Nieuwe publicatie: ‘Welk Nieuwe Testament?’ in Met Andere Woorden

maw-voorkant-16-3-4Ik sprak onlangs een van mijn voormalige docenten, die, enigszins schertsend, beweerde dat het Nederlands Bijbelgenootschap de enige organisatie in Nederland is die de bijbelwetenschap ter harte neemt. Dat zou best wel eens kunnen kloppen. Net als de Duitse evenknie van het NBG met de website bibelwissenschaft.de timmert het NBG bovendien behoorlijk aan de weg met de website debijbel.nl, die niet alleen de Bijbel (in de brontekst en vele vertalingen) aanbiedt, maar ook allerlei achtergrondinformatie.

Ook geeft het NBG een kwartaaltijdschrift uit over vertalen, Met Andere Woorden. Dit tijdschrift is online te vinden, zie hier. Daar is het jongst verschenen themanummer te vinden, met daarin een bijdrage van mijn hand. Het nummer is gewijd aan de bronteksten van de Bijbel en tekstkritiek. De vraag is: waar staan we qua tekstonderzoek vijfhonderd jaar na Erasmus?

Mijn eigen bijdrage gaat over de vraag welke verschillen er optreden in vertalingen als voor een andere Griekse editie van het Nieuwe Testament gekozen wordt. Je zou immers denken dat vertalingen ‘gewoon’ de nieuwste versie van het Novum Testamentum Graece en daarmee de Editio Critica Maior, beide uitgegeven door het onvolprezen Institut für neutestamentliche Textforschung te Münster, zouden volgen. Niets is minder waar. De Naardense bijbelvertaling bijvoorbeeld heeft voor een achterhaalde versie gekozen (in de jongste drukken zijn er alleen selectief teksten veranderd op basis van de 28e editie van Nestle-Aland). De Herziene Statenvertaling maakt het helemaal bont door honderden jaren tekstonderzoek links te laten liggen. Dat heeft natuurlijk gevolgen voor wat er uiteindelijk in een vertaling komt te staan. Ook geef ik kritiek op de manier waarop in de Nieuwe Bijbelvertaling tekstkritische informatie wordt gepresenteerd.

‘Welk Nieuwe Testament? De Nieuwe Bijbelvertaling, de Herziene Statenvertaling en de bronteksten van het Nieuwe Testament’, Met Andere Woorden 35.3&4 (2016) 96–105 (hier online).

Intermezzo: methodologie en interpolaties in Paulus’ brieven

De serie over Paulus en Jezus gaat gestaag door: meestal schrijf ik een klein stukje in het weekend totdat ik weer een enigszins publicabele blogpost heb. De volgende aflevering zal gaan over spreuken van Jezus in de brieven van Paulus en dan volgen nog één of meer afleveringen over de conclusies die we kunnen trekken.

Deze blogpost komt er even tussendoor, omdat ik de kwestie van interpolaties in Paulus’ brieven een te interessant onderwerp vind om helemaal te laten liggen. Naar aanleiding van de laatste blogpost kreeg ik namelijk reacties over de tekstuele basis van mijn uiteenzetting over wat Paulus over het aardse leven van Jezus weet te vertellen. Zijn alle gebruikte passages wel echt van Paulus? Omdat ik denk dat er geen werkelijk problematische gevallen tussen zitten, vond ik het niet nodig in te gaan op de vraag of alles in de onbetwiste brieven van Paulus ook als tekst van Paulus zelf kan gelden. Toch komt die vraag steeds weer naar voren. Daarom lijkt het mij nuttig nog eens uit te leggen welke methodische afwegingen hierbij een rol spelen.

De beste wetenschappelijke handeditie van het Nieuwe Testament is de 28e editie van het Novum Testamentum Graecum (Nestle-Aland: NA28) – die overigens net over de Duits-Nederlandse grens in Münster wordt geproduceerd. In de afdeling van de katholieke brieven is NA28 reeds gebaseerd op de Editio Critica Maior, de grote kritische editie die voor het eerst al het bestaande materiaal verwerkt. De tekst van NA28 is een eclectische tekst. Dat wil zeggen dat tekstcritici deze tekst hebben samengesteld op basis van de beschikbare handschriften en dat de editie dus aan geen van deze handschriften identiek is. De zo ontstane tekst is een hypothese voor de tekst die ten grondslag ligt aan de ons bekende overlevering. Die hypothese is niet altijd gemakkelijk op te stellen: niet elke variant die in de hoofdtekst is gekozen, is met dezelfde zekerheid omkleed. Bij De brief aan de Galaten bijvoorbeeld noteert de tekstuele commentaar van Bruce Metzger twaalf plaatsen waar het tekstkritische comité meende dat de tekst niet helemaal zeker is.

Een andere manier om de rafelrand van onzekerheid van de tekst van deze brief te evalueren, is het bekijken van een andere editie. Toevallig is er recent een nieuwe studie naar deze tekst gedaan door Stephen C. Carlson (Tübingen 2015). Met behulp van de computer en de biologische methode van cladistiek komt hij uit bij een tekst die op twaalf plaatsen afwijkt van NA28. Dit zijn, ook inhoudelijk, geen dramatische verschillen. Tekstkritische arbeid levert dus een betrouwbare tekst op.

Om dit nog wat inzichtelijker te maken, ga ik in op het voorbeeld van De brief van Jakobus. Deze brief heeft namelijk in NA28 al een nieuwe tekst gekregen op basis van de Editio Critica Maior (ECM). Bovendien zijn bij deze tekst de gegevens van de op coherentie gebaseerde genealogische methode (CBGM) online beschikbaar. De brief van Jakobus heeft, afhankelijk van de gebruikte editie, tegen de 1750 woorden. In Metzgers commentaar (die in de tweede editie betrekking heeft op NA27) worden zestien plaatsen besproken waar de tekst van deze brief volgens het comité niet helemaal zeker is. Afgezet tegen het aantal woorden is dat minder dan 1%. (Deze en volgende berekeningen zijn overigens slechts bedoeld om een indruk te krijgen, niet om heel precieze data te genereren.)

De tekst van deze brief telt volgens de ECM 753 variante tekstplaatsen. Wanneer dit wordt afgezet tegen het aantal woorden, betekent dit dat ruwweg 57% van de tekst in alle teksten die in de berekening zijn meegenomen, overeenkomt. Maar hierbij moet wel bedacht worden, dat in verreweg de meeste gevallen de varianten betekenisloos en/of gemakkelijk te herkennen zijn als corrupties. Ook heeft natuurlijk niet elk handschrift op al deze plaatsen een variant ten opzichte van de (hypothetische) initiële tekst. Deze initiële tekst (dus de hoofdtekst in ECM/NA28) heeft in de CBGM 151 potentiële afstammelingen (kleine fragmenten en de meeste elimineerbare handschriften zijn hierbij niet meegenomen). De teksten onderaan deze lijst, meestal in jonge handschriften, hebben gemiddeld rond de honderd varianten ten opzichte van de initiële tekst: dat is dus, afgezet tegen het aantal woorden, ongeveer 84% overeenkomst. De eerste potentiële afstammeling, de tekst in de Codex Vaticanus, heeft 24 afwijkingen ten opzichte van de initiële tekst. Dus de beste overgeleverde tekst voor De brief van Jakobus komt, als het aantal variante plaatsen wordt afgezet tegen het aantal woorden, voor ruim 98% overeen met de initiële tekst.

Met deze indicaties valt duidelijk te maken dat tekstcorruptie doorgaans niet betekent dat een handschrift van deze brief niet meer als zodanig te herkennen is. Bij een willekeurig woord in een handschrift is de kans dat deze overeenkomt met de initiële tekst veel groter dan het tegendeel. Je zou niet anders hoeven te verwachten, want de meeste kopiisten hebben immers de intentie een zo getrouw mogelijke kopie te maken.

De hypothetische initiële tekst van De brief aan de Galaten is de tekst die aan het begin staat van de ons bekende overlevering. Dit betekent niet automatisch dat dit de originele tekst is. Maar er kan wel een terminus ante quem opgesteld worden, de jongst mogelijke datering. Gezien de verspreiding in de handschriften, vroege vertalingen en de vroegchristelijke schrijvers, kan de initiële tekst gedateerd worden in uiterlijk de vroege tweede eeuw. Het zou kunnen dat de initiële tekst wel samenvalt met de tekst die Paulus in de jaren vijftig naar de Galaten stuurde. Maar in het slechtste geval moeten we nog een kleine eeuw overbruggen. Er is dan geen bewijs voor de lotgevallen van de tekst tussen Paulus’ tijd en de vroege tweede eeuw.

Aan de andere kant is het niet geheel onredelijk om de graad van corruptie tussen de initiële tekst en de vroegste handschriften op deze periode te projecteren. In het geval van De brief van Jakobus valt daar een indicatie van te geven. Als we aannemen dat de initiële tekst uit de tweede eeuw stamt, is er een gat van twee tot drie eeuwen tot de vroegste handschriften. Deze komen voor 97% tot ruim 98% overeen met de initiële tekst (Vaticanus: ruim 98%; Sinaiticus: 97%; Ephraemi Rescriptus: 98%; berekend als boven). De gegevens voor De brief aan de Galaten zullen hier niet veel van verschillen. Het is daarom een alleszins redelijke gedachte, dat, mocht er inderdaad, zoals het slechtste scenario voorschrijft, een kleine eeuw tussen Paulus’ tekst en de initiële tekst zitten, we een mate aan tekstcorruptie van ongeveer 1% zouden kunnen verwachten. Nogmaals: dit is slechts een indicatie op basis van bepaalde veronderstellingen. Het zou zomaar kunnen dat er een slechte kopiist of een overijverige redacteur tussen zat. Niettemin is de vroegst reconstrueerbare tekst een stilistisch en inhoudelijk samenhangend geheel. Daarom is het mogelijk te stellen dat de kans dat een willekeurig woord in de initiële tekst van de brieven van Paulus overeenkomt met de brief die Paulus daadwerkelijk stuurde, veel groter is dan het tegendeel. 

Er is geen garantie dat de initiële tekst van de brieven van Paulus overeenkomt met de brief die Paulus daadwerkelijk stuurde. Daarom zijn er wel conjecturen (gissingen) gedaan die de tekst zouden moeten emenderen (verbeteren). Ook zijn er vaak vermoedens geuit dat er latere interpolaties (inlassingen) in de brieven van Paulus zijn te vinden. De meeste van deze voorstellen zijn door tekstcritici verworpen. Maar het centrale methodologische punt is, dat de bewijslast ligt bij degene die een tekstverbetering wil voorstellen zonder steun in de tekstgetuigen. Dit volgt immers uit de constatering dat het a priori veel waarschijnlijker is dat een willekeurige passage in de initiële tekst overeenkomt met wat Paulus daadwerkelijk schreef of dicteerde.

Welnu, een passage die in de reactie op de vorige blogpost werd aangewezen als mogelijke interpolatie, is Gal. 1,18-20, waarin de “broer van de Heer” Jakobus voorkomt. Het waarschijnlijk niet toevallig dat een huidige voorstander van een interpolatiehypothese bij deze plaats de mythicist Robert Price is. Welke argumenten voert hij hiervoor aan? Volgens hem kende Tertullianus deze passage niet, omdat hij die anders in Adversus Marcionem 5,3 wel gebruikt zou hebben. Dat is een merkwaardig argument, om meerdere redenen. De eerste is dat Tertullianus de passage wel degelijk kende, wat blijkt uit De praescriptione haereticorum 23. De tweede reden is dat het een argumentum e silentio is, wat alleen geen drogreden is als onderbouwd kan worden dat de stilte betekenisvol is. Kan dat hier? Nou nee. Dat Tertullianus in Adv. Marc. 5,3 geen melding maakt van Paulus’ eerste bezoek aan Jeruzalem, zou betekenisvol kunnen zijn als hij bijvoorbeeld het aantal bezoeken aan Jeruzalem van Paulus had besproken. Maar dat is niet het geval. Het gaat Tertullianus erom dat Paulus dezelfde schepper-god verkondigde als de apostelen in Jeruzalem. Dat valt genoegzaam aan te tonen met Paulus’ tweede bezoek in Jeruzalem (Gal. 2,1-10). Bovendien bespreekt Tertullianus De brief aan de Galaten niet vers voor vers. Hij is in discussie met Marcion, die deze brief vooraan plaatste in zijn sterk geredigeerde editie van het Nieuwe Testament. Tertullianus wil hem op zijn eigen editie vangen. Het zou daarom kunnen dat Marcions editie Gal. 1,18-24 miste.

Er is dus vermoedelijk een tekstgetuige waarin Gal. 1,18-24 ontbreekt: niet Tertullianus, maar Marcions editie. Maar deze vermoedelijke variant is voor ons doel niet interessant, omdat het veel waarschijnlijker is dat Marcion deze passage gewoon geschrapt heeft — om maar even een open deur in te trappen. De tekstoverlevering van De brief aan de Galaten geeft dus geen aanleiding om Gal. 1,18-24 uit de initiële tekst weg te laten. Dan zijn we weer terug bij af. En is het dus methodisch het beste om uit te gaan van de authenticiteit van Gal. 1,18-24, tenzij iemand met zwaarwegende argumenten de weegschaal naar de andere kant doet uitslaan. Een criterium voor het overwegen van een interpolatie is dat de tekst zoals die in de handschriften te vinden is,  niet meer als tekst van Paulus valt te begrijpen. Een interpolatiehypothese kan dus alleen een laatste toevlucht zijn.

[Update 30 juli 2015: leesbaarheid verbeterd.]

De status van de tekst van het Nieuwe Testament

P. Oxy. 4449

Eén van mijn onderzoeksinteresses is tekstkritiek, in het bijzonder die van het Nieuwe Testament. Niet alleen is dit vakgebied uitzonderlijk binnen het bredere veld van de tekstkritiek van antieke teksten — de zegen en de vloek van een overvloed aan handschriften — maar ook daarbuiten, omdat het met enige regelmaat gekaapt wordt voor een ideologisch debat. Aan de ene kant spant men de tekstkritiek voor het karretje van het verdedigen van de onfeilbaarheid van de Bijbel, maar aan de andere kant dient zij als de eerste stok om de christenhond te slaan, wil deze wagen het woord ‘Bijbel’ te prevelen. Bij al dit wapengekletter zou je bijna vergeten dat tekstkritiek de methodische bestudering van de overleveringsgeschiedenis is — een monnikenwerk dat al snel overschreeuwd wordt door gemakkelijke, half geïnformeerde leuzen.

Wat is, zuiver tekstkritisch gezien, de status van de beste kritische tekst van het Nieuwe Testament, Nestle-Aland editie 28 (NA28) en de Editio Critica Maior (ECM)? Ik zal proberen in het onderstaande hiervan in grote lijnen een evenwichtig beeld te geven.

Van antieke teksten in het algemeen geldt dat ze bewaard zijn in handschriften uit de (late) middeleeuwen en de renaissance, als ze de flessenhals van de late oudheid en de vroege middeleeuwen hebben overleefd. Doordat er meestal maar enkele handschriften per geschrift zijn, is het doorgaans mogelijk een stemma op te stellen en het handschrift waar alle overgeleverde handschriften van afstammen (het archetype), te reconstrueren. Niet zelden zit er dan nog een gat van enkele eeuwen tussen het archetype en het ontstaan van een geschrift. Vandaar dat het voor de filoloog noodzakelijk is het archetype voor zover mogelijk te emenderen en te zuiveren van corrupties.

Bij het Nieuwe Testament ligt de zaak methodisch hetzelfde, maar is de verdeling van het materiaal anders. Ook hier geldt dat de bulk van de handschriften uit de latere middeleeuwen stamt, maar de eerste complete teksten van NT-geschriften stammen al uit de derde eeuw. Vanwege veelvuldige contaminatie en kennelijke kopieerdrift is het onmogelijk een eenvoudige stamboom op te zetten tussen de bekende handschriften. Vandaar dat bij het NT niet wordt gesproken over het archetype, maar van de Ausgangstext (initial text). Dat wil zeggen: de tekst die aan het begin van de bekende overlevering staat.

Het is een beginnersfout deze initiële tekst te dateren naar het vroegste handschrift van een bepaald geschrift (geschrift, want de NT-geschriften werden eerst afzonderlijk of in corpora overgeleverd). Als we bijvoorbeeld kijken naar de waarschijnlijk vroegste bewaard gebleven verzameling van de brieven van Paulus, Papyrus 46, dan blijkt dat deze tekst al conflaties bevat (bijv. in Fil. 1:11) en dat andere handschriften niet van dit handschrift afstammen. Dat betekent dat er vanzelfsprekend ook al een overleveringsgeschiedenis aan de oudste handschriften is vooraf gegaan. Vanaf de tweede eeuw komen daarnaast de citaten in de vroegchristelijke schrijvers en de vroege vertalingen. Als je die puzzelstukjes bij elkaar legt, dan is voor het grootste deel van het Nieuwe Testament de tekst die alle latere varianten verklaart (de Ausgangstext), redelijkerwijs in de tweede eeuw te dateren.

Omdat het gat tussen de vroegst reconstrueerbare tekst en het ontstaan van de geschriften van het NT relatief zo gering is, ziet men bij de nieuwtestamentische tekstkritiek meestal af van conjecturen (gissingen zonder basis in de handschriften). In de begintijd van de moderne tekstkritiek, toen er voornamelijk late handschriften bekend waren, was conjecturaalkritiek nog een noodzakelijk middel. Het blijkt dat vele conjecturen bevestigd zijn door latere handschriftvondsten — maar andere gissingen ook weer niet. De algemene tendens in de tekstkritiek om de overgeleverde tekst te respecteren, geldt eens te meer voor de situatie van de tekst van het NT.

Maar laten we voor het gemak aannemen dat NA28/ECM de NT-tekst representeert zoals die er op enig moment in de tweede eeuw uit zag. Wat is de verhouding tussen deze Ausgangstext en de tekst zoals die voor het eerst in omloop kwam (de ‘oorspronkelijke’ tekst)? Hier is een vergelijking met andere klassieke teksten verhelderend. Als we de Griekse tekst van Plato’s dialogen lezen, doen we meestal alsof we inderdaad de tekst van Plato lezen. Is dit gerechtvaardigd? Ja, want zelfs met inachtneming van problematische passages en tekstuele problemen is zo’n tekst onmiskenbaar van Plato. Daarbij komt de hardnekkigheid (Tenazität) die de overlevering van de meeste teksten, inclusief die van het NT, kenmerkt. Voor vrijwel alle kopiisten geldt dat ze kopieën afleveren die vrijwel identiek zijn met de moederkopie. (Daarom overleven sommige fouten heel lang, tegen de dominante traditie in.) De kans dat een willekeurige zin of een willekeurig woord in een tekst van Plato van Plato zelf is, is dus a priori veel groter dan het tegendeel. Dat betekent dat na de tekstkritische arbeid de bewijslast bij diegene ligt die wil beweren dat iets in de tekst gecorrumpeerd of vervalst is.

Wanneer we dus een hypothese op willen stellen over de geschiedenis van de NT-tekst tussen de ‘originelen’ en de Ausgangstext, is er geen plaats voor amethodische scepsis of een misplaatst beroep op Ockhams scheermes. De meest economische aanname met het oog op de overschrijfpraktijk is namelijk dat tussen de Ausgangstext en de ‘oorspronkelijke’ tekst niets ongebruikelijks is gebeurd. Dus is de Ausgangstext nagenoeg identiek met de teksten zoals deze voor het eerst in omloop raakten. De ECM is daarom, zoals de uitgevers claimen, de beste hypothese voor de oorspronkelijke tekst. Dit geldt voorlopig ook van de delen van NA28 waarvoor de ECM nog niet beschikbaar is. Als we bijvoorbeeld Paulus’ brief aan Filemon lezen, kunnen we er met een kleine slag om de arm a priori van uitgaan dat we inderdaad Paulus’ woorden lezen. De bewijslast ligt bij degene die iets anders wil beweren.

‘Oudste Thorarol gevonden’: de berichtgeving

Universiteit van Bologna (Wikimedia Commons)

De NOS en de BBC berichtten gisteren dat in Italië ’s werelds oudste complete Thorarol zou zijn gevonden. De rol zou vroeger verkeerd zijn gedateerd, maar eigenlijk uit de 12e/13e eeuw stammen.

De NOS liet het woord ‘complete’ weg, maar dat is een cruciaal detail. Natuurlijk zijn er snippers en fragmenten van oudere rollen bewaard gebleven, maar deze rol uit de bibliotheek van Bologna zou dan de oudste complete rol zijn.

De BBC citeert Mauro Perani met de woorden: “This would make it the oldest complete text of the Torah known to exist.” Dat is vermoedelijk een verkeerde interpretatie van Perani’s woorden. Want de beroemde Codex Leningradensis (de basis van de Biblia Hebraica Stuttgartensia) uit 1008 na Chr. heeft ook een complete Thoratekst. Cruciaal voor de Bolognese vondst is het woord rol. Er is immers ten minste één codex (een in boekvorm ingebonden handschrift) van de complete tekst van de Thora die ouder is.

Desalniettemin is de vondst, als de datering klopt, vrijwel zeker van groot belang voor de tekstgeschiedenis van de Hebreeuwse Bijbel. Naast toppers als de Codex Leningradensis en de Codex Aleppo zou er immers een derde belangrijke getuige voor de Masoretische tekst bij komen.

Het Nieuwe Testament opnieuw uitgegeven (Nestle-Aland 28)

Vandaag was ik in Amsterdam, waar tijdens het symposium The Text of the New Testament Today van het Amsterdam Centre of New Testament Studies (ACNTS), naast dat er een aantal lezingen waren over de geschiedenis van conjecturen, de nieuwe editie van het Novum Testamentum Graece werd gepresenteerd. Ter ere van de tachtigste verjaardag van prof.em. Tj. Baarda was een delegatie van het Institut für Neutestamentliche Textforschung (INTF) uit Münster afgereisd met niemand minder dan Klaus Wachtel en Barbara Aland. De nieuwe achtentwintigste uitgave van Nestle-Aland heeft een eigen website waar men onder meer de kale tekst van dit Griekse Nieuwe Testament kan raadplegen.

De publicatie van een papyrussnipper met, naar nu blijkt, waarschijnlijk een vervalste tekst, mag dan kortstondig de krantenkoppen halen –  Nestle-Aland 28 zal een veel grotere en fundamentelere invloed uitoefenen. Het Novum Testamentum Graece is immers de standaard handuitgave (editio minor) van het NT. Verandert er iets in deze standaardtekst, dan verandert het ankerpunt van de nieuwtestamentische wetenschap en het uitgangspunt van uitleg en vertalingen van de Bijbel.

Wat is er nieuw aan deze editie? De belangrijkste wijzigingen zijn:

  • In de katholieke brieven (Jakobus, 1 en 2 Petrus, 1, 2 en 3 Johannes, Judas) is op 34 plaatsen de hoofdtekst gewijzigd. Hierbij volgt NA-28 de Editio Critica Maior (ECM), de nieuwste standaard voor de tekst van het Nieuwe Testament. Volgende edities van Nestle-Aland zullen de vorderingen van de ECM op de voet volgen.
  • Er is een aantal nieuwe papyri verwerkt in het kritisch apparaat.
  • In het algemeen is NA-28 overzichtelijker dan de voorgangers. Tekstverwijzingen zijn nagekeken. Het kritisch apparaat is vereenvoudigd, zodat het prettiger en gemakkelijker is geworden om er mee om te gaan.