Γεγραμμενα

Weblog over de Bijbel en het vroege christendom

Categorie: Bijbel

Marcus en de mondelinge traditie

Het Evangelie volgens Marcus is het oudste evangelie. Waar kwam dit vandaan? Kwam het uit het niets? Is dit geschrift het resultaat van schriftgeleerde fantasie? Het wetenschappelijke onderzoek suggereert dat de auteur (‘Marcus’) zijn materiaal goeddeels ontleende aan mondelinge overleveringen omtrent Jezus van Nazaret.

Vroeger zijn de evangeliën qua genre wel bestempeld als sui generis – overigens meer om theologische dan om strikt literaire redenen. Maar ondanks dat de evangeliën wel degelijk een historiografische intentie hebben en overeenkomsten vertonen met de Grieks-Romeinse bios-literatuur, is het niet geheel onterecht om de evangeliën als een geval apart te zien. Marcus ontbeert de stilistische verfijning en het zelfbewustzijn van de ‘echte’ literatuur. De auteur verdwijnt vrijwel geheel achter de stof, zodat vormcritici voor de opkomst van de redactiekritiek zelfs beweerden dat de evangelisten nauwelijks meer waren dan verzamelaars. Dat is een erg eenzijdige, maar ook niet geheel van waarheid gespeende opvatting. Lucas bijvoorbeeld, die zich trouwens als enige expliciet als historicus afficheert, reproduceert zijn bronnen doorgaans behoorlijk getrouw.

Waaruit bestaat het Evangelie naar Marcus? Kort gezegd is dit geschrift opgebouwd uit verschillende reeksen korte verhaaltjes en anekdoten die op een enigszins kunstmatige manier met elkaar zijn verbonden. Marcus 1:21-45 bijvoorbeeld bestaat uit een reeks van genezingen, terwijl Marcus 2:1-3:6 een reeks twistgesprekken bevat en Marcus 4:1-34 een verzameling gelijkenissen. Dit merkwaardige fenomeen zou verklaard kunnen worden door de hypothese dat Marcus ‘brokken’ vaststaand repertoire in zijn werk heeft opgenomen. Dit wordt bevestigd door andere observaties.

De verhalen in Marcus zijn grofweg in te delen in genezingen, exorcismen, onderwijzingen en gelijkenissen. Wanneer men deze typen verhalen afzonderlijk bekijkt, valt op dat ze elk variëren op een eigen patroon. Er ontstaat dus per vertelvorm een voorspelbare vertelvolgorde, maar die uniformiteit is geen knellend harnas, wat blijkt uit opmerkelijke variabiliteit. Dit is precies het kenmerk van een volksverhaal: enerzijds heel bont, anderzijds heel stereotiep. Ook de overvloed aan wonderverhalen wijst in deze richting, want dat zijn bij uitstek geliefde onderwerpen van folkloristische overleveringen. Het feit dat er vele verhalen van hetzelfde type te vinden zijn, die sterk op elkaar lijken, is een indicatie van het herhalende aspect van mondelinge overlevering. Een ander opvallend kenmerk is de stereotiepe karakterisering: Jezus is enkel de held en geneest doorgaans per verhaal één personage. Gecompliceerder wordt het niet. Werner Kelber concludeert (p. 51):

In sum, it is the plurality, uniformity, and variability of the healing stories that attests to their oral production and quality of performance.

De verschillende typen verhalen zijn gerelateerd aan hun ‘heugelijke’ eigenschappen. De strijd met de duivel bij de exorcismen prenten de bevrijdende kracht van Jezus in het geheugen. En de leer van Jezus wordt niet gebracht in een lijstje abstracte voorschriften, want een gevisualiseerde anekdote met een punch line werkt beter als geheugensteuntje. Abstracties hebben weinig waarde voor de verhalenverteller. Bij gelijkenissen is het de verrassende wending in een vertrouwde situatie en het open einde die ervoor zorgen dat het verhaal als gedenkwaardig voortleeft.

Werner Kelber wijst ook nog op de oral syntax die zichtbaar is in Marcus: stereotiepe verbindingen (bijv. “en toen… en toen…”) waarbij van de hak op de tak gesprongen wordt, de verwisselbaarheid van krachtige woorden en (immers vertelde) daden, het folkloristische gebruik van drietallen, de derde persoon meervoud en het historisch praesens, de vele herhalingen die in geschreven tekst overbodig zouden zijn, de gebrekkige karakterontwikkeling van de personages en in plaats daarvan focus op gebeurtenissen die de personages gezicht geven. De eenvoudigste verklaring voor deze fenomenen is dat Marcus inderdaad zijn materiaal uit de mondelinge overleveringen over Jezus putte.

Bij het Evangelie volgens Marcus zijn we dus getuige van een curieus fenomeen, omdat dit geschrift op het kruispunt staat van mondelinge traditie en gestolde vastlegging. Marcus laat ons enerzijds een blik werpen op de verhalen die over Jezus de ronde deden, maar legt deze anderzijds ‘proto-historiografisch’ vast volgens de vereisten van een ander medium.

Literatuur

  • Werner H. Kelber, The Oral and the Written Gospel, Bloomington-Indianapolis 1997 [1983].

Een eerste verkenning van de Bijbel in Gewone Taal

Vol verwachting klopte mijn hart toen ik vanmorgen het plastic van een gloednieuw exemplaar van de Bijbel in Gewone Taal haalde dat ik gekocht had bij de boekhandel die ook in de reportage van de NOS figureerde. Al snel passeerden bekende en onbekende passages de revue, en de voorlopige conclusie is helder: het NBG wilde een duidelijke Bijbelvertaling maken, en dat is ze goed gelukt. De teksten laten aan duidelijkheid niets te wensen over, zodat de lezer direct kan beginnen met nadenken over de (soms ingewikkelde) boodschap.

Bijbelvertalingen zijn anders dan andere vertalingen. Dat is omdat er veel meer mensen mee te maken hebben en dus veel meer mensen er een mening over hebben. Het zal immers velen een worst wezen of Sokrates zijn gehoor met “Atheners” (De Win) of “mannen van Athene” (Koolschijn) aanspreekt, terwijl zulk soort kwesties bij de Bijbel op een goudschaaltje worden gewogen. De Bijbel heeft namelijk voor veel mensen een speciale status – ook voor mensen die die status juist willen betwisten.

De keuze om de Bijbel in gewone taal te vertalen, is geen sinecure. (Het vocabulaire van de NBV is circa 12.000 woorden, dat van de BGT 4.000.) Wie ooit met vertalen van antieke teksten bezig is geweest – of college heeft gehad van dr. H.W. Hollander, een van de betrokken vertalers – weet dat je veel stappen moet zetten om zo’n tekst in goed Nederlands te vertalen. Ik moet er niet aan denken dat je dan ook nog maar een beperkt aantal woorden mag gebruiken…

In de beperking van de BGT schuilt echter ook een kracht. De vertalers zijn immers gedwongen geweest om diep door te dringen in de teksten om tot een adequate interpretatie te komen. De vertalers konden zich niet veroorloven om uitlegproblemen op het bordje van de lezer te parkeren. Als je bij het lezen van andere vertalingen vaak nog denkt: wacht, wat staat hier nou eigenlijk? – is dit bij de BGT veel minder het geval. Hierbij zijn natuurlijk keuzes gemaakt en bepaalde interpretatiemogelijkheden uitgesloten, maar dat maakt de BGT niet wezenlijk anders dan andere vertalingen. Zelfs de Statenvertaling is nooit bedoeld om zonder kanttekeningen gelezen te worden. Alleen ligt de grens van de mate waarin de vertaler een eenduidige interpretatie in zijn/haar vertaling heeft verwerkt, duidelijk anders dan bij veel andere vertalingen.

Laat ik eens iets concreets noemen. We beginnen gewoon bij het begin: Genesis 1:1-2.

NBV BGT
In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde was nog woest en doods, en duisternis lag over de oervloed, maar Gods geest zweefde over het water [of: en een hevige wind joeg het water op]. In het begin maakte God de hemel en de aarde. De aarde was leeg en verlaten. Overal was water, en alles was donker. En er waaide een hevige wind over het water.
  • De grammaticale mogelijkheid om Gen. 1:1-3 als volzin te vertalen, is in de NBV in een voetnoot beland. Voor de BGT was dit natuurlijk geen optie.
  • Vers 1 heeft dan nog als enige probleem het in het Nederlands in deze betekenis weinig voorkomende woord ‘scheppen’. Genesis levert echter zelf verderop een synoniem, ‘maken’, dat de BGT hier kiest.
  • De toestandsbeschrijving in vers 2 heeft in de NBV het overbodige woordje ‘nog’ (dat als ik het goed heb mogelijk in een herziening gaat verdwijnen). De BGT ziet hier uiteraard van af en omschrijft tohu wavohu eenvoudig met ‘leeg en verlaten’.
  • De tamelijk duistere voorstelling van duisternis over de tehom is in de BGT gesplitst als twee uitspraken over water en het donker.
  • De veilige keuze van de NBV voor ‘Gods geest’ in de hoofdtekst is in de BGT losgelaten. Er is gekozen voor de vertaling die het best aansluit bij de context en de waarschijnlijke bedoeling. Zo ontstaat een eenduidige, duidelijke beschrijving van de aarde.

In de eerste verzen van de Bijbel wordt het karakter van de BGT dus al duidelijk. Ongewone begrippen zoals ‘scheppen’, ‘oervloed’ en dergelijke zijn geen optie. En er is een doortastende keuze gemaakt aan het eind van vers 2. Dat laatste kan ik zeker waarderen.

Een ander voorbeeld van zo’n doortastende keuze is te vinden aan het einde van het boek Job. Dit weet ik toevallig omdat ik een van de vertalers hierover een keer heb horen spreken. Ook heb ik ooit een artikel gelezen van een Leids hebraïcus die vond dat de gebruikelijke vertalingen het boek Job verprutsten. Wat is namelijk het geval? In onder andere de NBV herroept Job zijn woorden (42:6). Dat wil zoiets zeggen als: Job zit fout met al zijn klachten, God heeft eens even goed gezegd hoe het allemaal zit, en nu moet Job z’n mond houden en toegeven. Deze vertaling is dus cruciaal voor de interpretatie van het boek als geheel. Op grond van een andere uitleg van een Hebreeuws woord heeft de BGT nu: “Nu heb ik troost gevonden voor mijn moeilijke leven.” Job geeft weliswaar toe dat hij het allemaal niet begrepen had, maar in de BGT zwijgt Job omdat hij zich verzoend heeft met zijn situatie door het antwoord van God. Dit is een veel mooier einde.

Ergens anders stuitte ik op een vertaling waarvan ik niet weet of ik er wat betreft de uitlegkeuze zo gelukkig mee ben. In 2 Kor. 5:21 zegt Paulus dat God Christus tot zonde gemaakt heeft (“één gemaakt met de zonde” NBV). De BGT heeft:

“Maar God liet hem de straf voor onze zonden dragen.”

Paulus spreekt echter nergens expliciet over Gods straf in verband met de dood van Jezus Christus. Het is dus maar de vraag of het begrip ‘tot zonde maken’ een straf impliceert. Gaat deze elliptische uitdrukking dan niet eerder over de sfeer van de zonde (en dus lijden en de dood) in tegenstelling tot het participeren in rechtvaardigheid en leven (zie 2 Kor. 5:15.21b)? In het licht van de context en Rom. 8:3 wil ‘tot zonde maken’ dan zeggen dat God Christus in dit zondige bestaan heeft gestuurd, zodat hij er door zijn dood mee kon afrekenen. Op deze manier kan je overigens ook de BGT lezen, alleen moet je dan aannemen dat de straf niet iets is wat God speciaal voor Christus heeft bedacht, maar dat het gaat om de gebruikelijke straf op de zonde, de dood.

Trouwens, niet onvermeld mag blijven dat de BGT de eerste Nederlandse vertaling is die in het Nieuwe Testament gebaseerd is op de 28e editie van Nestle-Aland, waarvan de katholieke brieven gebaseerd zijn op de Editio Critica Maior. Dit houdt in dat er in de katholieke brieven op enkele plaatsen een merkbaar verschil optreedt. In 2 Pt. 3:10 wordt de aarde in de NBV “blootgelegd” (letterlijk: ‘wordt gevonden’), maar in de BGT “verdwijnt” de aarde (letterlijk: ‘wordt niet gevonden’).

Nog een leuke. In de BGT is het geloof volgens Hebr. 11:1 niet meer “bewijs der dingen, die men niet ziet” (NBG-51) – een tekst die nogal eens te pas en te onpas wordt gebruikt – maar “door ons geloof weten we zeker dat Gods hemelse wereld bestaat. Ook al kunnen we die nog niet zien.” Dat is een mooie contextuele vertaling, in overeenstemming met de constatering van Calvijn: Unde etiam apparet, longe falli eos, qui iustam fidei definitionem hic poni existimant; neque enim hic de tota fidei natura disserit Apostolus.

Kortom, mijn eerste indruk van de Bijbel in Gewone Taal is dat het een verrijking is van het Nederlandse aanbod van vertalingen. De BGT is een heel duidelijke Bijbel en dat voegt iets toe. Ik verwacht dan ook dat ik de BGT regelmatig zal raadplegen naast de NBV en de WBV.

De status van de tekst van het Nieuwe Testament

P. Oxy. 4449

Eén van mijn onderzoeksinteresses is tekstkritiek, in het bijzonder die van het Nieuwe Testament. Niet alleen is dit vakgebied uitzonderlijk binnen het bredere veld van de tekstkritiek van antieke teksten — de zegen en de vloek van een overvloed aan handschriften — maar ook daarbuiten, omdat het met enige regelmaat gekaapt wordt voor een ideologisch debat. Aan de ene kant spant men de tekstkritiek voor het karretje van het verdedigen van de onfeilbaarheid van de Bijbel, maar aan de andere kant dient zij als de eerste stok om de christenhond te slaan, wil deze wagen het woord ‘Bijbel’ te prevelen. Bij al dit wapengekletter zou je bijna vergeten dat tekstkritiek de methodische bestudering van de overleveringsgeschiedenis is — een monnikenwerk dat al snel overschreeuwd wordt door gemakkelijke, half geïnformeerde leuzen.

Wat is, zuiver tekstkritisch gezien, de status van de beste kritische tekst van het Nieuwe Testament, Nestle-Aland editie 28 (NA28) en de Editio Critica Maior (ECM)? Ik zal proberen in het onderstaande hiervan in grote lijnen een evenwichtig beeld te geven.

Van antieke teksten in het algemeen geldt dat ze bewaard zijn in handschriften uit de (late) middeleeuwen en de renaissance, als ze de flessenhals van de late oudheid en de vroege middeleeuwen hebben overleefd. Doordat er meestal maar enkele handschriften per geschrift zijn, is het doorgaans mogelijk een stemma op te stellen en het handschrift waar alle overgeleverde handschriften van afstammen (het archetype), te reconstrueren. Niet zelden zit er dan nog een gat van enkele eeuwen tussen het archetype en het ontstaan van een geschrift. Vandaar dat het voor de filoloog noodzakelijk is het archetype voor zover mogelijk te emenderen en te zuiveren van corrupties.

Bij het Nieuwe Testament ligt de zaak methodisch hetzelfde, maar is de verdeling van het materiaal anders. Ook hier geldt dat de bulk van de handschriften uit de latere middeleeuwen stamt, maar de eerste complete teksten van NT-geschriften stammen al uit de derde eeuw. Vanwege veelvuldige contaminatie en kennelijke kopieerdrift is het onmogelijk een eenvoudige stamboom op te zetten tussen de bekende handschriften. Vandaar dat bij het NT niet wordt gesproken over het archetype, maar van de Ausgangstext (initial text). Dat wil zeggen: de tekst die aan het begin van de bekende overlevering staat.

Het is een beginnersfout deze initiële tekst te dateren naar het vroegste handschrift van een bepaald geschrift (geschrift, want de NT-geschriften werden eerst afzonderlijk of in corpora overgeleverd). Als we bijvoorbeeld kijken naar de waarschijnlijk vroegste bewaard gebleven verzameling van de brieven van Paulus, Papyrus 46, dan blijkt dat deze tekst al conflaties bevat (bijv. in Fil. 1:11) en dat andere handschriften niet van dit handschrift afstammen. Dat betekent dat er vanzelfsprekend ook al een overleveringsgeschiedenis aan de oudste handschriften is vooraf gegaan. Vanaf de tweede eeuw komen daarnaast de citaten in de vroegchristelijke schrijvers en de vroege vertalingen. Als je die puzzelstukjes bij elkaar legt, dan is voor het grootste deel van het Nieuwe Testament de tekst die alle latere varianten verklaart (de Ausgangstext), redelijkerwijs in de tweede eeuw te dateren.

Omdat het gat tussen de vroegst reconstrueerbare tekst en het ontstaan van de geschriften van het NT relatief zo gering is, ziet men bij de nieuwtestamentische tekstkritiek meestal af van conjecturen (gissingen zonder basis in de handschriften). In de begintijd van de moderne tekstkritiek, toen er voornamelijk late handschriften bekend waren, was conjecturaalkritiek nog een noodzakelijk middel. Het blijkt dat vele conjecturen bevestigd zijn door latere handschriftvondsten — maar andere gissingen ook weer niet. De algemene tendens in de tekstkritiek om de overgeleverde tekst te respecteren, geldt eens te meer voor de situatie van de tekst van het NT.

Maar laten we voor het gemak aannemen dat NA28/ECM de NT-tekst representeert zoals die er op enig moment in de tweede eeuw uit zag. Wat is de verhouding tussen deze Ausgangstext en de tekst zoals die voor het eerst in omloop kwam (de ‘oorspronkelijke’ tekst)? Hier is een vergelijking met andere klassieke teksten verhelderend. Als we de Griekse tekst van Plato’s dialogen lezen, doen we meestal alsof we inderdaad de tekst van Plato lezen. Is dit gerechtvaardigd? Ja, want zelfs met inachtneming van problematische passages en tekstuele problemen is zo’n tekst onmiskenbaar van Plato. Daarbij komt de hardnekkigheid (Tenazität) die de overlevering van de meeste teksten, inclusief die van het NT, kenmerkt. Voor vrijwel alle kopiisten geldt dat ze kopieën afleveren die vrijwel identiek zijn met de moederkopie. (Daarom overleven sommige fouten heel lang, tegen de dominante traditie in.) De kans dat een willekeurige zin of een willekeurig woord in een tekst van Plato van Plato zelf is, is dus a priori veel groter dan het tegendeel. Dat betekent dat na de tekstkritische arbeid de bewijslast bij diegene ligt die wil beweren dat iets in de tekst gecorrumpeerd of vervalst is.

Wanneer we dus een hypothese op willen stellen over de geschiedenis van de NT-tekst tussen de ‘originelen’ en de Ausgangstext, is er geen plaats voor amethodische scepsis of een misplaatst beroep op Ockhams scheermes. De meest economische aanname met het oog op de overschrijfpraktijk is namelijk dat tussen de Ausgangstext en de ‘oorspronkelijke’ tekst niets ongebruikelijks is gebeurd. Dus is de Ausgangstext nagenoeg identiek met de teksten zoals deze voor het eerst in omloop raakten. De ECM is daarom, zoals de uitgevers claimen, de beste hypothese voor de oorspronkelijke tekst. Dit geldt voorlopig ook van de delen van NA28 waarvoor de ECM nog niet beschikbaar is. Als we bijvoorbeeld Paulus’ brief aan Filemon lezen, kunnen we er met een kleine slag om de arm a priori van uitgaan dat we inderdaad Paulus’ woorden lezen. De bewijslast ligt bij degene die iets anders wil beweren.

De zoon van David buiten de Bijbel (5)

De volgende tekst die ik wil bespreken, is 4Q Bloemlezing (4Q174). Deze tekst, die geschreven moet zijn vóór het begin van onze jaartelling, is een eschatologische midrasj. Met andere woorden: een bloemlezend commentaar op de Bijbel met betrekking tot de eindtijd.

Onder de teksten die de auteur gebruikt, figureren 2 Sam. 7; Ps. 2; 89 en Am. 9. Bijbelvaste lezertjes zullen al door hebben wat deze teksten verbindt: (de zoon van) David als koning van Israël.

De auteur citeert 2 Sam. 7:11b.12b.14a, een profetie van Natan, waarna zijn uitleg volgt:

[10] Jahwe [heeft aan]gekondigd dat hij een huis zal bouwen. “Ik zal uw nakomeling na u doen optreden en de troon van zijn koningschap bevestigen [11] [voor im]mer. Ik zal hem tot een vader zijn en hij zal mij tot een zoon zijn.”

Dat is de telg van David, die zal verschijnen tezamen met de uitlegger van de wet, die [12] [hij zal doen opstaan] in Si[on in de laa]tste dagen, zoals geschreven staat: “Ik zal de vervallen hut van David weer oprichten.”

Dat is de vervallen hut [13] van David, [d]ie hij zal opstellen om Israël te redden.

— 4Q174 fr. 1.21.2:10-13; vertaling naar García Martínez e.a.

Met andere woorden: de betreffende beloften uit de heilige boeken worden uitgelegd met het oog op de eindtijd. Uit het nageslacht van David komt een eschatologische koning, die God doet opstaan om over Sion te regeren.

Mogelijk vormde dit thematische commentaar één geschrift met 4Q177 en 4Q182 (4Q Catenaa en b). Dit omvattende werk noemt men 4Q Eschatologische Midrasj.

LITERATUUR

  • George J. Brooke, Exegesis at Qumran. 4QFlorilegium in its Jewish Context (JSOTSS 29). Sheffield 1985.
  • Florentino García Martínez, Eibert J.C. Tigchelaar (red.), The Dead Sea Scrolls: Study Edition. Dl. 1. Leiden 1997.
  • Florentino García Martínez, Adam van der Woude, in samenwerking met Mladen Popović, De rollen van de Dode Zee. Kampen 22007.
  • Annette Steudel, Der Midrasch zur Eschatologie aus der Qumrangemeinde (4QMidrEschata.b). Materielle Rekonstruktion, Textbestand, Gattung und traditionsgeschichliche Einordnung des durch 4Q174 (“Florilegium”) und 4Q177 (“Catena A”) repräsentierten Werkes aus den Qumranfunden (Studies on the Texts of the Desert of Judah 13). Leiden 1994.

De zoon van David buiten de Bijbel (4)

In deze blogpost keren we terug naar de Dode Zeerollen, en wel naar een commentaar op Genesis, 4Q Genesis Pesjera (4Q252). Dit is een parafraserend commentaar op enkele gedeelten uit Genesis waarin bepaalde exegetische problemen worden opgelost. Door een gelukkig toeval is het gedeelte over Jakobs zegen voor Juda bewaard gebleven. De kopie stamt uit de tweede helft van de eerste eeuw voor Christus.

Eerst even Genesis 49:10 volgens de NBV:

“In Juda’s handen zal de scepter blijven,
tussen zijn voeten de heersersstaf,
totdat hij komt die er recht op heeft,
die alle volken zullen dienen.”

Dan nu 4Q252 fr. 1, kol. 5, r. 1-4:

“[Nie]t zal wijken de scepter van de stam van Juda (Gen. 49:10a). Wanneer Israël heerschappij bezit [zal niet] iemand die op de troon van David is gezeten, worden afgesneden (Jer. 33:17). Want ‘de heersersstaf’ is het verbond van het koningschap [en de duizendta]llen van Israël zijn ‘de standaarden’. Totdat de gezalfde der gerechtigheid komt, de telg van David. Want aan hem en zijn nakomelingen is het verbond van het koningschap over zijn volk tot in eeuwige geslachten gegeven, dat (…).”

— Vertaling naar García Martínez e.a.

De laatste drie regels van dit fragment zijn lastiger te lezen en hebben betrekking op het onderhouden van de wet met “de mannen van de gemeenschap.” Hoe dan ook, de zegenspreuk voor Juda wordt hier uitgelegd in eschatologische zin. Alleen een davidide is een rechtmatige koning over Israël. Uiteindelijk zal er ook een zoon van David komen die door God gezalfd is en gerechtigheid herstelt. ‘De gezalfde der gerechtigheid’ wil zoveel zeggen als ‘de rechtvaardige gezalfde’ of ‘de gezalfde die gerechtigheid bewerkstelligt’ (vergelijk ‘de berg mijner heiligheid’ = ‘mijn heilige berg’).

Net als in de Psalmen van Salomo 17 wordt deze eschatologische koning gekenschetst als nakomeling van David en als gezalfde, een eigenschap van de door God verwekte koning van Israël (zie Ps. 2).

Literatuur

  • Florentino García Martínez, Eibert J.C. Tigchelaar (red.), The Dead Sea Scrolls: Study Edition. Dl. 1. Leiden 1997.
  • Florentino García Martínez, Adam van der Woude, in samenwerking met Mladen Popović, De rollen van de Dode Zee. Kampen 22007.
Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 37 andere volgers