‘Abba’, en de overheid volgens Paulus: twee blogs

Net voor Vaderdag verscheen er een blog van collega Matthijs de Jong over de vraag of ‘abba’ werkelijk ‘pappa’ betekent. Lees hier het antwoord.

Naar aanleiding van de uitspraken van Jeff Sessions blogde Joris Verheijen op de Mainzer Beobachter over de betekenis van Paulus’ opmerkingen over de overheid in Romeinen 13. Hij legt goed uit dat het stompzinnig is die passage te lezen als een verheerlijking van de heersende macht. Maar de ironische, geheime subtekst die hij er vervolgens aan de hand van enkele moderne interpretaties in wil lezen, gaat er bij mij niet in. Er is namelijk het methodische probleem dat je dan overal wel ironie in kunt zien als gemakkelijke uitweg voor een weerbarstige tekst. En er zijn parallellen in de Joodse literatuur waar de aardse machthebbers tegelijk door God zijn aangesteld en ook tot de ondergang gedoemd zijn. Bovendien neemt Paulus nergens een blad voor de mond (parrhêsia), dus de gedachte dat hij zich op dit punt in zou houden vind ik niet overtuigend. Ik volg dus liever iemand als J. Albert Harrill, Paul the Apostle (2012), die tegengas geeft tegen de anti-imperialistische duiding van Paulus.

Zelf ben ik bezig met één of meerdere blogposts over het nut van de historische Jezus voor theologie en geloof, naar aanleiding van een boekje van Dale C. Allison Jr. Ik hoop die ergens in de komende weken te gaan publiceren.

Advertenties

Κυρήνιος en de uitspraak van het Grieks

In Lucas 2:2 noemt de schrijver van het derde evangelie de legatus Augusti pro praetore van de provincie Syria: Κυρήνιος. Deze naam is in de Nieuwe Bijbelvertaling weergegeven als Quirinius. Dat is een historisch correcte weergave van de Latijnse naam van Publius Sulpicius Quirinius. In een vertaling als de (Herziene) Statenvertaling kiest men voor een Latijnse transliteratie: Cyrenius. Als dat ook nog eens op z’n Nederlands wordt uitgesproken, zijn we een eind verwijderd van de oorspronkelijke naam: Quĭrīnius.

De Griekse weergave valt goed te verklaren als we ervan uitgaan dat de υ in de tijd dat Lucas schreef al aan het verdunnen was of verdund was naar een korte i-klank en dat de η klonk als een naar een ‘ie’ toe verkleurde ‘ee’. Dan is Κυρήνιος (spreek ongeveer uit als ‘Kiríenios’) immers een prima weergave van Quĭrīnius.

Een vergelijkbaar geval is Δαυίδ, waar de αυ-klank staat voor ‘av’.

Is het in het licht van het bovenstaande niet beter aan te nemen dat het Grieks van het Nieuwe Testament vrij dicht bij de uitspraak van het moderne Grieks staat? En dat de kunstmatige Erasmiaanse uitspraak daar veel verder vanaf staat, helemaal als we diens klemtoonregels erbij nemen? En dat het dus beter is de Erasmiaanse uitspraak in de ban te doen? Dat is in elk geval wat de nieuwtestamenticus Chrys C. Caragounis betoogt in zijn boek uit 2012 (The Development of Greek and the New Testament: Morphology, Syntax, Phonology, and Textual Transmission). Ik vind zijn betoog best wel overtuigend.

Een indruk van de moderne Griekse uitspraak valt te beluisteren in het volgende filmpje (helaas met Textus Receptus):

Openbaring van Jakobus, een “verloren bijbelboek”? Welnee

Vandaag berichtte de NOS over een belangwekkende vondst, namelijk een gedeelte van de Griekse tekst van de Openbaring van Jakobus. Hier is het nieuwsbericht van de University of Texas.

Maar is dit een “verloren bijbelboek”? Welnee. Om twee redenen. De (Eerste) Openbaring van Jakobus wordt door Roelof van den Broek gedateerd in de tweede helft van de tweede of de eerste helft van de derde eeuw. Ongetwijfeld zal dit boek voor de schrijver (uiteraard niet de historische Jakobus) en een groep geïnteresseerden een zeker gezag hebben bezeten. En als dit geschrift door die groep(en) in samenkomsten werd gelezen of bestudeerd als onderdeel van een bijzonder corpus, dan functioneerde de Openbaring van Jakobus voor hen inderdaad als heilige Schrift. Maar voor de meerderheid van de christenen geldt, dat als men al van dit geschrift had gehoord, men dit slechts als een “ketterse” vervalsing terzijde zou hebben geschoven. Het boek heeft nooit enige kans gemaakt om in de Bijbel te worden opgenomen. Dit geldt trouwens niet alleen voor dit soort “ketterse” geschriften, maar ook voor vele “orthodoxe” van gelijke aard (bijvoorbeeld de Openbaring van Paulus, of de Handelingen van Paulus). En zelfs geschriften die wij als bijbelboek kennen, zijn omstreden geweest. Een bekend voorbeeld is de Openbaring van Johannes, dat door velen werd verworpen, zelfs na de vierde eeuw. Kortom, het is misleidend de Openbaring van Jakobus aan te duiden als een bijbelboek. Alsof dat een vaste eigenschap van een boek zou zijn, of alsof het boek geschreven zou zijn om in de Bijbel te worden opgenomen.

In de tweede plaats is dit boek nu niet “teruggevonden”. Het was al decennia geleden gevonden in twee versies. Bij de Nag Hammadigeschriften zat een Koptische vertaling. (Omdat er ook een andere Openbaring van Jakobus in deze verzameling zit, pleegt men het geschrift waar we het in deze blogpost over hebben de [Eerste] Openbaring van Jakobus te noemen.) En in de jaren zeventig is er een andere Koptische tekstversie gevonden in de Tchacoscodex. Beide versies hebben beschadigingen en kunnen elkaar aanvullen, maar er zitten ook verschillen tussen. Het belangwekkende is nu dat er een gedeelte van de Griekse tekst is gevonden. Daarmee kan een beter zicht verkregen worden op de tekstgeschiedenis van dit boek. Saillant is overigens dat het manuscript met de Griekse tekst uit de vijfde of zesde eeuw komt, en de handschriften met de Koptische vertaling ongeveer uit de vierde eeuw.

In het NOS-artikel krijgt cultuurhistoricus Jacob Slavenburg het woord, die, om het diplomatiek te zeggen, een nogal bijzondere visie heeft op de oorsprong van het christendom. Hij suggereert dat er aanvankelijk zo’n honderd evangeliën verdeeld waren over plaatselijke gemeenten, waaruit er uiteindelijk slechts vier zijn gekozen. Hieruit kan het beeld ontstaan, dat die honderd allemaal eenzelfde kans hadden of evenveel gezag kregen. Maar dat is niet zo. Verreweg de meeste evangeliën, openbaringen, handelingen en brieven die niet in het Nieuwe Testament staan, worden gedateerd in de tweede eeuw of later, toen de kern van de nieuwtestamentische canon (de vier evangeliën en de brieven van Paulus) zich al aan het vormen was. Volgens de gangbare wetenschappelijke opvattingen bevat het Nieuwe Testament de oudste christelijke geschriften. Er zijn maar een paar geschriften bekend, zoals 1 Clemens en de Didache, die waarschijnlijk ouder zijn dan de jongste bijbelboeken.

Overigens is de suggestie dat de “orthodoxen” actief achter “ketterse” teksten aangingen om ze te vernietigen, erg misleidend. Ongetwijfeld zal zoiets af en toe zijn voorgekomen, maar de meeste “ketterse” teksten zijn gewoon op een gegeven moment niet meer gekopieerd en daardoor verloren gegaan. Hetzelfde geldt voor vele “orthodoxe” geschriften die we niet meer hebben.

Update: Zie ook dit artikel in de Volkskrant.

Update: Zie ook dit opinieartikel van prof.dr. Johannes van Oort.

Revisie Nieuwe Bijbelvertaling

De Nieuwe Bijbelvertaling wordt herzien. Dit komt niet uit de lucht vallen, want het was al vanaf de publicatie van deze succesvolle vertaling in 2004 toegezegd. Het Nederlands Bijbelgenootschap wil de NBV-R in 2021 uitbrengen.

Verreweg de meest in het oog springende verandering is de invoering van eerbiedskapitalen bij persoonlijke voornaamwoorden die naar God, Jezus of de heilige Geest verwijzen. (Dus Hij/Hem, U, Ik/Mij, maar niet Zijn, Zich; net zoals in de Willibrordvertaling [2012].) Hierover werd bericht in de media (NOS), zij het niet overal even nauwkeurig. De argumentatie voor deze verandering berust niet slechts op de wens van kerkelijke bijbellezers; zij is ook op taalkundige en pragmatische gronden te verdedigen. Deze verandering is uiteraard een van de simpelste om door te voeren. De vertaling wordt verder in haar geheel tegen het licht gehouden, zowel op basis van de feedback van gebruikers als op basis van wetenschappelijke inzichten.

Matthijs de Jong, die leiding geeft aan het revisieteam, legt in een artikel in Met Andere Woorden uit welke uitgangspunten en principes bij de revisie gehanteerd worden. Er zijn vier principes:

  1. Consistentie en afstemming;
  2. Bevorderen van motiefwerking;
  3. Wetenschappelijk draagvlak als leidraad;
  4. Toetsen van expliciteringen.

Lees hier de uitwerking van deze principes met voorbeelden. Het project beoogt met maatwerk de kwaliteit van de NBV te verbeteren en de bruikbaarheid te vergroten. Hoe dat er uiteindelijk uit komt te zien, is nu al te zien bij enkele voorbeeldteksten op debijbel.nl.

John of Damascus, Commentary on Paul’s Epistle to the Ephesians 1.1-14

To my knowledge, there is no modern translation of John of Damascus’s commentaries on the corpus paulinum, written in the first half of the eighth century AD. While reading his commentary on Ephesians, it occurred to me that it would not be that laborious an undertaking to work out my notes into a full translation. John’s commentary consists of short comments on the text of the New Testament. It is probably not the most exciting commentary ever written, but nonetheless it is worthwile to make a part available in English.

Here follows a first version of a translation of the comments on Ephesians 1:1-14. The edition used is R. Volk (ed.), Die Schriften des Johannes von Damaskos, vol. 7: Commentarii in epistulas Pauli (Patristische Texte und Studien 68; Berlin, 2013), 384-411. The Biblical text is that of the NRSV, slightly adapted.

John of Damascus

Commentary on the Epistle of Paul to the Ephesians

 

(384) (PG 95, 821) 1:1 Paul, apostle of Jesus Christ.

The main point of the epistle is to teach them about the goodness of Christ. This goodness consists of our assumption and sanctification in Him, because we have become His body and have Him as head. The cause of this grace is the goodness of God, which is praised forever. The way towards it is the forgiveness through the blood of Christ.

1:1–3 By the will of God, to the saints who are in Ephesus and the faithful in Christ Jesus. Grace to you and peace from God our Father and the Lord Jesus Christ. Blessed be the God and Father of our Lord Jesus Christ.

Just as regarding the other works of God, so also regarding his own apostleship (Paul) says it is from God, brought about by Christ, because He is the power of God.

(PG 95, 824) 1:3 Who has blessed us in Christ with every spiritual blessing in the heavenly places.

He Himself, [Paul] says, is our blessing; that is, the gift from God in order that we enjoy the spiritual goods. The enjoyment of them is not on earth, since the blessings are also not carnal, but heaven is their eternal place.

1:4–5 Just as He chose us in Him before the foundation of the world to be holy and blameless before Him in love. He destined us for adoption as His children through Jesus Christ.

The grace of the Spirit has manifested itself now, on the one hand, but on the other hand it has existed from the beginning with God, being allotted to the elect, whom He also destined to be assistants of God through the holiness that has been given.

(385) 1:5–6 According to the good pleasure of His will, to the praise of His glorious grace that He freely bestowed on us.

He freely bestowed on us, (Paul) says, having made us into sons by voluntary goodness, not by payment on the basis of our works.

1:6–8 In the Beloved. In Him we have redemption through His blood, the forgiveness of our trespasses, according to the riches of His grace that He lavished on us with all wisdom and insight.

Since the Scriptures say everywhere that He became obedient to the Father until death (Phil. 2:7), and since Christ said: ‘God, my God, why have you left me?’ (Mk. 15:34)—one should not suppose that He truly had been left, as He spoke this kind of words from our perspective—for this reason the divine Scripture proclaims everywhere that He is loved and beloved.

1:9 He has made known to us the mystery of His will.

Only in this way the grace of Christ comes towards us: through knowledge; it is not accommodated to those who are ignorant.

1:9–10 According to His good pleasure that He set forth in Christ as a plan for the fullness of time.

For before the world He was well pleased with this kindness. He destined also a time for it, when He admitted the things that were predestined as a fitting end.

1:10 To gather up all things in Him, things in heaven and things on earth.

Inasmuch as Adam sinned and robbed himself from all these things, renewal happened in Christ. Of which things, then, did he rob himself? While he was uncorrupted, he ended up in corruption, and while he was immortal, he ended up in death and away from (386) paradise, outside of para|dise. (PG 95, 825) God therefore planned to gather up  and to renew [all things]. And on behalf of the following the Only-begotten became a human being: in order to dissolve death, to abolish corruption, and to throw out sin, what indeed has happened when Christ came. The phrase things in heaven means that the angels had great and constant grief because of the fact that the world was sinning and was under a curse. And it is clear on the basis of the Lord’s saying that there is joy in heaven about one sinner who repents (Lk. 15:7). It means, then, that the Lord came and renewed both things on earth and things in heaven. He gave the angels rest from that grief which they were having on account of the corruption of humankind. For he lifted them up towards the previous joy, the one about the people who are saved.

1:11–12 In Him we have also obtained an inheritance, having been destined according to the purpose of Him who accomplishes all things according to the counsel of His will, so that we, who were the first to set our hope on Christ, might live for the praise of His glory.

By being one with Christ, (Paul) says, we are a portion of God.

1:13 In him you also, when you had heard the word of truth, the gospel of your salvation, and had believed in Him, were marked with the seal of the promised Holy Spirit.

(Paul) says: You too belong to those who were known beforehand, being reconciled with Christ through obedience,  through faith after having heard, and through sealing after having come to faith, which is being made like Christ through the participation in the Spirit. From whom else did they hear the word of truth than from John the evangelist? For he proclaimed [the gospel] there. That is why Paul speaks with them in a loftier manner, because they were prepared beforehand by John’s teaching [= Severian of Gabala]. For the man was very lofty in speaking about God.

1:14 Who is the pledge of our inheritance toward redemption as God’s own people, to the praise of His glory.

With pledge (Paul) means the beginning of acquisition. So he says that those who have received the Spirit already have begun to be possessions of Christ and God.