie obstakels voor de theologische bruikbaarheid van het historische onderzoek naar Jezus.

(1) Er zijn meerdere historische Jezussen.  Weliswaar zijn er een paar — relatief saaie — basisgegevens die iedereen voor historisch houdt, maar al snel gaan de hypothesen uiteenlopen. Dat is voor een onderwerp uit de geesteswetenschappen niet verrassend. Maar we zullen dus, net als in de meeste vakgebieden, onze weg moeten vinden door het eens te zijn met sommigen, en niet met anderen. Maar hoe bepaal je als (relatieve) buitenstaander welke stemmen de moeite waard zijn om naar te luisteren?

(2) Er bestaat geen zuiver historische reconstructie van de historische Jezus. Zoals in elk historisch onderzoek speelt standplaats­­­gebondenheid onontkoombaar een rol. John Dominic Crossan gebruikt in dit kader de term interactivism, waarmee hij bedoelt dat de onderzoeker een zo eerlijk mogelijke dialectiek moet creëren tussen heden en verleden. Niettemin zijn er volgens Allison zorgwekkende verbanden te bespeuren tussen ideologische voorkeuren en de historische Jezus van dienst, bijvoorbeeld bij de liberale Robert Funk (Jesus Seminar) en de tamelijk conservatief-christelijke N.T. Wright. In de praktijk kiezen theologen meestal de historische Jezus van historici met wie ze ideologische affiniteit hebben.

De Nederlandse theoloog en patristicus Eginhard Meijering adviseert in zijn interessante boekje Wie is Jezus Christus? (2010) aan theologen zich niet als historici op te stellen, maar slechts de consequenties van de verschillende hypothesen te doordenken. Maar ook Meijering moet een keuze maken welke hypothesen hij serieus wil doordenken en welke niet. Het prijzenswaardige aan Meijerings opzet is dat hij voor zijn theologische betoog een hypothese als uitgangspunt neemt die hem persoonlijk niet het waarschijnlijkste lijkt en die het hem theologisch dan ook iets lastiger maakt.

(3) Het is onmogelijk de historische Jezus los te pellen uit de vroege bronnen. Wie iemand is en wat iemand betekent kan niet losgemaakt worden van wat anderen over die persoon denken en in die persoon zien. Het is daarom weinig zinvol een hard onderscheid te maken tussen wat ‘authentiek’ is aan het beeld van Jezus in de bronnen en wat latere ‘kerkelijke’ ontwikkeling. Tussen de vroege bronnen en Jezus bestaat ook een dialectiek: alles wat over Jezus gezegd wordt raakt aan christelijke belangen, maar wat de bronnen zeggen heeft tegelijk de historische Jezus als een van de oorzaken. De “unchurched Jesus” bestaat niet.

Kortom, de historische Jezus is niet keurig los te pellen uit de bronnen, is altijd het product van hermeneutische interactie tussen meerdere conceptuele horizonten en is daarom ook niet in één handzame uitvoering beschikbaar.


IX. 1 Now after certain days Jesus was playing in the upper story of a certain house, and one of the young children that played with him fell down from the house and died. And the other children when they saw it fled, and Jesus remained alone. 2 And the parents of him that was dead came and accused him that he had cast him down. (And Jesus said: I did not cast him down) but they reviled him still.

Kindheidsevangelie van Thomas, vert. M.R. James.


§4 Invloed van historisch onderzoek op theologie en geloof

Naast het feit dat het historisch onderzoek naar Jezus geen kant-en-klaarpakket aan theologie en geloof aflevert, is bovendien de vraag aan de orde in hoeverre historisch onderzoek daarop invloed kan hebben.

De eerste vraag die Allison stelt, is: hoeveel geschiedenis heeft de theologie of het geloof nodig? Hij maakt daarbij wel de aantekening, dat de gestelde vraag eigenlijk aan de verkeerde kant begint. De vraag mag immers het aanbod niet bepalen. Theologie en geloof hebben zich maar aan te passen aan hoeveel geschiedenis historici eigenlijk kunnen leveren. Desalniettemin: het blijkt afhankelijk van je vooronderstellingen hoeveel geschiedenis nodig is voor het geloof. Die vooronderstellingen hoeven natuurlijk niet dogmatisch vast te liggen. Terwijl fundamentalisten alles voor historisch houden, zijn voor velen bepaalde delen van de Bijbel wel waar of waardevol maar niet waar gebeurd. Of omgekeerd: juist niet waardevol en wel waar gebeurd. De betekenis van de Bijbel blijkt dus niet rechtstreeks afhankelijk te zijn van de historiciteit van gebeurtenissen. Maar er is wel degelijk een verband tussen ‘historisch waar’ en ‘betekenisvol’. De Rooms-katholieken hebben bijvoorbeeld de fictieve Catharina van Alexandrië van de heiligenkalender afgevoerd.

Een andere vraag is, of historisch onderzoek de enige manier is om Jezus ‘echt’ te leren kennen. Zoals al duidelijk is vanaf de eerste paragraaf van deze reeks, is de historische Jezus, in welke uitvoering dan ook, iets anders dan de ‘echte’ Jezus. Allison stelt dat historisch onderzoek naar Jezus in elk geval het kerkelijke lezen van de Bijbel en de kerkelijke Christus niet kan vervangen, alsof het Evangelie naar Marcus overbodig wordt als we weten ‘hoe het echt zit’. In die kerkelijke context is immers van belang hoe Jezus Christus van betekenis kan zijn in het geloof. Het historische en letterkundige onderzoek legt daarbij gewicht in de schaal. In positieve zin kan dat een fris perspectief bieden, maar aan de andere kant functioneert dit onderzoek als een waakhond. Je kunt via het geloof en zonder historisch-kritische onderbouwing niet opeens dingen beweren die direct ingaan tegen conclusies die op een historisch-kritische manier bereikt zijn.

Jezus, zo stelt Allison, kunnen we leren kennen door de oude teksten, de kerkelijke traditie, de cultuur, en ontmoetingen met de (volgens christenen) levende Jezus zelf. Is het daarbij een probleem dat we zo kennismaken met verschillende Jezussen?  Volgens Allison is een veelheid van portretten, juist bij zo’n belangrijk figuur, precies wat we zouden verwachten. Iemands identiteit ligt in the eye of the beholder. Religieuze ontmoetingen met Jezus of het appel dat Jezus op mensen doet, kunnen vanuit een historisch perspectief worden beschouwd als deel van zijn Wirkungsgeschichte. Vanuit christelijk perspectief kan de goddelijke werkelijkheid in Jezus niet worden beperkt tot zijn aardse leven: die kan zelfs actief zijn bij mensen die geen notie van Jezus hebben.

Tot zover enkele complicerende en relativerende observaties aan de hand van Allisons boek. De vraag is nu, hoe Allison verder gaat.

Advertenties

Wat nut ons de historische Jezus? (1)

De kerk vereert Christus als de Zoon van God, God uit God, Licht uit Licht. Wat heeft die Christus nog te maken met de mens Jezus uit het begin van onze jaartelling? En wat heeft het te betekenen dat de boodschap over Jezus anders is dan de boodschap van Jezus?

In 2009 publiceerde Dale C. Allison Jr. The Historical Christ and the Theological Jesus (Grand Rapids, Mich.: Eerdmans). Je zou dit boek kunnen zien als de persoonlijke pendant van zijn meesterlijke studie Constructing Jesus (2010). Het biedt een door ervaring gelouterde visie op de relatie tussen historisch onderzoek naar Jezus en het christelijk geloof. In een aantal blogposts wil ik aan de hand van dit boekje nagaan hoe je op doordachte wijze vanuit het christelijk geloof met het onderzoek naar de historische Jezus om zou kunnen gaan.

§1 Het historische aan de historische Jezus

Even heel kort: de ‘historische Jezus’ is een door historici geconstrueerde hypothese die op historisch-kritisch verantwoorde wijze het leven van Jezus van Nazaret wil beschrijven. De historische Jezus is dus iets anders dan de ‘echte’ Jezus. Zoals bij zoveel mensen uit de oudheid—van de meesten weten we (vrijwel) niets—is het slechts mogelijk een aantal aspecten van zijn leven met enige mate van zekerheid te belichten. De hoop en de claim van historici is uiteraard dat hun historische Jezus iets zegt over de ‘echte’ Jezus.


XIV. 1 But when Joseph saw the understanding of the child, and his age, that it was coming to the full, he thought with himself again that he should not be ignorant of letters; and he took him and delivered him to another teacher. And the teacher said unto Joseph: First will I teach him the Greek letters, and after that the Hebrew. For the teacher knew the skill of the child and was afraid of him: notwithstanding he wrote the alphabet and Jesus pondered thereon a long time and answered him not. 2 And Jesus said to him: If thou be indeed a teacher and if thou knowest letters well, tell me the power of the Alpha and then will I tell thee the power of the Beta. And the teacher was provoked and smote him on the head. And the young child was hurt and cursed him, and straightway he fainted and fell to the ground on his face. 3 And the child returned unto the house of Joseph: and Joseph was grieved and commanded his mother, saying: Let him not forth without the door, for all they die that provoke him to wrath.

Kindheidsevangelie van Thomas, vert. M.R. James.


§2 Theologische reacties

Dat er historisch onderzoek gedaan wordt naar Jezus van Nazaret is een gegeven. Vaak (niet altijd) is dat historische onderzoek ingebed in een bredere theologische setting. Als je het nog breder trekt, is het natuurlijk zo dat historisch onderzoek nooit ‘neutraal’ is. Dit tekent het spanningsveld: enerzijds gaat het om historisch onderzoek met historische methoden, anderzijds staan er ook (anti-)theologische belangen op het spel, zeker als het om Jezus Christus gaat. Dit valt nooit helemaal los van elkaar te zien.

Vanuit de christelijk theologie zijn er grosso modo drie reacties gekomen op het onderzoek naar de historische Jezus. Sommige onderzoekers hebben beweerd dat hun historische Jezus aantoont dat de traditionele geloofs­­­overtuigingen over Jezus Christus obsoleet zijn. Traditionelere theologen hebben gezegd dat de menswording van God christenen verplicht te vragen naar het historische leven van Jezus met behulp van historische methoden. Andere theologen hebben juist gezegd dat het evangelie niet kan rusten op de voorlopige oordelen van het historische onderzoek, met als gevolg dat zij dit grotendeels negeren.

In al deze reacties zit wel iets. Dat er door dit onderzoek vraagtekens komen te staan bij bepaalde aspecten van het traditionele geloof, valt niet te ontkennen. En dat vanuit de traditionele theologie gezien de geschiedenis theologisch van belang is, lijkt mij onomstreden. Maar het is ook zo dat het christelijk geloof iets anders is dan geloven dat x of y echt gebeurd is. Allison stelt dat het historische onderzoek naar Jezus hoe dan ook belangrijk is voor theologie en geloof. Dit blijkt alleen al uit het feit dat dit onderzoek de afgelopen anderhalve eeuw het theologische landschap grondig heeft veranderd.

Wie kennisgenomen heeft van het onderzoek naar de historische Jezus en niet hardnekkig wil volharden in oude waarheden—terug naar onwetendheid kan niet meer—moet dit onderzoek ook theologisch, vanuit (on)gelovig perspectief, een plek geven. Want het is uiteindelijk een verrijking, al is het niet altijd een comfortabele verrijking.  Allison: “The unexamined Christ is not worth having” (blz. 5).

‘Abba’, en de overheid volgens Paulus: twee blogs

Net voor Vaderdag verscheen er een blog van collega Matthijs de Jong over de vraag of ‘abba’ werkelijk ‘pappa’ betekent. Lees hier het antwoord.

Naar aanleiding van de uitspraken van Jeff Sessions blogde Joris Verheijen op de Mainzer Beobachter over de betekenis van Paulus’ opmerkingen over de overheid in Romeinen 13. Hij legt goed uit dat het stompzinnig is die passage te lezen als een verheerlijking van de heersende macht. Maar de ironische, geheime subtekst die hij er vervolgens aan de hand van enkele moderne interpretaties in wil lezen, gaat er bij mij niet in. Er is namelijk het methodische probleem dat je dan overal wel ironie in kunt zien als gemakkelijke uitweg voor een weerbarstige tekst. En er zijn parallellen in de Joodse literatuur waar de aardse machthebbers tegelijk door God zijn aangesteld en ook tot de ondergang gedoemd zijn. Bovendien neemt Paulus nergens een blad voor de mond (parrhêsia), dus de gedachte dat hij zich op dit punt in zou houden vind ik niet overtuigend. Ik volg dus liever iemand als J. Albert Harrill, Paul the Apostle (2012), die tegengas geeft tegen de anti-imperialistische duiding van Paulus.

Zelf ben ik bezig met één of meerdere blogposts over het nut van de historische Jezus voor theologie en geloof, naar aanleiding van een boekje van Dale C. Allison Jr. Ik hoop die ergens in de komende weken te gaan publiceren.

Een nieuwe benadering van tekstkritiek

Wasserman Gurry A New ApproachMet veel plezier heb ik de afgelopen weken het volgende boek gelezen: A New Approach to Textual Criticism: An Introduction to the Coherence-Based Genealogical Method van Tommy Wasserman en Peter J. Gurry. Het boek biedt een introductie van de methodologie die ten grondslag ligt aan de nieuwste grote tekstedities van het Institut für neutestamentliche Textforschung. De Editio Critica Maior is deels ook online toegankelijk. Bij Handelingen, waarvan vorig jaar de gloednieuwe tekst verscheen, is het mogelijk via de nieuwste interface te experimenteren met de onderliggende data. Dat was al jaren mogelijk bij de Algemene Brieven van het Nieuwe Testament in een nu iets verouderde omgeving. Het genoemde boek helpt hierbij wegwijs te raken. Een uitgebreide toelichting die online beschikbaar is, is hier te vinden.

Wie wil begrijpen hoe en waarom de tekst van het Nieuwe Testament in de meest gezaghebbende uitgaven verandert, kan niet meer om de CBGM (coherentiegebaseerde genealogische methode) heen. De CBGM is geen vervanging van de beproefde methoden van de tekstkritiek, maar zij biedt in het geval van het Nieuwe Testament waardevolle nieuwe gegevens (evidence) die te maken hebben met de genealogie van en coherentie  tussen de overgeleverde teksten, waardoor tekstcritici tot nieuwe inzichten komen over de geschiedenis van de tekst en dus ook over de oudst reconstrueerbare tekst. Kennisname van de CBGM is niet alleen noodzakelijke vakkennis, maar geeft ook gewoon veel plezier als je houdt van intellectuele puzzels.

Een vrijzinnig geluid over Jezus (2)

Zoals in de vorige aflevering uitgelegd, gaat Arne Jones in Angst voor de mythe er ten onrechte van uit dat nieuwtestamentici iets tegen het begrip ‘mythe’ hebben in relatie tot Jezus. Wel hebben zij iets tegen het begrip mythe als iets wat volledig los moet staan van de geschiedenis van Jezus en zelfs gebruikt wordt om de geschiedenis aan de kant te schuiven.

Arne Jonges heeft geen helder beeld van het wetenschappelijke onderzoek. Dat blijkt niet alleen uit de literatuurlijst, maar ook uit de manier waarop hij het werk van wetenschappers bespreekt. Hij verwijt bijvoorbeeld Bert Jan Lietaert Peerbolte (Vrije Universiteit) een onwetenschappelijk onderzoeksmotief te hebben, omdat de laatste aan het eind van een artikel in het Nederlands Theologisch Tijdschrift stelt dat een Jezus die echt geleefd heeft vanuit theologisch perspectief nodig is. Maar, nog los van de vraag of deze stelling als diens onderzoeksmotief gezien moet worden (wat niet uit dat artikel is af te leiden), maakt dit helemaal niets uit. Waar het om gaat is of het onderzoek zélf methodisch deugdelijk is uitgevoerd en of de conclusies daar logischerwijs uit volgen. Daarover zegt Jonges niets. Bijzonder ironisch voor wie op de hoogte is van de onderzoeksgeschiedenis is dat Jonges vervolgens Franz Cumont aanhaalt over vooroordelen als blokkade voor kennis (p. 10).

Wat betreft het wetenschappelijke onderzoek naar de historische Jezus schuwt Arne Jonges niet slecht geïnformeerde clichés van stal te halen. Hij voert Albert Schweitzer op die zou beweren dat het onderzoek naar de historische Jezus onmogelijk is. Maar dat heeft Schweitzer nooit gezegd. Frits de Lange heeft dit pas in een lezing prachtig uitgelegd:

Maar nu moeten we Schweitzer goed lezen. De poging om via de omweg van de historische Jezus een liberale religie te creëren, een zedelijke mythe, loopt voor Schweitzer dood niet omdat je historisch toch nooit een beeld van de echte Jezus kunt reconstrueren. Dat kun je namelijk wél – en dat heeft hij zelf gedaan: ‘Het historische probleem van het leven van Jezus, zoals het zich aan wetenschappelijk onderzoek onthuld heeft, mag dus in wezen als opgelost beschouwd worden door de kennis die verkregen werd uit de laat-joodse eschatologie’, schrijft hij. De liberale vergissing is niet dat we nooit een vinger achter de historische Jezus kunnen krijgen, maar ligt in de ongelooflijke hermeneutische naïviteit om te veronderstellen dat je met de opbrengst van je historisch onderzoek de vraag naar de betekenis van Jezus voor ons vandaag kunt beantwoorden. Historische kennis kan weliswaar veel verhelderen, maar we kunnen er geen ‘nieuw levenskrachtig christendom’ mee opbouwen. De liberalen hebben Jezus liberaal laten buikspreken. Ze hebben hem hun eigen vooruitgangsevangelie in de mond gelegd.

Laat hem, zegt Schweitzer dan, liever in al zijn raadselachtige, aanstootgevende vreemdheid terugkeren naar de geschiedenis waar hij uit vandaan komt. Dan zegt hij ons meer dan wanneer we hem ideologisch voor ons karretje spannen. ‘Als we hem in zijn eschatologische wereld laten is hij groter en werkt hij, met al zijn vreemdheid, een diepere en grotere invloed uit.’

Zoals gezegd is het wetenschappelijke onderzoek, behoudens enkele uitzonderingen, nauwelijks op Jonges’ radar. Als voorbeelden van pogingen toch een historische Jezus te construeren wijst hij naar enkele min of meer recente pogingen (p. 13). Het gaat dan om de boeken van Paul Verhoeven, Fik Meijer, Johan Leman en Charles Vergeer. Hun boeken, die sowieso slechts voor het brede publiek zijn geschreven, kunnen geen van alle de wetenschappelijke toets der kritiek doorstaan. Jonges noemt ook Cees den Heyer, maar diens boekjes blinken niet echt uit in wetenschappelijke doortastendheid.

Dit is dus het tegendeel van een beeld van het hedendaagse onderzoek.

Vervolgens verwijst Jonges naar serieuzere critici van het onderzoek naar de historische Jezus (Klaus Wengst en Rochus Zuurmond, p. 13-15). Zij zouden net als Schweitzer ‘aangetoond’ hebben dat het onderzoek naar de historische Jezus onmogelijk is (p. 19), maar Jonges gaat niet in op hun argumenten. Daarna gaat Jonges ook nog eens de onzekerheid over de bronnen flink overdrijven. Hij zet bijvoorbeeld dik aan dat er tekstuele varianten zijn, maar wijdt geen enkel woord aan de vraag hoe de wetenschap dit met tekstkritiek te lijf gaat.

Zo gaat dat nog enkele tientallen pagina’s door. Er valt bij elke pagina wel iets op te merken. Mij ontbreekt de lust dit uitgebreid te bekritiseren. Daarom sluit ik af met een aantal algemenere opmerkingen.

Jonges’ kritiek is sterk uit balans: het feit dat historische reconstructies speculatie bevatten zou betekenen dat ze wetenschappelijk niet deugen. (Wederom blijkt hier Jonges gebrek aan kennis van de historische methoden.) Aan de andere kant spreekt Jonges wel in positieve zin over literair-kritisch onderzoek naar de evangeliën en brieven, zonder hierbij dezelfde mate aan wetenschapskritiek toe te passen.

Jonges’ angst richt zich op theologen die met de ‘historische Jezus’ de waarheid van het christendom willen bewijzen. Die angst projecteert hij dan op nieuwtestamentici en theologen. Nu zal het ongetwijfeld voorkomen dat christenen het onderzoek naar de historische Jezus al dan niet terecht aangrijpen om hun geloof te ‘bewijzen’. En veel christenen zullen slecht kunnen leven met de stelling dat de historische Jezus irrelevant is. Maar dat laat onverlet dat er naar de mening van vrijwel alle wetenschappers op dit gebied ook goede wetenschappelijke redenen zijn voor de gedachte dat er zinvolle dingen te zeggen zijn over wat er ‘echt gebeurd’ is met Jezus.

Jonges heeft last van dogmatisme: het onderzoek naar de historische Jezus is verboden terrein. Dat zou te maken kunnen hebben met zijn theologische visie die sterk lijkt te leunen op Jungiaanse psychologie en 19e-eeuws idealisme. Die laatste stroming zocht de absolute fundering van het geloof in de idee, en wees af dat er zekerheid kon liggen in de geschiedenis. Ook Gustaaf Adolf van den Bergh van Eysinga was hierdoor beïnvloed. Jonges geeft te weinig rekenschap van deze denktrant. Het lijkt er verdacht veel op dat Jonges doet wat hij zijn tegenstanders verwijt: een bepaalde stellingname met betrekking tot historisch onderzoek mag niet van zijn theologie.

Al met al hebben we te maken met een slordig pamflet, zowel qua verzorging als qua inhoud. De vraag is wat de Vereniging van Vrijzinnige Protestanten heeft gedreven dit boekje te sponsoren. De vrije uitwisseling van ideeën is belangrijk. Dat betekent dat ideeën niet onderdrukt moeten worden omdat ze andere mensen niet goed uitkomen. Het betekent niet dat elk idee een podium moet krijgen. Een belangrijk kenmerk van de vrijzinnigen was vanouds dat men het geloof in tune wilde houden met de wetenschap. Als het boekje van Arne Jonges in enige mate representatief is voor het intellectuele gehalte van de georganiseerde vrijzinnigheid, ben ik bang dat werkelijk vrijzinnigen niet veel te zoeken hebben in die hoek van de kerk.