De vervloekte Christus (Galaten 3:13)

Gal. 3:13 Maar ​Christus​ ​Jezus​ heeft ons vrijgekocht van deze ​vloek​ door voor ons te worden vervloekt, want er staat geschreven: ‘Vervloekt is ieder mens die aan een paal hangt.’ 14 Zo zouden door hem alle volken delen in de ​zegen​ van ​Abraham​ en zouden wij, zoals ons is beloofd, door het geloof de Geest ontvangen. (NBV)

Wat betekenen de woorden “door voor ons te worden vervloekt”? Door wie werd Christus vervloekt volgens Paulus, wat was daar de reden voor, en hoe ging dat in zijn werk?

In het Grieks staat er γενόμενος ὑπὲρ ἡμῶν κατάρα. Dat is correct vertaald door het NBG, maar als we een stapje terug doen om dichter bij het Grieks te blijven, zou je kunnen vertalen “door voor ons een vloek te worden”. Een parallel kunnen we vinden in het Proto-evangelie van Jakobus 3.1, waar Anna zegt:

Welke moederschoot heeft mij voortgebracht dat ik een vloek ben geworden in de ogen van de Israëlieten en tot een smaad ben geworden en dat ze mij onder spot hebben verjaagd uit de tempel van de Heer?

Dat iemand een vloek wordt, betekent: slachtoffer worden van een vloek of onderworpen worden aan een vloek. In het geval van Anna is dat niet echt zo, maar is dat zo in de ogen van de Israëlieten, en daar draagt ze de werkelijke consequenties van.

In het geval van Jezus Christus wordt hij ook vervloekt, wat door Paulus bewezen wordt door de wet aan te halen: “Vervloekt is ieder mens die aan een paal hangt” (Deut. 21:23). Het eerste wat opvalt, is dat Paulus “door God” weglaat. Dat is niet toevallig, zegt Martinus C. de Boer, wiens Galatians: A Commentary (2011) ik voor het vervolg heb geraadpleegd. Want Paulus volgt ook niet de bewoordingen van de Septuaginta, maar is in zijn woordkeuze duidelijk beïnvloed door Deuteronomium 27:26, dat Paulus eerder aanhaalde:

Gal. 3:10 Maar iedereen die op de wet vertrouwt is vervloekt, want er staat geschreven: ‘Vervloekt is eenieder die niet alles doet wat het ​boek​ van de wet bepaalt.’ (NBV)

Zij zijn “onder een vloek”, en wel “onder de vloek van de wet” (Gal. 3:13a). De wet zelf spreekt die vloek uit, zoals Paulus wil aantonen, maar de wet is zelf ook een vloek, een van de kwade machten die bij deze huidige slechte wereld hoort. (Ja, Paulus is niet erg genuanceerd in deze brief.) Doordat nu Paulus in zijn citaat “Vervloekt is een ieder mens die aan een paal hangt” in zijn woordkeus duidelijk een verbinding legt met de vloek die op ieder mens ligt—want niemand kan aan die vloek ontsnappen—ligt het voor de hand ze in dezelfde zin op te vatten.

Met andere woorden, Jezus Christus werd vervloekt door de wet, omdat de wet vervloekt wie aan een paal hangt. Zo deelde Jezus Christus in het lot van ieder mens. “Een vloek worden” betekent dus hetzelfde als “onderworpen zijn aan de wet” (Gal. 4:4, vgl. 4:4b-5).

Dat Christus vervloekt werd betekent dus, volgens Paulus, niet dat hij in onze plaats vervloekt werd. Nee, Christus deelde ons lot, namelijk de vloek van de slavernij onder de wet, en dat voor ons, omdat hij de vloek overwon door de opstanding en ons zo kon vrijkopen van de vervloekte slavernij onder de wet. God vervloekte Jezus dan ook niet, maar stelde hem juist in het gelijk door de opstanding.

We moeten dus goed in de gaten houden dat Jezus niet zonder meer vervloekt werd, maar dat dat zo was in de ogen van de wet. Omdat de wet hier het onderspit delft, werd deze door Christus buiten werking gesteld, en de boeien van de kwade machten, waaronder de wet, gebroken.

En hoe krijgen we deel aan deze overwinning? Door het geloof, waardoor we één worden met Christus en in zijn dood en opstanding participeren. Zo verandert de vloek van de wet in de zegen van Abraham voor alle volken.

Dit is uiteraard een interpretatie van een uiterst moeilijke tekst, maar wel de meest overtuigende die ik kon vinden.

Misquoting Albert Schweitzer

To no surprise for those who are a little bit familiar with the contrivances of quack historians, Albert Schweitzer is being quote mined to bolster the claims of the defenders of an “undurchführbare Hypothese” (infeasable hypothesis), as Schweitzer himself called  the hypothesis of the non-existence of Jesus (p. 564). Part of it is due to the English translation, but another part is certainly due to the fact that quotations of his work circulate without context, and moreover due to the lack of understanding of Schweitzer’s time and his place in the history of scholarship. Perhaps some light from the Netherlands, in between the German and the Anglo-Saxon world, could help to clarify the matter.

***

One quotation is from the beginning of the conclusion (English p. 398):

There is nothing more negative than the result of the critical study of the Life of Jesus.

The Jesus of Nazareth who came forward publicly as the Messiah, who preached the ethic of the Kingdom of God, who founded the Kingdom of Heaven upon earth, and died to give His work its final consecration, never had any existence. He is a figure designed by rationalism, endowed with life by liberalism, and clothed by modern theology in an historical garb.

This is a translation of the first edition. Compared to the second German edition (p. 631), the translation seems fine, except for the phrase “there is nothing more negative”, which is an exaggeration of “… den Ertrag der Leben-Jesu-Forschung … ist negativ”, i.e. “the result of the critical study of the life of Jesus is negative”.

Now, without context, it seems that Albert Schweitzer rejects the whole project of historical Jesus research. But nothing is further from the truth. First of all, Schweitzer wrote more than a century ago. But even more importantly,  he criticised a specific form of historical Jesus research, namely the liberal scholarship that was current in the nineteenth century, which, according to Schweitzer, tried to make the historical Jesus a stooge for their modern religious predilections. That Jesus had never any existence. Schweitzer’s own historical Jesus was the eschatological Jesus, who remained strange, even offensive, to our time.[1]

Apart from his criticism on the specific approach and method of most of the scholarship before him, Schweitzer has this to say about the Leben-Jesu-Forschung (p. 632):

Man kann es nicht hoch genug anschlagen, was die Leben-Jesu-Forschung geleistet hat. Sie bedeutet eine einzigartig große Wahrhaftigkeitstat, eines der bedeutendsten Ereignisse in dem gesamten Geistesleben der Menschheit.

In English (p. 399):

But it is impossible to over-estimate the value of what German research upon the Life of Jesus has accomplished. It is a uniquely great expression of sincerity, one of the most significant events in the whole mental and spiritual life of humanity.

***

“Wieder auf den schönen Orgel. 29-5-’52 Albert Schweitzer”.
Inscription (1952) in the music stand of the Van Hagerbeer Organ, St Peter’s Church, Leiden. (Photo A.L. Boon/Wikimedia.)

***

A second quote, only in the second edition, reads as follows (allegedly from p. 402 of the English translation of the second edition):

In reality, however, these writers are faced with the enormous problem that strictly speaking absolutely nothing can be proved by evidence from the past, but can only be shown to be more or less probable. Moreover, in the case of Jesus, the theoretical reservations are even greater because all the reports about him go back to the one source of tradition, early Christianity itself, and there are no data available in Jewish or Gentile secular history which could be used as controls. Thus the degree of certainty cannot even be raised so high as positive probability.

So nothing is achieved by calling on sound judgment or on whatever else one likes to ask for in an opponent. Seen from a purely logical viewpoint, whether Jesus existed or did not exist must always remain hypothetical.

This corresponds to p. 512 of the German edition. I doubt whether the translation “so high as positive probability” is correct; it certainly can leave a misleading impression. The German has the following text:

Es ist also nicht eimal eine Steigerung bis in die allerhöchsten Grade der Wahrscheinlichkeit möglich.

That is: “Thus even an increase to the highest degree of probability is not possible.”

Again, it is important to note the context of this quotation. On p. 511, Scheitzer argues that every historical statement must remain a hypothesis. When someone says that the (non-)historicity of Jesus is certain, such a statement is precise enough (“hinreichend präzis”) for everyday language, but from a scholarly point of view one can only speak about a certain degree of probability. Then, Schweitzer complains about writers, defending the existence of Jesus, who call on sound judgement (“Appell an den gesunden Menschenverstand”) for the ‘obvious’ fact that Jesus existed. That is, according to Schweitzer, fine for everyday language, but not a scholarly way to approach the matter. After that follows the quotation above. So Schweitzer makes a theoretical point, namely, that, just as in the case of every historical statement, the existence of Jesus must remain hypothetical. This theoretical point then serves to underpin the theological/philosophical idea that the historical Jesus cannot be the fundament of religion, but that the fundament of religion has to be fully independent of history.

It is obvious that this passage is not meant to give a judgement on the probability of the existence of the historical Jesus. It only clarifies the theoretical conditions of historical propositions. Schweitzer’s own conclusion can be found on p. 564:

Es ist also zu schließen, daß die Annahme, Jesus habe existiert, überaus wahrscheinlich, ihr Gegenteil aber überaus unwahrscheinlich ist.

In English (own translation): “Therefore, it has to be concluded that the assumption that Jesus existed is extremely likely, but its opposite extremely unlikely.” In everyday language: it is certain that Jesus existed.

Schweitzer summarises the arguments for this conclusion in the same paragraph. These arguments are that the problems for the hypothesis of Jesus’ non-existence are far more numerous, and in the end insurmountable and unanswerable. Further, the various hypotheses about the non-existence of Jesus until the publication of Schweitzer’s book stood in the sharpest opposition to each other.

***

To conclude, people who use Albert Schweitzer’s work to bolster claims about Jesus’ non-existence, either did not do their homework or are intentionally deceptive.

***

Albert Schweitzer, Geschichte der Leben-Jesu-Forschung. Tübingen: Mohr Siebeck, 21913 [1906].

***

[1] After publication of this blogpost, it has been pointed out that this paragraph bears some resemblance to Bart Ehrman’s Did Jesus Exist, pp. 12-13. I didn’t consult it for the writing of this post, but it probably subconsciously influenced the content and my writing style. Anyhow, a reference to Ehrman is appropriate here.

Nieuwe publicatie: ‘Welk Nieuwe Testament?’ in Met Andere Woorden

maw-voorkant-16-3-4Ik sprak onlangs een van mijn voormalige docenten, die, enigszins schertsend, beweerde dat het Nederlands Bijbelgenootschap de enige organisatie in Nederland is die de bijbelwetenschap ter harte neemt. Dat zou best wel eens kunnen kloppen. Net als de Duitse evenknie van het NBG met de website bibelwissenschaft.de timmert het NBG bovendien behoorlijk aan de weg met de website debijbel.nl, die niet alleen de Bijbel (in de brontekst en vele vertalingen) aanbiedt, maar ook allerlei achtergrondinformatie.

Ook geeft het NBG een kwartaaltijdschrift uit over vertalen, Met Andere Woorden. Dit tijdschrift is online te vinden, zie hier. Daar is het jongst verschenen themanummer te vinden, met daarin een bijdrage van mijn hand. Het nummer is gewijd aan de bronteksten van de Bijbel en tekstkritiek. De vraag is: waar staan we qua tekstonderzoek vijfhonderd jaar na Erasmus?

Mijn eigen bijdrage gaat over de vraag welke verschillen er optreden in vertalingen als voor een andere Griekse editie van het Nieuwe Testament gekozen wordt. Je zou immers denken dat vertalingen ‘gewoon’ de nieuwste versie van het Novum Testamentum Graece en daarmee de Editio Critica Maior, beide uitgegeven door het onvolprezen Institut für neutestamentliche Textforschung te Münster, zouden volgen. Niets is minder waar. De Naardense bijbelvertaling bijvoorbeeld heeft voor een achterhaalde versie gekozen (in de jongste drukken zijn er alleen selectief teksten veranderd op basis van de 28e editie van Nestle-Aland). De Herziene Statenvertaling maakt het helemaal bont door honderden jaren tekstonderzoek links te laten liggen. Dat heeft natuurlijk gevolgen voor wat er uiteindelijk in een vertaling komt te staan. Ook geef ik kritiek op de manier waarop in de Nieuwe Bijbelvertaling tekstkritische informatie wordt gepresenteerd.

‘Welk Nieuwe Testament? De Nieuwe Bijbelvertaling, de Herziene Statenvertaling en de bronteksten van het Nieuwe Testament’, Met Andere Woorden 35.3&4 (2016) 96–105 (hier online).

Justinus, Trypho en χριστός

Het debat over de historiciteit van Jezus is al begonnen in de tijd toen jodendom en christendom als twee rivaliserende religieuze stromingen tegenover elkaar kwamen te staan. Het oudste geschrift waarin over die historiciteit gedebatteerd wordt, is de Dialogus cum Tryphone (‘Het gesprek met Tryphon’) van de Grieks-christelijke filosoof Justinus (ca. 100-165 n.Chr.). Tryphon, de Joodse opponent van Justinus, verdedigt daar de stelling dat Jezus nooit heeft geleefd en dat de christenen hem, als was hij een personage in een roman, verzonnen hebben.

Ik kwam deze opmerkelijke tekst tegen in de inleiding van Meijers en Wes’ vertaling van De Oude Geschiedenis van de Joden deel 3.1 Het leek mij een straffe bewering, en omdat ik toevallig een editie van Het gesprek met Trypho onder handbereik had, kon ik haar meteen controleren. In de passage die waarschijnlijk bedoeld is (Dial. 8.4), laat Justinus Trypho het volgende zeggen:

Χριστὸς δέ, εἰ καὶ γεγένηται καὶ ἔστι που, ἄγνωστός ἐστι καὶ οὐδὲ αὐτός πω ἑαυτὸν ἐπίσταται οὐδὲ ἔχει δύναμίν τινα, μέχρις ἂν ἐλθὼν Ἠλίας χρίσῃ αὐτὸν καὶ φανερὸν πᾶσι ποιήσῃ· ὑμεῖς δέ, ματαίαν ἀκοὴν παραδεξάμενοι, Χριστὸν ἑαυτοῖς τινα ἀναπλάσσετε καὶ αὐτοῦ χάριν τὰ νῦν ἀσκόπως ἀπόλλυσθε.2

Wie hiervan vluchtig een vertaling leest, ziet de woorden “Christus, als hij al geboren is […]; maar jullie hebben een Christus voor jullie zelf gemaakt […].” Betekent dit nu, dat Trypho zegt dat Jezus nooit heeft geleefd en dat de christenen hem verzonnen hebben? Nee. Eerst volgt hier nu de vertaling van J.C.M. van Winden:

Wat de Gezalfde betreft, als hij al geboren is en zich ergens bevindt, dan is hij onkenbaar. Ja, hij kent zichzelf nog niet en heeft geen enkele macht, totdat Elia komt en hem zalft en aan iedereen bekendmaakt. U [christenen] echter hebt, gehoor gevend aan ijdele woorden, uzelf een Christus gemaakt en omwille van hem laat u zich nu doelloos te gronde richten.3

De zorgvuldige lezer ziet, dat de χριστός waarover Trypho als eerste spreekt, de messias is zoals Trypho hem zelf voorstelt. Deze is mogelijk geboren, zegt hij, maar als dat het geval is, dan is hij nog onbekend en onbeduidend, totdat Elia komt. Philippe Bobichon merkt terecht op:

La réflexion porte alors sur la conception du Messie, et non sur son identification avec une personne déterminée.4

Het verwijt aan de christenen is ook niet, dat zij Jezus hebben verzonnen—Trypho spreekt in het vervolg onbekommerd over Jezus als mens—maar dat zij χριστός van hem hebben gemaakt.

De conclusie moet luiden, dat Fik Meijer en M.A. Wes hier zéér slordig hebben gelezen en daardoor Justinus verkeerd hebben geïnterpreteerd.

Noten

[1] Flavius Josephus, De Oude Geschiedenis van de Joden [Antiquitates Judaicae], dl 3: Boek XIV-XX (vert., inl. en aant. F.J.A.M. Meijer en M.A. Wes; Amsterdam/Leuven: Ambo/Kritak, 1998), 66.

[2] Philippe Bobichon (red.), Justin Martyr. Dialogue avec Tryphon: Édition critique, traduction, commentaire (2 dln, Paradosis 47; Fribourg: Academic Press, 2003).

[3] J.C.M. van Winden, Ware wijsheid. Wegen van vroeg-christelijk denken (Bronnen van de Europese cultuur 10; Baarn: Ambo, 1992), 60.

[4] Bobichon, Justin Martyr, 2:603.

Nieuwe publicatie: Immer blijft de band

immer_blijft_de_bandDeze maand is een boek verschenen waaraan ook ik een bijdrage heb geleverd: Immer blijft de band. Quisque Suis Viribus 1841-2016 onder redactie van H.J. van Beek en J. Florusse. Het boek beschrijft de geschiedenis van het oudste theologische dispuut van Nederland, Quisque Suis Viribus, ‘eenieder naar zijn krachten’. Dit 175 jaar oude Collegium is in het huidige academische landschap van BSA’s en studieleningen een bijzondere verschijning: men kan hier nog de sfeer proeven die in de negentiende eeuw door Klikspaan is beschreven in zijn Studentenportretten. De geschiedenis van Quisque is nauw verweven met de geschiedenis van de Leidse universiteit, en daarom is het ook zeer passend dat er tijdens het lustrumfeest een exemplaar van het boek is overhandigd aan de rector magnificus.

Wie de ledenlijst van Quisque doorneemt, komt daar al snel klinkende namen tegen: Fredrik Pijper, B.D. Eerdmans, G.A. van den Bergh van Eysinga, O. Noordmans, J.N. Bakhuizen van den Brink, W.A. Visser ’t Hooft, M.A. Beek, W.C. van Unnik, Hannes de Graaf, om er een paar te noemen, en dan heb ik nog niet eens de lijst van na de Tweede Wereldoorlog opgeslagen. Ongeveer een tiende van de ruim 400 leden werd later hoogleraar, en—waarschijnlijk een even goede graadmeter voor wetenschappelijke gedegenheid—er zijn nog veel meer leden gepromoveerd, van sommige generaties iedereen. Zeker tot in de jaren ’60 was het toelatingsbeleid zeer streng: alleen de (potentieel) beste studenten mochten lid worden. Tijdens het Interbellum was Quisque nog altijd een dispuut van het corps. Niet zonder trots schrijft de ab-actis in de jaren twintig: “Quisque is in Leiden hét dispuut.” Dat de lat bij Quisque hoog ligt, geldt tot op de dag van vandaag, ook al beweegt het Collegium zich langzaam, zeer langzaam met de tijd mee. Nog altijd wordt steevast gehamerd op methodische gedegenheid en kritische zin, zo kenmerkend voor de Leidse Godgeleerdheid. Het is daarom ook jammer dat het fenomeen vakdispuut vrijwel verdwenen is, want als je ergens academisch gevormd wordt, is het wel daar. In die zin is Quisque levend academisch erfgoed.

Het boek Immer blijft de band geeft een geheel eigen blik op de geschiedenis van de afgelopen 175 jaar, namelijk vanuit het perspectief van de Leidse student Godgeleerdheid. Het is bijvoorbeeld zeer boeiend om te zien hoe de Eerste en Tweede Wereldoorlog vanuit het perspectief van deze studenten werd beleefd. Hoe stonden zij tegenover de vrijstelling van dienstplicht in de Eerste Wereldoorlog? Hoe ging men om met de verwikkelingen van de Tweede Wereldoorlog, bijvoorbeeld met ‘foute’ leden?

Ook is het bijzonder leuk dat er vele gebeurtenissen worden beschreven die, zeker buiten Quisque, onbekend zijn, en meestal niet in officiële biografieën zijn terecht gekomen. Soms is dat maar goed ook, maar in andere gevallen levert het mooie gegevens op. Zo schrijft Harvard-professor en erelid Kirsopp Lake in 1936 aan het Collegium dat hij met genoegen aan Leiden en Quisque terugdenkt:

My honorary membership in Quisque is one of my fondest memories of my sojourn in Leyden. I admit that I do not remember much of the speeches which were made, but I always remember the nabroodje.

Het ‘nabroodje’ is wat men tegenwoordig ‘afhappen’ noemt, alleen geschiedt het nabroodje na een zware werkvergadering waar drie of zelfs meer lezingen gehouden zijn. Lake schreef deze brief naar aanleiding van het lustrum van 1936. Het verslag van dit lustrum bevat ook het volgende pareltje:

Hoe werden deze zieltjes (van allerhande theologantenclubjes, CH) opgeschrikt door een snel naderend donderwerk. … Machtige donders bolderden tegen niets vermoedende trommelvliezen. Sherry-glazen versplinterden en professorenvrouwen vluchtten rokwaaiend over de loopplank.

Dit vuurwerk werd afgestoken door “den pyrotechnicus Posthumus”. Dit kan niemand anders geweest zijn dan Siep Posthumus, de latere PvdA-politicus, die destijds chemie studeerde in Delft. Hij was vermoedelijk aanwezig als vriend of kennis van een van de Quisquebroeders—net als vele leden van Quisque was hij actief in een vrijzinnige jongerenorganisatie.

Quisque Suis Viribus is een belangrijke schakel geweest in het leven van vele theologen en heeft mede de basis gelegd voor de loopbaan van mensen die ver buiten de kring van theologen invloed hebben uitgeoefend. Daarbij valt te denken aan de Wereldraad van Kerken, de Vrije Universiteit, maar ook aan het Booleaanse Pythagoreïsche Drietallenprobleem. Nog een laatste wetenswaardigheid: wist u dat de leerstoel Nieuwe Testament aan de Universiteit van Amsterdam de afgelopen eeuw vrijwel onafgebroken bekleed is geweest door een erelid van Quisque?

N.a.v. H.J. van Beek en J. Florusse (red.),  Immer blijft de band. Quisque Suis Viribus 1841-2016 (Delft: Eburon, 2016), 236 pagina’s, ISBN 9789463010603. Te bestellen via info@quisque.nl.