Goddelijk geweld in de Bijbel: twee boeken

De afgelopen tijd heb ik twee boeken gelezen: Het oerboek van de mens: De evolutie en de Bijbel door Carel van Schaik en Kai Michel, en Is het de schuld van de ENE? In gesprek met Paul Cliteur en anderen over monotheïsme en geweld door Sam Janse. Beide boeken geven een interessant perspectief op het thema ‘geweld in de Bijbel’.

Het oerboek van de mens heeft een godsdiensthistorische invalshoek, waarbij inzichten uit de biologische antropologie, cognitiewetenschappen en ontwikkelingspsychologie een belangrijke rol spelen. Daarmee lopen de auteurs het risico dat ze zich begeven op een vakgebied dat niet het hunne is. Maar mijn indruk is dat ze echt de moeite hebben genomen om kennis te nemen van de bijbelwetenschap een aanverwante disciplines. Natuurlijk kiezen zij soms voor een bepaalde hypothese over de Bijbel die meer arbitrair is dan zij lijken te beseffen, of gaan ze soms wat kort door de bocht. Opmerkelijk is bijvoorbeeld dat ze dubieuze figuren als Reza Aslan citeren naast de Groningse hoogleraar Annette Merz, maar gelukkig halen ze Aslan alleen aan bij punten die tamelijk onomstreden zijn. Al met al wegen deze mogelijke kritiekpunten niet op tegen het waardevolle dat het boek zeker te bieden heeft.

Het oerboek is mij dus meegevallen. Eén inzicht breng ik hier naar voren. Van Schaik en Michel bekritiseren Dawkins’ opstelling tegenover Gods toorn in de Bijbel, omdat hij niet zou begrijpen hoe Gods toorn functioneerde in zo’n oude cultuur. Rampen en ziekte worden standaard aan de goden toegeschreven, zie de opening van de Ilias. Het is eerder wonderbaarlijk hoe de christelijke god in de moderne wereld veel van zijn gewelddadige karakter heeft verloren. Met andere woorden, moderne mensen die goddelijk geweld afstotelijk vinden dienen te beseffen dat zij de luxe hebben dat te vinden, omdat de wetenschap tegenwoordig rampen en ziekte grotendeels kan verklaren en zo God heeft ontlast van een deel van zijn takenpakket. Het oordeel van Dawkins is daarom anachronistisch. Dit is, heel in het kort, een van de inzichten uit Het oerboek. Zelf zou ik aanvullen dat het christelijk geloof ook onderscheidend is in de zin dat het Gods philanthrôpía in het centrum van het godsbeeld zette en zo een bepaalde richting insloeg die weerslag had op de relatie tussen God en geweld. Sam Janse (zie hieronder) noemt bijvoorbeeld de kritiek van Basilius van Seleucië en Romanus Melodus op de al te zelotische profeet Elia.

Een ander interessant boek is Is het de schuld van de ENE? In gesprek met Paul Cliteur en anderen over monotheïsme en geweld door Sam Janse. Dit boek heeft een theologische invalshoek, maar is zeker niet naar binnen gekeerd. Integendeel, het boek poogt juist een bijdrage te leveren aan het maatschappelijk debat door bijvoorbeeld ook een interessante discussie met Paul Cliteur op te nemen. Het boek is hier gerecenseerd door Taede Smedes. Het sterke punt van dit boek is dat het niet apologetisch is en zo de beste apologetiek (‘theologische verantwoording’) is die je maar kunt wensen. Janse doet geen krampachtige pogingen om de Bijbel in bescherming te nemen tegen terechte bedenkingen bij bepaalde gedeelten. Bijvoorbeeld bij de terrorist Pinechas, die met Gods goedkeuring Israëlieten vermoordt omdat ze zich niet goed zouden hebben gedragen. Aan christenen raadt Janse aan te onderscheiden tussen kern en periferie in de Bijbel, en te erkennen dat er over de lange termijn een humaniseringsproces aan de gang is in (en na) de Bijbel.

Twee interessante boeken dus. Het eerste is best wel speculatief, maar brengt perspectieven in waaraan je in de humaniora niet het eerste denkt. Het tweede is een uitgebalanceerde visie op het goddelijk geweld in de Bijbel, die theologisch en maatschappelijk gezien denk ik erg relevant is.

Justinus, Trypho en χριστός

Het debat over de historiciteit van Jezus is al begonnen in de tijd toen jodendom en christendom als twee rivaliserende religieuze stromingen tegenover elkaar kwamen te staan. Het oudste geschrift waarin over die historiciteit gedebatteerd wordt, is de Dialogus cum Tryphone (‘Het gesprek met Tryphon’) van de Grieks-christelijke filosoof Justinus (ca. 100-165 n.Chr.). Tryphon, de Joodse opponent van Justinus, verdedigt daar de stelling dat Jezus nooit heeft geleefd en dat de christenen hem, als was hij een personage in een roman, verzonnen hebben.

Ik kwam deze opmerkelijke tekst tegen in de inleiding van Meijers en Wes’ vertaling van De Oude Geschiedenis van de Joden deel 3.1 Het leek mij een straffe bewering, en omdat ik toevallig een editie van Het gesprek met Trypho onder handbereik had, kon ik haar meteen controleren. In de passage die waarschijnlijk bedoeld is (Dial. 8.4), laat Justinus Trypho het volgende zeggen:

Χριστὸς δέ, εἰ καὶ γεγένηται καὶ ἔστι που, ἄγνωστός ἐστι καὶ οὐδὲ αὐτός πω ἑαυτὸν ἐπίσταται οὐδὲ ἔχει δύναμίν τινα, μέχρις ἂν ἐλθὼν Ἠλίας χρίσῃ αὐτὸν καὶ φανερὸν πᾶσι ποιήσῃ· ὑμεῖς δέ, ματαίαν ἀκοὴν παραδεξάμενοι, Χριστὸν ἑαυτοῖς τινα ἀναπλάσσετε καὶ αὐτοῦ χάριν τὰ νῦν ἀσκόπως ἀπόλλυσθε.2

Wie hiervan vluchtig een vertaling leest, ziet de woorden “Christus, als hij al geboren is […]; maar jullie hebben een Christus voor jullie zelf gemaakt […].” Betekent dit nu, dat Trypho zegt dat Jezus nooit heeft geleefd en dat de christenen hem verzonnen hebben? Nee. Eerst volgt hier nu de vertaling van J.C.M. van Winden:

Wat de Gezalfde betreft, als hij al geboren is en zich ergens bevindt, dan is hij onkenbaar. Ja, hij kent zichzelf nog niet en heeft geen enkele macht, totdat Elia komt en hem zalft en aan iedereen bekendmaakt. U [christenen] echter hebt, gehoor gevend aan ijdele woorden, uzelf een Christus gemaakt en omwille van hem laat u zich nu doelloos te gronde richten.3

De zorgvuldige lezer ziet, dat de χριστός waarover Trypho als eerste spreekt, de messias is zoals Trypho hem zelf voorstelt. Deze is mogelijk geboren, zegt hij, maar als dat het geval is, dan is hij nog onbekend en onbeduidend, totdat Elia komt. Philippe Bobichon merkt terecht op:

La réflexion porte alors sur la conception du Messie, et non sur son identification avec une personne déterminée.4

Het verwijt aan de christenen is ook niet, dat zij Jezus hebben verzonnen—Trypho spreekt in het vervolg onbekommerd over Jezus als mens—maar dat zij χριστός van hem hebben gemaakt.

De conclusie moet luiden, dat Fik Meijer en M.A. Wes hier zéér slordig hebben gelezen en daardoor Justinus verkeerd hebben geïnterpreteerd.

Noten

[1] Flavius Josephus, De Oude Geschiedenis van de Joden [Antiquitates Judaicae], dl 3: Boek XIV-XX (vert., inl. en aant. F.J.A.M. Meijer en M.A. Wes; Amsterdam/Leuven: Ambo/Kritak, 1998), 66.

[2] Philippe Bobichon (red.), Justin Martyr. Dialogue avec Tryphon: Édition critique, traduction, commentaire (2 dln, Paradosis 47; Fribourg: Academic Press, 2003).

[3] J.C.M. van Winden, Ware wijsheid. Wegen van vroeg-christelijk denken (Bronnen van de Europese cultuur 10; Baarn: Ambo, 1992), 60.

[4] Bobichon, Justin Martyr, 2:603.

De mogelijkheid van de opstanding van het vergankelijke lichaam

Wat hieronder volgt, is het kernhoofdstuk uit het traktaat Over de opstanding, dat in de overlevering aan Justinus is toegeschreven. Dat laatste klopt waarschijnlijk niet. Vandaar dat men de auteur meestal aanduidt met Pseudo-Justinus, die deze verhandeling over de opstanding van het vergankelijke lichaam in het laatste kwart van de tweede eeuw geschreven moet hebben.

De auteur wil het belangrijkste bezwaar van Griekse intellectuelen tegen de opstanding van het vergankelijke lichaam (het ‘vlees’) weerleggen. Dat zou volgens hen simpelweg onmogelijk zijn als het lichaam eenmaal was vergaan. Sommige christenen zeiden hen dat na. Nee, zegt de auteur, zelfs als je de belangrijkste Griekse opvattingen volgt is de opstanding van het vergankelijke lichaam mogelijk. Deze verdediging van een opvatting die een belangrijk deel van het christendom ging kenmerken, geschiedt louter op basis van wereldlijke argumenten (logoi kosmikoi). Daarin ligt ook het belang van dit geschrift voor de ontwikkeling van het christelijke denken.

Er zou nog veel meer over dit geschrift te zeggen zijn, maar dat hoop ik te zijner tijd in een publicatie te doen. Daarom nu maar direct ad fontem.

Just. Res. 6 De mogelijkheid van de opstanding van het vergankelijke lichaam

De aard van het universum

[1] Welnu, van de mensen die de aard van de wereld onderzoeken – ‘wijzen’ heten ze – zeggen sommigen, zoals Plato, dat het Al [τὸ πᾶν] bestaat uit materie en God. Anderen, zoals Epicurus, zeggen dat het uit atomen en leegte bestaat. Weer anderen, zoals de stoïcijnen, menen dat het Al uit de vier elementen is samengesteld: aarde, water, lucht en vuur. (Ik noem slechts de meest overheersende opvattingen; dat is immers voldoende.)

De oorsprong van het universum

[2] En Plato zegt dat alles door toedoen van God uit de materie is ontstaan en wel door zijn voorzienigheid. Maar Epicurus en zijn volgelingen zeggen dat alles is ontstaan uit de atomen en uit de leegte, door een toevallige voortbeweging die voortkomt uit de natuurlijke beweging van die atoomlichamen. De stoïcijnen op hun beurt zeggen dat alles uit de vier elementen is ontstaan, omdat God ze doordringt. [3] Hoewel er zo’n onenigheid onder hen bestaat, hebben zij toch gemeenschappelijke leerstellingen waarin zij allen overeenstemmen. [4] Eén daarvan is dat er niets ontstaat uit het niets, en niets oplost en vergaat in het niets, en dat dus de elementen, waaruit elk ding ontstaat, onvergankelijk zijn.

Bewijs dat het herstel van het vergankelijke lichaam mogelijk is

[5] Welnu, als de zaken er zo voor staan, zal blijken, dat het volgens hen allen mogelijk is dat het vergankelijke lichaam weer hersteld wordt. [6] Het zit namelijk zo: volgens Plato zijn er de materie en God, die beide onvergankelijk zijn. Als je God voorstelt als een handwerksman, bijvoorbeeld een boetseerder, en de materie als klei of was of iets dergelijks, [7] dan is weliswaar wat uit de materie is ontstaan een vergankelijk boetseerwerk (het standbeeld of de afbeelding), maar de materie zelf, zoals klei of was of een andere dergelijke vorm van materie, is onvergankelijk. [8] Op deze manier boetseert en schept de kunstenaar uit de was of klei een gestalte van een mens of dier. [9] Wanneer het boetseerwerk weer uit elkaar gevallen is, is het voor hem niet onmogelijk dezelfde materie dooreen te mengen, opnieuw te vormen en hetzelfde boetseerwerk te maken. [10] Zo zal het volgens Plato ook niet voor God, de Onvergankelijke die de onvergankelijke materie bezit, onmogelijk zijn het uit materie ontstane maaksel, nadat het uit elkaar gevallen is, weer opnieuw te vormen en hetzelfde maaksel als eerder te scheppen.

[11] Maar stel nu dat het waar is dat, zoals de stoïcijnen zeggen, het lichaam ontstaat uit de verbinding van de vier elementen en dat het lichaam weer in die vier uit elkaar valt. Tegelijk blijven die elementen bestaan, omdat ze onvergankelijk zijn. Dan is het mogelijk dat die vier elementen weer dezelfde vermenging en verbinding aangaan ten gevolge van God die hen doordringt, en weer het lichaam vormen dat zij eerder gevormd hadden. [12] Ter vergelijking: als iemand uit goud, zilver, brons en tin een mengsel maakt, en het daarna weer wil oplossen, zodat elk element weer apart is, dan kan hij ook weer, als hij wil, dezelfde elementen mengen en het mengsel maken, dat hij eerder uit hen gemaakt had.

[13] Ook volgens Epicurus zijn de atomen en de leegte onvergankelijk. Wanneer de atomen volgens de een of andere ordening of rangschikking samengevoegd zijn, ontstaat ook het lichaam, naast andere samenstellingen. Wanneer het mettertijd vergaat, lost het weer op in de atomen waaruit het ook ontstaan is. [14] Omdat deze onvergankelijk blijven, is het geenszins onmogelijk weer samen te komen, dezelfde rangschikking of ordening aan te nemen en een lichaam te vormen, en wel hetzelfde lichaam dat eerder uit hen ontstaan is. [15] Ter vergelijking: een mozaïeklegger maakt met mozaïeksteentjes een afbeelding van een mens of dier. Deze raken daarna uit elkaar door toedoen van de tijd of door de maker zelf. Hij verzamelt dan dezelfde steentjes, die hij in zijn bezit heeft, ondanks het feit dat ze uiteengestrooid zijn. Het is niet onmogelijk dat hij ze inzamelt, op dezelfde manier samenlegt en zo dezelfde afbeelding van dat mens of dat dier maakt. [16] Nu dan, als de mozaïeklegger die in het bezit is van de mozaïeksteentjes, in staat is de verstrooide steentjes te verzamelen en weer dezelfde afbeelding van dat mens of dat dier te maken, zal God dan niet in staat zijn, wanneer de onderdelen van het vergankelijke lichaam zich van elkaar losgemaakt hebben, die weer te verzamelen om hetzelfde lichaam als eerder te maken?

[17] Maar genoeg hierover, want ik heb de leerstelling dat de opstanding van het vergankelijke lichaam mogelijk is, toereikend bewezen aan de hand van de niet-christelijke filosofen. [18] Maar als blijkt dat volgens de ongelovigen de opstanding van het vlees niet onmogelijk is, hoeveel te meer volgens de gelovigen!

Celsus over de opstanding van Jezus

(eerste, ongepolijste versie)

Uit Origenes, Contra Celsum.

Celsus voert een Jood op, die de opvattingen van christenen bespreekt.

2.49 O Licht en Waarheid, met zijn eigen stem verklaart Jezus nadrukkelijk – ook jullie hebben dat zwart op wit staan – dat er onder jullie ook anderen zullen komen die vergelijkbare wonderen zullen vertonen, slechte mensen en zwendelaars. Hij noemt een zekere Satan als de kwaadaardige beramer hiervan. Zelfs hij ontkent dus niet dat althans deze wonderen niets goddelijks hebben, maar het werk zijn van slechte mensen. Gedwongen door de waarheid ontmaskert hij die van de anderen en stelt daarmee tegelijk die van zichzelf aan de kaak. Hoe kun je dan nog volhouden uit dezelfde daden te herleiden dat de één God is, maar de anderen zwendelaars? Immers, waarom moeten we ten gevolge van deze daden de anderen slechter achten dan hem, en dat terwijl zij hem als getuige opvoeren? In elk geval hierover gaf hij ook zelf toe dat dit niet uit een goddelijke natuur voortkwam, maar tekenen waren van bepaalde doortrapte bedriegers. 2.54 Waarom hebben jullie hem dan omarmd, behalve om de reden dat hij voorzegde dat hij na zijn dood zou opstaan?

2.55 Welaan dan, laten we jullie geloven dat hij dit gezegd heeft. Maar hoeveel anderen praten over dergelijke hocus pocus ter overtuiging van hun simpele gehoor, dat zij uitbuiten door bedrog? Men zegt dat Zalmoxis, de slaaf van Pythagoras, dit ook bij de Scythen deed, en Pythagoras zelf in Italië en Rhampsinitus in Egypte. De laatste “dobbelde” zelfs “met Demeter” in de onderwereld en keerde terug terwijl hij “een geschenk van haar” droeg, “een met gouddraad doorweven doek.” Daar komt nog bij: Orpheus bij de Odrysiërs, Protesilaos in Thessalië, Herakles bij Taenarum, en Theseus.

Maar genoeg hierover. We moeten nu onderzoeken, of er ooit iemand die werkelijk gestorven was, met een zelfde lichaam is opgestaan. Of zijn jullie van mening dat de verhalen van de anderen fictie zijn, zoals ze zich laten aanzien, maar dat het slot van jullie tragedie behoorlijk of overtuigend wordt bevonden: zijn roep aan het kruis toen hij zijn laatste adem uitblies, de aardbeving, de duisternis, dat Jezus terwijl hij in leven was zichzelf niet hielp, maar toen hij dood was opstond en de tekenen toonde van de kastijding en hoe zijn handen doorboord waren? Wie zag dit? Een hysterische vrouw, zoals jullie zeggen, en wellicht iemand anders van degenen die onder invloed waren van dezelfde tovenarij. Die droomde daarover in een zekere geestestoestand en hallucineerde naar believen met een op hol geslagen verbeelding en verkondigde dat hij iets dergelijks had gezien. Dit is al bij duizenden mensen voorgevallen. Of, wat meer waarschijnlijk is, hij wilde de rest verbazen met deze fabel en door een dergelijke leugen een voorwendsel verschaffen aan andere bedelaars.

2.63 Als Jezus echt zijn goddelijke kracht had willen openbaren, had hij aan degenen die hem kwaadaardig behandeld hadden en aan degene die hem had veroordeeld, kortom, aan iedereen moeten verschijnen. 2.68 Als hij dan zo groot was, betaamde het hem zijn goddelijkheid te tonen door inderdaad plotseling van de kruispaal te verdwijnen. 2.70 Maar wat voor boodschapper is ooit gezonden, die zich verstopte terwijl hij moest aankondigen wat hem opgedragen was? Toen hij niet werd gelooft terwijl hij nog in het lichaam was, preekte hij vrijelijk voor iedereen. Maar toen hij een sterk geloof zou hebben gesticht omdat hij uit de dood was opgestaan, verscheen hij alleen aan één vrouw en in het geheim aan zijn eigen volgelingen. Dus toen hij gestraft werd, is hij gezien door iedereen, maar toen hij was opgestaan, slechts door één. Juist het tegenovergestelde had moeten gebeuren! 2.72 Als hij aan de aandacht wilde ontsnappen, waarom hoorde men dan de stem uit de hemel die verkondigde dat hij de zoon van God was? Als hij aan de aandacht wilde ontsnappen, waarom werd hij dan gestraft? Of waarom stierf hij dan? 2.73 Jezus wilde ons door de kastijdingen die hij onderging, leren zelfs de dood te verachten. Daaruit volgt, dat hij nadat hij uit de dood was opgestaan, openlijk allen naar het licht had moeten roepen en onderwijzen, waarom hij naar beneden was gekomen. 2.74 Welnu, dit komt uit jullie eigen geschriften. Daar hoeven wij geen getuige meer aan toe te voegen. Jullie vallen namelijk in je eigen zwaard.

O Allerhoogste die in de hemel bent, welke god die aanwezig is bij de mensen, wordt niet geloofd? 2.75 En dat terwijl hij verschijnt bij wie op hem hopen? Of waarom ter wereld wordt hij niet herkend door wie hem reeds lang verwachten? 2.76 Hij dreigt en uit loze scheldwoorden elke keer als hij zegt ‘Wee jullie’ en ‘Ik voorzeg jullie’. Met deze woorden geeft hij openlijk toe dat hij niet in staat is te overtuigen. Precies wat een god, ja zelfs een verstandig mens niet zou gebeuren. 2.77 Wij hopen natuurlijk lichamelijk op te staan en eeuwig leven te krijgen, en dat degene die naar ons wordt gezonden hiervan het voorbeeld en de stichter zal zijn door te tonen dat het niet onmogelijk is voor God om iemand met het lichaam te doen opstaan. Ik heb gesproken vanuit jullie eigen geschriften. Waar is hij dan, zodat wij hem zien en geloven? 2.78 Of kwam hij naar beneden met de bedoeling dat wij hem niet geloven? 2.79 Welnu, die Jezus was maar een mens, en wel een over wie de waarheid zelf duidelijk maakt en over wie de rede aantoont, wat voor iemand hij was.

Celsus over de opstanding

Origenes, Contra Celsum 5.14.

Update 5 april 2014: vertaling bijgeschaafd naar beter leesbaar Nederlands (oude versie na de lees verder).

Ook de volgende dwaze mening is van hen. Wanneer God als een soort kok met het vuur aan de slag zal gaan, zullen alleen de christenen blijven leven, terwijl heel de rest van het menselijk geslacht flink doorbakken wordt. En niet alleen de christenen die dan in leven zijn ontkomen hieraan, maar ook die al lang geleden zijn gestorven. Zij zullen uit de aarde verrijzen met dezelfde lichamen als waarmee ze zijn gestorven. Simpelweg de hoop van wormen! Wat voor menselijk wezen moet je immers zijn om nog te verlangen naar een verrot lichaam? Omdat deze opvatting zelfs niet gedeeld wordt door sommige Joden en christenen, is het gemakkelijk aan te tonen dat zij enorm afstotelijk en misselijkmakend is, en tevens onmogelijk. Immers, wat voor lichaam, geheel en al vergaan, kan terugkeren naar zijn oorspronkelijke natuur en naar dezelfde, eerdere samenstelling waaruit het is ontbonden?

Omdat de christenen hierop niets kunnen antwoorden, doen zij een beroep op de uitermate absurde uitvlucht dat alles mogelijk is voor God. Helemaal niet! God kan geen schandelijke dingen doen, noch wil hij doen wat tegen zijn natuur is. Mocht je door je eigen slechtheid iets walgelijks verlangen, dan zou God daaraan niet tegemoet kunnen komen, en je moet gewoon niet geloven dat al wat je verlangt, er zal komen. God is namelijk niet de stichter van buitensporig verlangen of op drift geraakte wanorde, maar van een ware en oprechte natuur. En hij mag dan eeuwig leven aan de ziel verschaffen, “maar lijken,” zegt Heraclitus, “verdienen het meer dat men ze weggooit dan vuilnis.” God wil noch kan dus het lichaam, vol met zaken waarover we het liever niet hebben, tegen de rede in eeuwig maken. Hij is namelijk zelf de rede achter al wat bestaat. Hij is daarom niet in staat om iets te bewerkstelligen wat tegen de rede of tegen zichzelf in gaat.

© 2014

Verder lezen Celsus over de opstanding