Christus de drakendoder

Plato’s dialoog Symposium gaat over liefde (erôs). Het is geen toeval dat het Symposium van Methodius van Olympus, vermoedelijk geschreven tussen 260 en 290, gaat over kuisheid. Na een paradijselijk banket houden tien meisjes om beurten een lofrede op de maagdelijkheid. Het onderwerp wordt in geleerde betogen van verschillende kanten bekeken: historisch, ethisch, hermeneutisch, en vanuit een allegorische uitleg van de Bijbel.

De achtste rede van Tekla bevat onder meer een uitleg van de mythe van de vrouw en de draak uit Openbaring 12. De dochters van de vrouw (die staat voor de kerk), is de conclusie, moeten het gevecht aangaan met het beest, en zich bewapenen met de geestelijke wapenrusting (Efeziërs 6:12-17). Daar kan de draak, wiens zeven hoofden staan voor verschillende ondeugden, zeker niet tegen op. Want als de draak ziet dat je bij Christus hoort, zal hij het opgeven. Christus heeft de draak immers al verslagen.

Op dit punt vlecht Tekla een gedicht in haar betoog. Het is een bewerking van de Ilias (6.181-183), welke passage handelt over de strijd tussen Bellerofontes en het monster Chimaira.

Leeuw van voren, van achteren slang en chimaira in ’t midden,
die een afschuwlijke adem van laaiende vlammen uitstootte.
Hij echter doodde het dier, op zijn Vaders tekens vertrouwend,
Christus de Koning. Velen had het vernietigd, niemand
veelde het uit zijn bek druipende dodelijk schuim.

Methodius van Olympus, Symposium 8.12. (De eerste drie regels zijn overgenomen en aangepast uit de vertaling van H.J. de Roy van Zuydewijn. De laatste regel is een dactylische pentameter.)

Deze mengvorm van bijbelse en Griekse mythologie is literair misschien niet altijd even geslaagd, maar als cultureel en historisch fenomeen is het in elk geval bijster interessant.

 

Babata en de talen rond de Dode Zee

Rond deze tijd is het precies 56 jaar geleden dat aan de westkust van de Dode Zee de zogeheten Brievengrot (Cave of Letters) werd ontdekt door Yigael Yadin. Een van de meest opzienbarende vondsten was, naast brieven van Bar Kochba, het archief van Babata, een Judese vrouw die ten zuiden van de Dode Zee in Moaza woonde. De documenten die zij bij zich droeg op het moment dat zij met haar familie de toevlucht had gezocht in de grotten van Nahal Hever, geven een uniek beeld van de complexe (taal)situatie van deze regio aan het begin van de tweede eeuw.

Het archief van Babata bevat allerlei contracten in het Nabatees en Judees Aramees, en in het Grieks. Hoewel ze niet kon schrijven en hoogstens een beetje kon lezen, was mevrouw verwikkeld geweest in juridische procedures rondom de voogdij van haar zoon Jezus en de erfenis van haar eerste man, die werden uitgevochten onder de jurisdictie van het Romeinse hof in Petra. Onder de documenten is ook een belastingaangifte bewaard gebleven.

In december 127 reisde Babata Simonsdochter met haar echtgenoot en voogd Juda van hun woonplaats Moaza naar een van de centra van de provincie Arabia: Rabbat-Moab. Daar deed zij aangifte over vier dadelplantages ter gelegenheid van een census, die werd uitgevoerd door gouverneur Titus Aninius Sextius Florentinus. Babata huurde een schrijver om de aangifte in het Grieks op te stellen. Vervolgens voegde Juda een Aramese verklaring toe dat Babata naar waarheid had verklaard, en daar de eed aan de tuchê van de keizer op had gezworen. De schrijver vertaalde ook deze Aramese tekst eronder in het Grieks. Bij het inleveren van de declaratie noteerde de prefect Priscus in het Latijn op de aangifte dat hij het document had ontvangen. Toen werd dit hele document gepubliceerd in de basilica, waarna het vermoedelijk in het publieke archief verdween. Maar voordat dat gebeurde, liet Babata een officiële kopie maken. De ingehuurde kopiist liet het Aramese stuk weg, en een andere schrijver vertaalde het Latijn in het Grieks. Ten slotte tekenden vijf getuigen, allen in Nabatees Aramees.

In de hele procedure komen dus drie talen en twee ‘regiolecten’ voor: Latijn, Grieks, Judees en Nabatees Aramees. Elke taal heeft hierin een eigen functie: Latijn voor intern gebruik in het Romeinse bestuur, Grieks voor de officiële juridische taal, en Aramees als de lingua franca van de locale bevolking. Contracten die zijn opgesteld tussen plaatsgenoten in en rond Moaza zijn dan ook meestal in het Aramees.

Hebreeuws is afwezig in het archief van Babata. Dat is niet verbazend, aangezien zij niet in Judea woonde. Interessant is dat in andere juridische documenten uit deze grotten, die óf betrekking hebben op Judea, óf tijdens de Bar-Kochba-opstand in Judea zijn opgesteld, wel vaak Hebreeuws voorkomt.

De vergoddelijking van Jezus en Empedocles

De verhalen rond het levenseinde van Jezus van Nazaret en die over de Siciliaanse filosoof Empedocles (ca. 490 – 430 v.Chr.) hebben een opmerkelijke overeenkomst: beiden verdwenen met lichaam en al van de aardbodem. Het is daarom nuttig en leuk om beider biografieën op dit punt te vergelijken. Het zoeken van parallellen is vanuit een historisch oogpunt van belang omdat je zo het ontstaan, de functie en de betekenis van bepaalde verhalen beter kunt begrijpen. Het vinden van parallellen tussen Jezus en andere figuren (of juist het bestrijden daarvan) dient vaak ook een theologisch of ideologisch doel, maar dat valt buiten deze blogpost. Laten we maar gewoon de feiten op een rijtje zetten.
Verder lezen De vergoddelijking van Jezus en Empedocles

“De wereld is mijn thuis”

“De wereld is mijn thuis” – dit aan Erasmus toegeschreven citaat staat levensgroot op de centrale bibliotheek van Rotterdam, zag ik vanavond. Ik weet niet of Erasmus dit letterlijk zo heeft geschreven, maar een van zijn brieven uit 1523 heeft:

Ego … respondi me velle civem esse totius mundi, non unius oppidi. [1]

Dat betekent: “Ik antwoordde dat ik burger wil zijn van de hele wereld, niet van één stad.” Het toeval wilde dat ik juist Seneca’s brief 28 aan het lezen was. Nou ja, toeval, Seneca zou zeggen: dat lag al vast, dat was van tevoren besloten. Ongetwijfeld kende Erasmus deze bekende brief van de Romeinse filosoof. Seneca schrijft dat ons levensmotto zou moeten zijn:

non sum uni angulo natus, patria mea totus hic mundus est. [2]

Dat is: “Ik ben niet voor één uithoek geboren, deze hele wereld is mijn vaderland.” Met andere woorden: rusteloos van de ene plek naar de andere dolen heeft geen zin als je geest niet op orde is, want die laat je niet achter. Als je geest op orde is, valt overal goed te leven. De stoïcijnse raad om meer belang te hechten aan hoe je ergens in staat dan waar je komt [magis quis veneris quam quo interest], en dus ook de meest barre (reis)omstandigheden met een composita mens te verdragen, kwam trouwens goed uit in een week waarin de NS herhaaldelijk plotseling treinen liet uitvallen.

Seneca’s stoïcijnse motto dat de hele wereld zijn vaderland is, krijgt in Erasmus’ receptie wel een andere kleur. De renaissance-humanist beschouwde heel Europa als zijn vaderland, en dan met name Europa in de zin van de Respublica Litteraria (‘republiek der letteren’), de gemeenschap van geleerden waarbinnen hij zich thuis voelde. Deze interpretatie blijkt uit een variatie op dit thema in een andere brief:

Illic opinor habeo sedem ubi bibliothecam meam habeo. [3]

Hier staat: “Dáár heb ik, meen ik, m’n thuis, waar ik mijn bibliotheek heb.” Ook dit zou een prachtig motto voor een bibliotheek zijn.

Noten

[1] Erasmus in een brief aan Marcus Laurinus (Basel, 1 februari 1523), r. 539 (ed. Allen V, nr. 1342).
[2] Sen. Ep. 28.4.
[3] Erasmus in een brief aan Marcus Laurinus (Leuven, 5 april 1518), r. 117-118 (ed. Allen III, nr. 809).

Clowneske De Haas over Jezus als nar

Theoloog Gerard de Haas meent het  ei van Columbus gevonden te hebben ten aanzien van de historische Jezus, zo blijkt uit zijn paasartikel in Trouw. Jezus zou een (soort) nar geweest zijn, die de bestaande verhoudingen op zijn kop zette. Dat het artikel enkele uren vóór 1 april werd gepubliceerd, zal geen toeval zijn. De Haas zit vermoedelijk bulderend van het lachen de reacties onder zijn artikel te lezen.

Het artikel (ik ga het hier niet samenvatten) volgt namelijk het gebruikelijke procedé van reli-thrillers en voor het effectbejag geschreven kwakwetenschap (de laatste term is van Jona Lendering):
Verder lezen Clowneske De Haas over Jezus als nar