Wat nut ons de historische Jezus? (1)

De kerk vereert Christus als de Zoon van God, God uit God, Licht uit Licht. Wat heeft die Christus nog te maken met de mens Jezus uit het begin van onze jaartelling? En wat heeft het te betekenen dat de boodschap over Jezus anders is dan de boodschap van Jezus?

In 2009 publiceerde Dale C. Allison Jr. The Historical Christ and the Theological Jesus (Grand Rapids, Mich.: Eerdmans). Je zou dit boek kunnen zien als de persoonlijke pendant van zijn meesterlijke studie Constructing Jesus (2010). Het biedt een door ervaring gelouterde visie op de relatie tussen historisch onderzoek naar Jezus en het christelijk geloof. In een aantal blogposts wil ik aan de hand van dit boekje nagaan hoe je op doordachte wijze vanuit het christelijk geloof met het onderzoek naar de historische Jezus om zou kunnen gaan.

Het historische aan de historische Jezus

Even heel kort: de ‘historische Jezus’ is een door historici geconstrueerde hypothese die op historisch-kritisch verantwoorde wijze het leven van Jezus van Nazaret wil beschrijven. De historische Jezus is dus iets anders dan de ‘echte’ Jezus. Zoals bij zoveel mensen uit de oudheid—van de meesten weten we (vrijwel) niets—is het slechts mogelijk een aantal aspecten van zijn leven met enige mate van zekerheid te belichten. De hoop en de claim van historici is uiteraard dat hun historische Jezus iets zegt over de ‘echte’ Jezus.


XIV. 1 But when Joseph saw the understanding of the child, and his age, that it was coming to the full, he thought with himself again that he should not be ignorant of letters; and he took him and delivered him to another teacher. And the teacher said unto Joseph: First will I teach him the Greek letters, and after that the Hebrew. For the teacher knew the skill of the child and was afraid of him: notwithstanding he wrote the alphabet and Jesus pondered thereon a long time and answered him not. 2 And Jesus said to him: If thou be indeed a teacher and if thou knowest letters well, tell me the power of the Alpha and then will I tell thee the power of the Beta. And the teacher was provoked and smote him on the head. And the young child was hurt and cursed him, and straightway he fainted and fell to the ground on his face. 3 And the child returned unto the house of Joseph: and Joseph was grieved and commanded his mother, saying: Let him not forth without the door, for all they die that provoke him to wrath.

Kindheidsevangelie van Thomas, vert. M.R. James.


Theologische reacties

Dat er historisch onderzoek gedaan wordt naar Jezus van Nazaret is een gegeven. Vaak (niet altijd) is dat historische onderzoek ingebed in een bredere theologische setting. Als je het nog breder trekt, is het natuurlijk zo dat historisch onderzoek nooit ‘neutraal’ is. Dit tekent het spanningsveld: enerzijds gaat het om historisch onderzoek met historische methoden, anderzijds staan er ook (anti-)theologische belangen op het spel, zeker als het om Jezus Christus gaat. Dit valt nooit helemaal los van elkaar te zien.

Vanuit de christelijk theologie zijn er grosso modo drie reacties gekomen op het onderzoek naar de historische Jezus. Sommige onderzoekers hebben beweerd dat hun historische Jezus aantoont dat de traditionele geloofs­­­overtuigingen over Jezus Christus obsoleet zijn. Traditionelere theologen hebben gezegd dat de menswording van God christenen verplicht te vragen naar het historische leven van Jezus met behulp van historische methoden. Andere theologen hebben juist gezegd dat het evangelie niet kan rusten op de voorlopige oordelen van het historische onderzoek, met als gevolg dat zij dit grotendeels negeren.

In al deze reacties zit wel iets. Dat er door dit onderzoek vraagtekens komen te staan bij bepaalde aspecten van het traditionele geloof, valt niet te ontkennen. En dat vanuit de traditionele theologie gezien de geschiedenis theologisch van belang is, lijkt mij onomstreden. Maar het is ook zo dat het christelijk geloof iets anders is dan geloven dat x of y echt gebeurd is. Allison stelt dat het historische onderzoek naar Jezus hoe dan ook belangrijk is voor theologie en geloof. Dit blijkt alleen al uit het feit dat dit onderzoek de afgelopen anderhalve eeuw het theologische landschap grondig heeft veranderd.

Wie kennisgenomen heeft van het onderzoek naar de historische Jezus en niet hardnekkig wil volharden in oude waarheden—terug naar onwetendheid kan niet meer—moet dit onderzoek ook theologisch, vanuit (on)gelovig perspectief, een plek geven. Want het is uiteindelijk een verrijking, al is het niet altijd een comfortabele verrijking.  Allison: “The unexamined Christ is not worth having” (blz. 5).

Advertenties

‘Abba’, en de overheid volgens Paulus: twee blogs

Net voor Vaderdag verscheen er een blog van collega Matthijs de Jong over de vraag of ‘abba’ werkelijk ‘pappa’ betekent. Lees hier het antwoord.

Naar aanleiding van de uitspraken van Jeff Sessions blogde Joris Verheijen op de Mainzer Beobachter over de betekenis van Paulus’ opmerkingen over de overheid in Romeinen 13. Hij legt goed uit dat het stompzinnig is die passage te lezen als een verheerlijking van de heersende macht. Maar de ironische, geheime subtekst die hij er vervolgens aan de hand van enkele moderne interpretaties in wil lezen, gaat er bij mij niet in. Er is namelijk het methodische probleem dat je dan overal wel ironie in kunt zien als gemakkelijke uitweg voor een weerbarstige tekst. En er zijn parallellen in de Joodse literatuur waar de aardse machthebbers tegelijk door God zijn aangesteld en ook tot de ondergang gedoemd zijn. Bovendien neemt Paulus nergens een blad voor de mond (parrhêsia), dus de gedachte dat hij zich op dit punt in zou houden vind ik niet overtuigend. Ik volg dus liever iemand als J. Albert Harrill, Paul the Apostle (2012), die tegengas geeft tegen de anti-imperialistische duiding van Paulus.

Zelf ben ik bezig met één of meerdere blogposts over het nut van de historische Jezus voor theologie en geloof, naar aanleiding van een boekje van Dale C. Allison Jr. Ik hoop die ergens in de komende weken te gaan publiceren.

Κυρήνιος en de uitspraak van het Grieks

In Lucas 2:2 noemt de schrijver van het derde evangelie de legatus Augusti pro praetore van de provincie Syria: Κυρήνιος. Deze naam is in de Nieuwe Bijbelvertaling weergegeven als Quirinius. Dat is een historisch correcte weergave van de Latijnse naam van Publius Sulpicius Quirinius. In een vertaling als de (Herziene) Statenvertaling kiest men voor een Latijnse transliteratie: Cyrenius. Als dat ook nog eens op z’n Nederlands wordt uitgesproken, zijn we een eind verwijderd van de oorspronkelijke naam: Quĭrīnius.

De Griekse weergave valt goed te verklaren als we ervan uitgaan dat de υ in de tijd dat Lucas schreef al aan het verdunnen was of verdund was naar een korte i-klank en dat de η klonk als een naar een ‘ie’ toe verkleurde ‘ee’. Dan is Κυρήνιος (spreek ongeveer uit als ‘Kiríenios’) immers een prima weergave van Quĭrīnius.

Een vergelijkbaar geval is Δαυίδ, waar de αυ-klank staat voor ‘av’.

Is het in het licht van het bovenstaande niet beter aan te nemen dat het Grieks van het Nieuwe Testament vrij dicht bij de uitspraak van het moderne Grieks staat? En dat de kunstmatige Erasmiaanse uitspraak daar veel verder vanaf staat, helemaal als we diens klemtoonregels erbij nemen? En dat het dus beter is de Erasmiaanse uitspraak in de ban te doen? Dat is in elk geval wat de nieuwtestamenticus Chrys C. Caragounis betoogt in zijn boek uit 2012 (The Development of Greek and the New Testament: Morphology, Syntax, Phonology, and Textual Transmission). Ik vind zijn betoog best wel overtuigend.

Een indruk van de moderne Griekse uitspraak valt te beluisteren in het volgende filmpje (helaas met Textus Receptus):

John of Damascus, Commentary on Paul’s Epistle to the Ephesians 1.1-14

To my knowledge, there is no modern translation of John of Damascus’s commentaries on the corpus paulinum, written in the first half of the eighth century AD. While reading his commentary on Ephesians, it occurred to me that it would not be that laborious an undertaking to work out my notes into a full translation. John’s commentary consists of short comments on the text of the New Testament. It is probably not the most exciting commentary ever written, but nonetheless it is worthwile to make a part available in English.

Here follows a first version of a translation of the comments on Ephesians 1:1-14. The edition used is R. Volk (ed.), Die Schriften des Johannes von Damaskos, vol. 7: Commentarii in epistulas Pauli (Patristische Texte und Studien 68; Berlin, 2013), 384-411. The Biblical text is that of the NRSV, slightly adapted.

John of Damascus

Commentary on the Epistle of Paul to the Ephesians

 

(384) (PG 95, 821) 1:1 Paul, apostle of Jesus Christ.

The main point of the epistle is to teach them about the goodness of Christ. This goodness consists of our assumption and sanctification in Him, because we have become His body and have Him as head. The cause of this grace is the goodness of God, which is praised forever. The way towards it is the forgiveness through the blood of Christ.

1:1–3 By the will of God, to the saints who are in Ephesus and the faithful in Christ Jesus. Grace to you and peace from God our Father and the Lord Jesus Christ. Blessed be the God and Father of our Lord Jesus Christ.

Just as regarding the other works of God, so also regarding his own apostleship (Paul) says it is from God, brought about by Christ, because He is the power of God.

(PG 95, 824) 1:3 Who has blessed us in Christ with every spiritual blessing in the heavenly places.

He Himself, [Paul] says, is our blessing; that is, the gift from God in order that we enjoy the spiritual goods. The enjoyment of them is not on earth, since the blessings are also not carnal, but heaven is their eternal place.

1:4–5 Just as He chose us in Him before the foundation of the world to be holy and blameless before Him in love. He destined us for adoption as His children through Jesus Christ.

The grace of the Spirit has manifested itself now, on the one hand, but on the other hand it has existed from the beginning with God, being allotted to the elect, whom He also destined to be assistants of God through the holiness that has been given.

(385) 1:5–6 According to the good pleasure of His will, to the praise of His glorious grace that He freely bestowed on us.

He freely bestowed on us, (Paul) says, having made us into sons by voluntary goodness, not by payment on the basis of our works.

1:6–8 In the Beloved. In Him we have redemption through His blood, the forgiveness of our trespasses, according to the riches of His grace that He lavished on us with all wisdom and insight.

Since the Scriptures say everywhere that He became obedient to the Father until death (Phil. 2:7), and since Christ said: ‘God, my God, why have you left me?’ (Mk. 15:34)—one should not suppose that He truly had been left, as He spoke this kind of words from our perspective—for this reason the divine Scripture proclaims everywhere that He is loved and beloved.

1:9 He has made known to us the mystery of His will.

Only in this way the grace of Christ comes towards us: through knowledge; it is not accommodated to those who are ignorant.

1:9–10 According to His good pleasure that He set forth in Christ as a plan for the fullness of time.

For before the world He was well pleased with this kindness. He destined also a time for it, when He admitted the things that were predestined as a fitting end.

1:10 To gather up all things in Him, things in heaven and things on earth.

Inasmuch as Adam sinned and robbed himself from all these things, renewal happened in Christ. Of which things, then, did he rob himself? While he was uncorrupted, he ended up in corruption, and while he was immortal, he ended up in death and away from (386) paradise, outside of para|dise. (PG 95, 825) God therefore planned to gather up  and to renew [all things]. And on behalf of the following the Only-begotten became a human being: in order to dissolve death, to abolish corruption, and to throw out sin, what indeed has happened when Christ came. The phrase things in heaven means that the angels had great and constant grief because of the fact that the world was sinning and was under a curse. And it is clear on the basis of the Lord’s saying that there is joy in heaven about one sinner who repents (Lk. 15:7). It means, then, that the Lord came and renewed both things on earth and things in heaven. He gave the angels rest from that grief which they were having on account of the corruption of humankind. For he lifted them up towards the previous joy, the one about the people who are saved.

1:11–12 In Him we have also obtained an inheritance, having been destined according to the purpose of Him who accomplishes all things according to the counsel of His will, so that we, who were the first to set our hope on Christ, might live for the praise of His glory.

By being one with Christ, (Paul) says, we are a portion of God.

1:13 In him you also, when you had heard the word of truth, the gospel of your salvation, and had believed in Him, were marked with the seal of the promised Holy Spirit.

(Paul) says: You too belong to those who were known beforehand, being reconciled with Christ through obedience,  through faith after having heard, and through sealing after having come to faith, which is being made like Christ through the participation in the Spirit. From whom else did they hear the word of truth than from John the evangelist? For he proclaimed [the gospel] there. That is why Paul speaks with them in a loftier manner, because they were prepared beforehand by John’s teaching [= Severian of Gabala]. For the man was very lofty in speaking about God.

1:14 Who is the pledge of our inheritance toward redemption as God’s own people, to the praise of His glory.

With pledge (Paul) means the beginning of acquisition. So he says that those who have received the Spirit already have begun to be possessions of Christ and God.

 

De vervloekte Christus (Galaten 3:13)

Gal. 3:13 Maar ​Christus​ ​Jezus​ heeft ons vrijgekocht van deze ​vloek​ door voor ons te worden vervloekt, want er staat geschreven: ‘Vervloekt is ieder mens die aan een paal hangt.’ 14 Zo zouden door hem alle volken delen in de ​zegen​ van ​Abraham​ en zouden wij, zoals ons is beloofd, door het geloof de Geest ontvangen. (NBV)

Wat betekenen de woorden “door voor ons te worden vervloekt”? Door wie werd Christus vervloekt volgens Paulus, wat was daar de reden voor, en hoe ging dat in zijn werk?

In het Grieks staat er γενόμενος ὑπὲρ ἡμῶν κατάρα. Dat is correct vertaald door het NBG, maar als we een stapje terug doen om dichter bij het Grieks te blijven, zou je kunnen vertalen “door voor ons een vloek te worden”. Een parallel kunnen we vinden in het Proto-evangelie van Jakobus 3.1, waar Anna zegt:

Welke moederschoot heeft mij voortgebracht dat ik een vloek ben geworden in de ogen van de Israëlieten en tot een smaad ben geworden en dat ze mij onder spot hebben verjaagd uit de tempel van de Heer?

Dat iemand een vloek wordt, betekent: slachtoffer worden van een vloek of onderworpen worden aan een vloek. In het geval van Anna is dat niet echt zo, maar is dat zo in de ogen van de Israëlieten, en daar draagt ze de werkelijke consequenties van.

In het geval van Jezus Christus wordt hij ook vervloekt, wat door Paulus bewezen wordt door de wet aan te halen: “Vervloekt is ieder mens die aan een paal hangt” (Deut. 21:23). Het eerste wat opvalt, is dat Paulus “door God” weglaat. Dat is niet toevallig, zegt Martinus C. de Boer, wiens Galatians: A Commentary (2011) ik voor het vervolg heb geraadpleegd. Want Paulus volgt ook niet de bewoordingen van de Septuaginta, maar is in zijn woordkeuze duidelijk beïnvloed door Deuteronomium 27:26, dat Paulus eerder aanhaalde:

Gal. 3:10 Maar iedereen die op de wet vertrouwt is vervloekt, want er staat geschreven: ‘Vervloekt is eenieder die niet alles doet wat het ​boek​ van de wet bepaalt.’ (NBV)

Zij zijn “onder een vloek”, en wel “onder de vloek van de wet” (Gal. 3:13a). De wet zelf spreekt die vloek uit, zoals Paulus wil aantonen, maar de wet is zelf ook een vloek, een van de kwade machten die bij deze huidige slechte wereld hoort. (Ja, Paulus is niet erg genuanceerd in deze brief.) Doordat nu Paulus in zijn citaat “Vervloekt is een ieder mens die aan een paal hangt” in zijn woordkeus duidelijk een verbinding legt met de vloek die op ieder mens ligt—want niemand kan aan die vloek ontsnappen—ligt het voor de hand ze in dezelfde zin op te vatten.

Met andere woorden, Jezus Christus werd vervloekt door de wet, omdat de wet vervloekt wie aan een paal hangt. Zo deelde Jezus Christus in het lot van ieder mens. “Een vloek worden” betekent dus hetzelfde als “onderworpen zijn aan de wet” (Gal. 4:4, vgl. 4:4b-5).

Dat Christus vervloekt werd betekent dus, volgens Paulus, niet dat hij in onze plaats vervloekt werd. Nee, Christus deelde ons lot, namelijk de vloek van de slavernij onder de wet, en dat voor ons, omdat hij de vloek overwon door de opstanding en ons zo kon vrijkopen van de vervloekte slavernij onder de wet. God vervloekte Jezus dan ook niet, maar stelde hem juist in het gelijk door de opstanding.

We moeten dus goed in de gaten houden dat Jezus niet zonder meer vervloekt werd, maar dat dat zo was in de ogen van de wet. Omdat de wet hier het onderspit delft, werd deze door Christus buiten werking gesteld, en de boeien van de kwade machten, waaronder de wet, gebroken.

En hoe krijgen we deel aan deze overwinning? Door het geloof, waardoor we één worden met Christus en in zijn dood en opstanding participeren. Zo verandert de vloek van de wet in de zegen van Abraham voor alle volken.

Dit is uiteraard een interpretatie van een uiterst moeilijke tekst, maar wel de meest overtuigende die ik kon vinden.