Wat nut ons de historische Jezus? (3)

[De kerk vereert Christus als de Zoon van God, God uit God, Licht uit Licht. Wat heeft die Christus nog te maken met de mens Jezus uit het begin van onze jaartelling? En wat heeft het te betekenen dat de boodschap over Jezus anders is dan de boodschap van Jezus?
In 2009 publiceerde Dale C. Allison Jr. The Historical Christ and the Theological Jesus (Grand Rapids, Mich.: Eerdmans). Je zou dit boek kunnen zien als de persoonlijke pendant van zijn meesterlijke studie Constructing Jesus (2010). Het biedt een door ervaring gelouterde visie op de relatie tussen historisch onderzoek naar Jezus en het christelijk geloof. In een aantal blogposts wil ik aan de hand van dit boekje nagaan hoe je op doordachte wijze vanuit het christelijk geloof met het onderzoek naar de historische Jezus om zou kunnen gaan.]

§5 Voorbij de dichotomie van feit en fictie

In de laatste aflevering is vastgesteld dat het historisch onderzoek naar Jezus geen kant-en-klaarpakket aan theologie en geloof aflevert. Bovendien blijkt dat er weliswaar wisselwerking is tussen historisch onderzoek aan de ene kant en theologie en geloof aan de andere kant, maar dat deze relatie niet in een vaste formule is te vangen.
In het volgende gedeelte van zijn boek gaat Allison weer terug naar het terrein van het historische onderzoek zelf. Het is vrij duidelijk, zo stelt Allison, dat we in veel opzichten meer weten dan vroeger. De afgelopen eeuw zijn er bijvoorbeeld reuzenstappen gezet in de kennis over de Joodse wereld waarin Jezus gesitueerd moet worden. Anderzijds ziet het er naar uit dat er verschillende historische portretten van Jezus zullen blijven bestaan. Dat komt ook door het simpele feit dat de bronnen en de historisch-kritische methode tekortschieten om, buiten een klein aantal gegevens waarover iedereen het wel eens is, met al te veel zekerheid over de historische Jezus te spreken. Bovendien vindt Allison dat historici niet in staat zijn om precies te beslissen wat Jezus wel en niet gezegd en gedaan heeft. Iets vergelijkbaars zei Annette Merz in haar inaugurele rede in Groningen:
We kunnen wat het leven en de boodschap van Jezus betreft over minder details dan ooit met de wenselijke waarschijnlijkheid overeenstemming bereiken juist omdat er op een aantal gebieden veel vooruitgang bereikt is. We weten dus tegelijk minder en meer. De algehele kennis over Jezus en de vroege Jezusbeweging in hun eerste-eeuwse Joodse context is zonder twijfel toegenomen. Ons vertrouwen in de historische nauwkeurigheid van individuele traditie eenheden is afgenomen en het onderscheid tussen feit en fictie, tussen gebeurtenis, gekleurde herinnering en op basis van authentieke herinneringen vorm gegeven fictieve traditie wordt steeds onduidelijker.
Allison zet zijn kaarten niet op de authenticiteit van dit of dat woord van Jezus, of op de authenticiteit van specifieke gebeurtenissen, maar op de algemene indrukken die steeds terugkeren in de bronnen. Want wat we meestal herinneren zijn de grote lijnen, de algemene strekking, terugkerende patronen. Als voorbeeld somt Allison een reeks teksten op waarin Jezus hoge eisen oplegt aan zijn volgelingen, die zichzelf zouden moeten opofferen. Het doet er niet toe of al deze uitspraken teruggaan op de historische Jezus, maar gezien het terugkerende patroon is het waarschijnlijk dat het stellen van dergelijke opvallend hoge eisen karakteristiek was voor Jezus.
Deze benadering is overigens niet zo nieuw als Allison het doet voorkomen. Wie bijvoorbeeld de publicaties van de Leidse hoogleraar Marinus de Jonge (die onlangs is overleden) kent, weet dat hij al decennia geleden in het voetspoor van weer andere nieuwtestamentici de nadruk legde op dwarsdoorsnedes door het (vroege) bronmateriaal heen.
Allison merkt op dat er weinig hoop is voor de historische betrouwbaarheid van de details, als op het meer algemene niveau, waar de herinnering het minst verandert, de bronnen een ernstig misleidend beeld zouden geven. Wordt dit niet weersproken door het feit dat op bijna elke bladzijde van de evangeliën wonderbaarlijke zaken gebeuren? Nee, want we kunnen redelijkerwijs aannemen dat Jezus de reputatie had dat hij wonderen verrichtte en dat sommigen geloofden dat zij heel bijzondere dingen hadden gezien. Hier geldt hetzelfde als bij Jezus’ woorden: het gaat niet om de authenticiteit van de afzonderlijke daden, maar om het terugkerende patroon.

IX. 3 Then Jesus leaped down from the roof and stood by the body of the child and cried with a loud voice and said: Zeno (for so was his name called), arise and tell me, did I cast thee down? And straightway he arose and said: Nay, Lord, thou didst not cast me down, but didst raise me up. And when they saw it they were amazed: and the parents of the child glorified God for the sign which had come to pass, and worshipped Jesus.

Kindheidsevangelie van Thomas, vert. M.R. James.

§6 Resultaten met consequenties

Na ingegaan te zijn op de te volgen methode, komt Allison te spreken over enkele concrete, onder historici tamelijk onomstreden resultaten van het historische onderzoek die ongemakkelijk kunnen zijn voor de theoloog en de gelovige.
Het eerste voorbeeld betreft de christologie. De bronnen presenteren Jezus enerzijds als een gewoon mens, anderzijds als iemand die tot de goddelijke wereld behoort. De orthodoxe oplossing voor dit gegeven heeft in feite Jezus’ menselijkheid doen verbleken. Dankzij het onderzoek naar de historische Jezus zullen weinig theologen nog overtuigd zijn van de vergezochte traditionele uitleg van de passages in de evangeliën waarin Jezus al te menselijk lijkt, of ondergeschikt aan God. Ook is het lastig voor de traditionele theologie dat de ‘hoge’ manier waarop Jezus over zichzelf spreekt in het evangelie naar Johannes tegenwoordig meestal wordt toegeschreven aan de verbeelding van de johanneïsche gemeente. Men moet er mee zien om te gaan dat het vrijwel uitgesloten is dat Jezus zich volledig bewust was van de goddelijke natuur die hij zou hebben, en dat hij daarover sprak. Aan de andere kant vinden moderne christenen het juist weer vervelend dat Jezus zichzelf waarschijnlijk een belangrijke positie in Gods heilsplan toedichtte.
Het tweede voorbeeld betreft de eschatologie. Ook al proberen sommige nieuwtestamentici en theologen er onderuit te komen, er is geen ontkomen aan: Jezus was een apocalyptische profeet. Hij verwachtte dat deze wereld spoedig ten einde zou komen en het koninkrijk van God zou aanbreken. Wij kunnen dat moeilijk anders verstaan dan als mythologie, als geprojecteerde verwachting. Het effect van zo’n apocalyptische visie was natuurlijk wel dat op de voorgrond trad waar het uiteindelijk om gaat en dat de gebreken van de status quo ontmaskerd werden. Moderne theologen en filosofen hebben dan ook Jezus’ apocalyptische boodschap existentialistisch of fenomenologisch geïnterpreteerd. Herinterpretatie van de apocalyptische verwachting begint overigens al in het Nieuwe Testament.
Het derde voorbeeld betreft de context van Jezus’ woorden. De uitspraken van Jezus in de evangeliën staan in een kunstmatige, literaire context. We weten bijna niets over de concrete situatie waarin bepaalde uitspraken gedaan zijn. Dat is tamelijk frustrerend.
Bovenstaande voorbeelden onderstrepen de vreemdheid van de historische Jezus. In het laatste hoofdstuk van zijn boek laat Allison echter zien dat Jezus ons ook zeer nabij kan komen.  
Advertenties

Wat nut ons de historische Jezus? (2)

[De kerk vereert Christus als de Zoon van God, God uit God, Licht uit Licht. Wat heeft die Christus nog te maken met de mens Jezus uit het begin van onze jaartelling? En wat heeft het te betekenen dat de boodschap over Jezus anders is dan de boodschap van Jezus?

In 2009 publiceerde Dale C. Allison Jr. The Historical Christ and the Theological Jesus (Grand Rapids, Mich.: Eerdmans). Je zou dit boek kunnen zien als de persoonlijke pendant van zijn meesterlijke studie Constructing Jesus (2010). Het biedt een door ervaring gelouterde visie op de relatie tussen historisch onderzoek naar Jezus en het christelijk geloof. In een aantal blogposts wil ik aan de hand van dit boekje nagaan hoe je op doordachte wijze vanuit het christelijk geloof met het onderzoek naar de historische Jezus om zou kunnen gaan.]

§3 Obstakels

Allison stelt dat het historische onderzoek naar Jezus hoe dan ook van belang is voor theologie en geloof. Voordat hij het daar over gaat hebben, noemt hij drie obstakels voor de theologische bruikbaarheid van het historische onderzoek naar Jezus.

(1) Er zijn meerdere historische Jezussen.  Weliswaar zijn er een paar — relatief saaie — basisgegevens die iedereen voor historisch houdt, maar al snel gaan de hypothesen uiteenlopen. Dat is voor een onderwerp uit de geesteswetenschappen niet verrassend. Maar we zullen dus, net als in de meeste vakgebieden, onze weg moeten vinden door het eens te zijn met sommigen, en niet met anderen. Maar hoe bepaal je als (relatieve) buitenstaander welke stemmen de moeite waard zijn om naar te luisteren?

(2) Er bestaat geen zuiver historische reconstructie van de historische Jezus. Zoals in elk historisch onderzoek speelt standplaats­­­gebondenheid onontkoombaar een rol. John Dominic Crossan gebruikt in dit kader de term interactivism, waarmee hij bedoelt dat de onderzoeker een zo eerlijk mogelijke dialectiek moet creëren tussen heden en verleden. Niettemin zijn er volgens Allison zorgwekkende verbanden te bespeuren tussen ideologische voorkeuren en de historische Jezus van dienst, bijvoorbeeld bij de liberale Robert Funk (Jesus Seminar) en de tamelijk conservatief-christelijke N.T. Wright. In de praktijk kiezen theologen meestal de historische Jezus van historici met wie ze ideologische affiniteit hebben.

De Nederlandse theoloog en patristicus Eginhard Meijering adviseert in zijn interessante boekje Wie is Jezus Christus? (2010) aan theologen zich niet als historici op te stellen, maar slechts de consequenties van de verschillende hypothesen te doordenken. Maar ook Meijering moet een keuze maken welke hypothesen hij serieus wil doordenken en welke niet. Het prijzenswaardige aan Meijerings opzet is dat hij voor zijn theologische betoog een hypothese als uitgangspunt neemt die hem persoonlijk niet het waarschijnlijkste lijkt en die het hem theologisch dan ook iets lastiger maakt.

(3) Het is onmogelijk de historische Jezus los te pellen uit de vroege bronnen. Wie iemand is en wat iemand betekent kan niet losgemaakt worden van wat anderen over die persoon denken en in die persoon zien. Het is daarom weinig zinvol een hard onderscheid te maken tussen wat ‘authentiek’ is aan het beeld van Jezus in de bronnen en wat latere ‘kerkelijke’ ontwikkeling. Tussen de vroege bronnen en Jezus bestaat ook een dialectiek: alles wat over Jezus gezegd wordt raakt aan christelijke belangen, maar wat de bronnen zeggen heeft tegelijk de historische Jezus als een van de oorzaken. De “unchurched Jesus” bestaat niet.

Kortom, de historische Jezus is niet keurig los te pellen uit de bronnen, is altijd het product van hermeneutische interactie tussen meerdere conceptuele horizonten en is daarom ook niet in één handzame uitvoering beschikbaar.


IX. 1 Now after certain days Jesus was playing in the upper story of a certain house, and one of the young children that played with him fell down from the house and died. And the other children when they saw it fled, and Jesus remained alone. 2 And the parents of him that was dead came and accused him that he had cast him down. (And Jesus said: I did not cast him down) but they reviled him still.

Kindheidsevangelie van Thomas, vert. M.R. James.


§4 Invloed van historisch onderzoek op theologie en geloof

Naast het feit dat het historisch onderzoek naar Jezus geen kant-en-klaarpakket aan theologie en geloof aflevert, is bovendien de vraag aan de orde in hoeverre historisch onderzoek daarop invloed kan hebben.

De eerste vraag die Allison stelt, is: hoeveel geschiedenis heeft de theologie of het geloof nodig? Hij maakt daarbij wel de aantekening, dat de gestelde vraag eigenlijk aan de verkeerde kant begint. De vraag mag immers het aanbod niet bepalen. Theologie en geloof hebben zich maar aan te passen aan hoeveel geschiedenis historici eigenlijk kunnen leveren. Desalniettemin: het blijkt afhankelijk van je vooronderstellingen hoeveel geschiedenis nodig is voor het geloof. Die vooronderstellingen hoeven natuurlijk niet dogmatisch vast te liggen. Terwijl fundamentalisten alles voor historisch houden, zijn voor velen bepaalde delen van de Bijbel wel waar of waardevol maar niet waar gebeurd. Of omgekeerd: juist niet waardevol en wel waar gebeurd. De betekenis van de Bijbel blijkt dus niet rechtstreeks afhankelijk te zijn van de historiciteit van gebeurtenissen. Maar er is wel degelijk een verband tussen ‘historisch waar’ en ‘betekenisvol’. De Rooms-katholieken hebben bijvoorbeeld de fictieve Catharina van Alexandrië van de heiligenkalender afgevoerd.

Een andere vraag is, of historisch onderzoek de enige manier is om Jezus ‘echt’ te leren kennen. Zoals al duidelijk is vanaf de eerste paragraaf van deze reeks, is de historische Jezus, in welke uitvoering dan ook, iets anders dan de ‘echte’ Jezus. Allison stelt dat historisch onderzoek naar Jezus in elk geval het kerkelijke lezen van de Bijbel en de kerkelijke Christus niet kan vervangen, alsof het Evangelie naar Marcus overbodig wordt als we weten ‘hoe het echt zit’. In die kerkelijke context is immers van belang hoe Jezus Christus van betekenis kan zijn in het geloof. Het historische en letterkundige onderzoek legt daarbij gewicht in de schaal. In positieve zin kan dat een fris perspectief bieden, maar aan de andere kant functioneert dit onderzoek als een waakhond. Je kunt via het geloof en zonder historisch-kritische onderbouwing niet opeens dingen beweren die direct ingaan tegen conclusies die op een historisch-kritische manier bereikt zijn.

Jezus, zo stelt Allison, kunnen we leren kennen door de oude teksten, de kerkelijke traditie, de cultuur, en ontmoetingen met de (volgens christenen) levende Jezus zelf. Is het daarbij een probleem dat we zo kennismaken met verschillende Jezussen?  Volgens Allison is een veelheid van portretten, juist bij zo’n belangrijk figuur, precies wat we zouden verwachten. Iemands identiteit ligt in the eye of the beholder. Religieuze ontmoetingen met Jezus of het appel dat Jezus op mensen doet, kunnen vanuit een historisch perspectief worden beschouwd als deel van zijn Wirkungsgeschichte. Vanuit christelijk perspectief kan de goddelijke werkelijkheid in Jezus niet worden beperkt tot zijn aardse leven: die kan zelfs actief zijn bij mensen die geen notie van Jezus hebben.

Tot zover enkele complicerende en relativerende observaties aan de hand van Allisons boek. De vraag is nu, hoe Allison verder gaat.

Wat nut ons de historische Jezus? (1)

De kerk vereert Christus als de Zoon van God, God uit God, Licht uit Licht. Wat heeft die Christus nog te maken met de mens Jezus uit het begin van onze jaartelling? En wat heeft het te betekenen dat de boodschap over Jezus anders is dan de boodschap van Jezus?

In 2009 publiceerde Dale C. Allison Jr. The Historical Christ and the Theological Jesus (Grand Rapids, Mich.: Eerdmans). Je zou dit boek kunnen zien als de persoonlijke pendant van zijn meesterlijke studie Constructing Jesus (2010). Het biedt een door ervaring gelouterde visie op de relatie tussen historisch onderzoek naar Jezus en het christelijk geloof. In een aantal blogposts wil ik aan de hand van dit boekje nagaan hoe je op doordachte wijze vanuit het christelijk geloof met het onderzoek naar de historische Jezus om zou kunnen gaan.

§1 Het historische aan de historische Jezus

Even heel kort: de ‘historische Jezus’ is een door historici geconstrueerde hypothese die op historisch-kritisch verantwoorde wijze het leven van Jezus van Nazaret wil beschrijven. De historische Jezus is dus iets anders dan de ‘echte’ Jezus. Zoals bij zoveel mensen uit de oudheid—van de meesten weten we (vrijwel) niets—is het slechts mogelijk een aantal aspecten van zijn leven met enige mate van zekerheid te belichten. De hoop en de claim van historici is uiteraard dat hun historische Jezus iets zegt over de ‘echte’ Jezus.


XIV. 1 But when Joseph saw the understanding of the child, and his age, that it was coming to the full, he thought with himself again that he should not be ignorant of letters; and he took him and delivered him to another teacher. And the teacher said unto Joseph: First will I teach him the Greek letters, and after that the Hebrew. For the teacher knew the skill of the child and was afraid of him: notwithstanding he wrote the alphabet and Jesus pondered thereon a long time and answered him not. 2 And Jesus said to him: If thou be indeed a teacher and if thou knowest letters well, tell me the power of the Alpha and then will I tell thee the power of the Beta. And the teacher was provoked and smote him on the head. And the young child was hurt and cursed him, and straightway he fainted and fell to the ground on his face. 3 And the child returned unto the house of Joseph: and Joseph was grieved and commanded his mother, saying: Let him not forth without the door, for all they die that provoke him to wrath.

Kindheidsevangelie van Thomas, vert. M.R. James.


§2 Theologische reacties

Dat er historisch onderzoek gedaan wordt naar Jezus van Nazaret is een gegeven. Vaak (niet altijd) is dat historische onderzoek ingebed in een bredere theologische setting. Als je het nog breder trekt, is het natuurlijk zo dat historisch onderzoek nooit ‘neutraal’ is. Dit tekent het spanningsveld: enerzijds gaat het om historisch onderzoek met historische methoden, anderzijds staan er ook (anti-)theologische belangen op het spel, zeker als het om Jezus Christus gaat. Dit valt nooit helemaal los van elkaar te zien.

Vanuit de christelijk theologie zijn er grosso modo drie reacties gekomen op het onderzoek naar de historische Jezus. Sommige onderzoekers hebben beweerd dat hun historische Jezus aantoont dat de traditionele geloofs­­­overtuigingen over Jezus Christus obsoleet zijn. Traditionelere theologen hebben gezegd dat de menswording van God christenen verplicht te vragen naar het historische leven van Jezus met behulp van historische methoden. Andere theologen hebben juist gezegd dat het evangelie niet kan rusten op de voorlopige oordelen van het historische onderzoek, met als gevolg dat zij dit grotendeels negeren.

In al deze reacties zit wel iets. Dat er door dit onderzoek vraagtekens komen te staan bij bepaalde aspecten van het traditionele geloof, valt niet te ontkennen. En dat vanuit de traditionele theologie gezien de geschiedenis theologisch van belang is, lijkt mij onomstreden. Maar het is ook zo dat het christelijk geloof iets anders is dan geloven dat x of y echt gebeurd is. Allison stelt dat het historische onderzoek naar Jezus hoe dan ook belangrijk is voor theologie en geloof. Dit blijkt alleen al uit het feit dat dit onderzoek de afgelopen anderhalve eeuw het theologische landschap grondig heeft veranderd.

Wie kennisgenomen heeft van het onderzoek naar de historische Jezus en niet hardnekkig wil volharden in oude waarheden—terug naar onwetendheid kan niet meer—moet dit onderzoek ook theologisch, vanuit (on)gelovig perspectief, een plek geven. Want het is uiteindelijk een verrijking, al is het niet altijd een comfortabele verrijking.  Allison: “The unexamined Christ is not worth having” (blz. 5).

‘Abba’, en de overheid volgens Paulus: twee blogs

Net voor Vaderdag verscheen er een blog van collega Matthijs de Jong over de vraag of ‘abba’ werkelijk ‘pappa’ betekent. Lees hier het antwoord.

Naar aanleiding van de uitspraken van Jeff Sessions blogde Joris Verheijen op de Mainzer Beobachter over de betekenis van Paulus’ opmerkingen over de overheid in Romeinen 13. Hij legt goed uit dat het stompzinnig is die passage te lezen als een verheerlijking van de heersende macht. Maar de ironische, geheime subtekst die hij er vervolgens aan de hand van enkele moderne interpretaties in wil lezen, gaat er bij mij niet in. Er is namelijk het methodische probleem dat je dan overal wel ironie in kunt zien als gemakkelijke uitweg voor een weerbarstige tekst. En er zijn parallellen in de Joodse literatuur waar de aardse machthebbers tegelijk door God zijn aangesteld en ook tot de ondergang gedoemd zijn. Bovendien neemt Paulus nergens een blad voor de mond (parrhêsia), dus de gedachte dat hij zich op dit punt in zou houden vind ik niet overtuigend. Ik volg dus liever iemand als J. Albert Harrill, Paul the Apostle (2012), die tegengas geeft tegen de anti-imperialistische duiding van Paulus.

Zelf ben ik bezig met één of meerdere blogposts over het nut van de historische Jezus voor theologie en geloof, naar aanleiding van een boekje van Dale C. Allison Jr. Ik hoop die ergens in de komende weken te gaan publiceren.

Κυρήνιος en de uitspraak van het Grieks

In Lucas 2:2 noemt de schrijver van het derde evangelie de legatus Augusti pro praetore van de provincie Syria: Κυρήνιος. Deze naam is in de Nieuwe Bijbelvertaling weergegeven als Quirinius. Dat is een historisch correcte weergave van de Latijnse naam van Publius Sulpicius Quirinius. In een vertaling als de (Herziene) Statenvertaling kiest men voor een Latijnse transliteratie: Cyrenius. Als dat ook nog eens op z’n Nederlands wordt uitgesproken, zijn we een eind verwijderd van de oorspronkelijke naam: Quĭrīnius.

De Griekse weergave valt goed te verklaren als we ervan uitgaan dat de υ in de tijd dat Lucas schreef al aan het verdunnen was of verdund was naar een korte i-klank en dat de η klonk als een naar een ‘ie’ toe verkleurde ‘ee’. Dan is Κυρήνιος (spreek ongeveer uit als ‘Kiríenios’) immers een prima weergave van Quĭrīnius.

Een vergelijkbaar geval is Δαυίδ, waar de αυ-klank staat voor ‘av’.

Is het in het licht van het bovenstaande niet beter aan te nemen dat het Grieks van het Nieuwe Testament vrij dicht bij de uitspraak van het moderne Grieks staat? En dat de kunstmatige Erasmiaanse uitspraak daar veel verder vanaf staat, helemaal als we diens klemtoonregels erbij nemen? En dat het dus beter is de Erasmiaanse uitspraak in de ban te doen? Dat is in elk geval wat de nieuwtestamenticus Chrys C. Caragounis betoogt in zijn boek uit 2012 (The Development of Greek and the New Testament: Morphology, Syntax, Phonology, and Textual Transmission). Ik vind zijn betoog best wel overtuigend.

Een indruk van de moderne Griekse uitspraak valt te beluisteren in het volgende filmpje (helaas met Textus Receptus):