Een vrijzinnig geluid over Jezus (2)

Zoals in de vorige aflevering uitgelegd, gaat Arne Jones in Angst voor de mythe er ten onrechte van uit dat nieuwtestamentici iets tegen het begrip ‘mythe’ hebben in relatie tot Jezus. Wel hebben zij iets tegen het begrip mythe als iets wat volledig los moet staan van de geschiedenis van Jezus en zelfs gebruikt wordt om de geschiedenis aan de kant te schuiven.

Arne Jonges heeft geen helder beeld van het wetenschappelijke onderzoek. Dat blijkt niet alleen uit de literatuurlijst, maar ook uit de manier waarop hij het werk van wetenschappers bespreekt. Hij verwijt bijvoorbeeld Bert Jan Lietaert Peerbolte (Vrije Universiteit) een onwetenschappelijk onderzoeksmotief te hebben, omdat de laatste aan het eind van een artikel in het Nederlands Theologisch Tijdschrift stelt dat een Jezus die echt geleefd heeft vanuit theologisch perspectief nodig is. Maar, nog los van de vraag of deze stelling als diens onderzoeksmotief gezien moet worden (wat niet uit dat artikel is af te leiden), maakt dit helemaal niets uit. Waar het om gaat is of het onderzoek zélf methodisch deugdelijk is uitgevoerd en of de conclusies daar logischerwijs uit volgen. Daarover zegt Jonges niets. Bijzonder ironisch voor wie op de hoogte is van de onderzoeksgeschiedenis is dat Jonges vervolgens Franz Cumont aanhaalt over vooroordelen als blokkade voor kennis (p. 10).

Wat betreft het wetenschappelijke onderzoek naar de historische Jezus schuwt Arne Jonges niet slecht geïnformeerde clichés van stal te halen. Hij voert Albert Schweitzer op die zou beweren dat het onderzoek naar de historische Jezus onmogelijk is. Maar dat heeft Schweitzer nooit gezegd. Frits de Lange heeft dit pas in een lezing prachtig uitgelegd:

Maar nu moeten we Schweitzer goed lezen. De poging om via de omweg van de historische Jezus een liberale religie te creëren, een zedelijke mythe, loopt voor Schweitzer dood niet omdat je historisch toch nooit een beeld van de echte Jezus kunt reconstrueren. Dat kun je namelijk wél – en dat heeft hij zelf gedaan: ‘Het historische probleem van het leven van Jezus, zoals het zich aan wetenschappelijk onderzoek onthuld heeft, mag dus in wezen als opgelost beschouwd worden door de kennis die verkregen werd uit de laat-joodse eschatologie’, schrijft hij. De liberale vergissing is niet dat we nooit een vinger achter de historische Jezus kunnen krijgen, maar ligt in de ongelooflijke hermeneutische naïviteit om te veronderstellen dat je met de opbrengst van je historisch onderzoek de vraag naar de betekenis van Jezus voor ons vandaag kunt beantwoorden. Historische kennis kan weliswaar veel verhelderen, maar we kunnen er geen ‘nieuw levenskrachtig christendom’ mee opbouwen. De liberalen hebben Jezus liberaal laten buikspreken. Ze hebben hem hun eigen vooruitgangsevangelie in de mond gelegd.

Laat hem, zegt Schweitzer dan, liever in al zijn raadselachtige, aanstootgevende vreemdheid terugkeren naar de geschiedenis waar hij uit vandaan komt. Dan zegt hij ons meer dan wanneer we hem ideologisch voor ons karretje spannen. ‘Als we hem in zijn eschatologische wereld laten is hij groter en werkt hij, met al zijn vreemdheid, een diepere en grotere invloed uit.’

Zoals gezegd is het wetenschappelijke onderzoek, behoudens enkele uitzonderingen, nauwelijks op Jonges’ radar. Als voorbeelden van pogingen toch een historische Jezus te construeren wijst hij naar enkele min of meer recente pogingen (p. 13). Het gaat dan om de boeken van Paul Verhoeven, Fik Meijer, Johan Leman en Charles Vergeer. Hun boeken, die sowieso slechts voor het brede publiek zijn geschreven, kunnen geen van alle de wetenschappelijke toets der kritiek doorstaan. Jonges noemt ook Cees den Heyer, maar diens boekjes blinken niet echt uit in wetenschappelijke doortastendheid.

Dit is dus het tegendeel van een beeld van het hedendaagse onderzoek.

Vervolgens verwijst Jonges naar serieuzere critici van het onderzoek naar de historische Jezus (Klaus Wengst en Rochus Zuurmond, p. 13-15). Zij zouden net als Schweitzer ‘aangetoond’ hebben dat het onderzoek naar de historische Jezus onmogelijk is (p. 19), maar Jonges gaat niet in op hun argumenten. Daarna gaat Jonges ook nog eens de onzekerheid over de bronnen flink overdrijven. Hij zet bijvoorbeeld dik aan dat er tekstuele varianten zijn, maar wijdt geen enkel woord aan de vraag hoe de wetenschap dit met tekstkritiek te lijf gaat.

Zo gaat dat nog enkele tientallen pagina’s door. Er valt bij elke pagina wel iets op te merken. Mij ontbreekt de lust dit uitgebreid te bekritiseren. Daarom sluit ik af met een aantal algemenere opmerkingen.

Jonges’ kritiek is sterk uit balans: het feit dat historische reconstructies speculatie bevatten zou betekenen dat ze wetenschappelijk niet deugen. (Wederom blijkt hier Jonges gebrek aan kennis van de historische methoden.) Aan de andere kant spreekt Jonges wel in positieve zin over literair-kritisch onderzoek naar de evangeliën en brieven, zonder hierbij dezelfde mate aan wetenschapskritiek toe te passen.

Jonges’ angst richt zich op theologen die met de ‘historische Jezus’ de waarheid van het christendom willen bewijzen. Die angst projecteert hij dan op nieuwtestamentici en theologen. Nu zal het ongetwijfeld voorkomen dat christenen het onderzoek naar de historische Jezus al dan niet terecht aangrijpen om hun geloof te ‘bewijzen’. En veel christenen zullen slecht kunnen leven met de stelling dat de historische Jezus irrelevant is. Maar dat laat onverlet dat er naar de mening van vrijwel alle wetenschappers op dit gebied ook goede wetenschappelijke redenen zijn voor de gedachte dat er zinvolle dingen te zeggen zijn over wat er ‘echt gebeurd’ is met Jezus.

Jonges heeft last van dogmatisme: het onderzoek naar de historische Jezus is verboden terrein. Dat zou te maken kunnen hebben met zijn theologische visie die sterk lijkt te leunen op Jungiaanse psychologie en 19e-eeuws idealisme. Die laatste stroming zocht de absolute fundering van het geloof in de idee, en wees af dat er zekerheid kon liggen in de geschiedenis. Ook Gustaaf Adolf van den Bergh van Eysinga was hierdoor beïnvloed. Jonges geeft te weinig rekenschap van deze denktrant. Het lijkt er verdacht veel op dat Jonges doet wat hij zijn tegenstanders verwijt: een bepaalde stellingname met betrekking tot historisch onderzoek mag niet van zijn theologie.

Al met al hebben we te maken met een slordig pamflet, zowel qua verzorging als qua inhoud. De vraag is wat de Vereniging van Vrijzinnige Protestanten heeft gedreven dit boekje te sponsoren. De vrije uitwisseling van ideeën is belangrijk. Dat betekent dat ideeën niet onderdrukt moeten worden omdat ze andere mensen niet goed uitkomen. Het betekent niet dat elk idee een podium moet krijgen. Een belangrijk kenmerk van de vrijzinnigen was vanouds dat men het geloof in tune wilde houden met de wetenschap. Als het boekje van Arne Jonges in enige mate representatief is voor het intellectuele gehalte van de georganiseerde vrijzinnigheid, ben ik bang dat werkelijk vrijzinnigen niet veel te zoeken hebben in die hoek van de kerk.

 

Advertenties

Misquoting Albert Schweitzer

To no surprise for those who are a little bit familiar with the contrivances of quack historians, Albert Schweitzer is being quote mined to bolster the claims of the defenders of an “undurchführbare Hypothese” (infeasable hypothesis), as Schweitzer himself called  the hypothesis of the non-existence of Jesus (p. 564). Part of it is due to the English translation, but another part is certainly due to the fact that quotations of his work circulate without context, and moreover due to the lack of understanding of Schweitzer’s time and his place in the history of scholarship. Perhaps some light from the Netherlands, in between the German and the Anglo-Saxon world, could help to clarify the matter.

***

One quotation is from the beginning of the conclusion (English p. 398):

There is nothing more negative than the result of the critical study of the Life of Jesus.

The Jesus of Nazareth who came forward publicly as the Messiah, who preached the ethic of the Kingdom of God, who founded the Kingdom of Heaven upon earth, and died to give His work its final consecration, never had any existence. He is a figure designed by rationalism, endowed with life by liberalism, and clothed by modern theology in an historical garb.

This is a translation of the first edition. Compared to the second German edition (p. 631), the translation seems fine, except for the phrase “there is nothing more negative”, which is an exaggeration of “… den Ertrag der Leben-Jesu-Forschung … ist negativ”, i.e. “the result of the critical study of the life of Jesus is negative”.

Now, without context, it seems that Albert Schweitzer rejects the whole project of historical Jesus research. But nothing is further from the truth. First of all, Schweitzer wrote more than a century ago. But even more importantly,  he criticised a specific form of historical Jesus research, namely the liberal scholarship that was current in the nineteenth century, which, according to Schweitzer, tried to make the historical Jesus a stooge for their modern religious predilections. That Jesus had never any existence. Schweitzer’s own historical Jesus was the eschatological Jesus, who remained strange, even offensive, to our time.[1]

Apart from his criticism on the specific approach and method of most of the scholarship before him, Schweitzer has this to say about the Leben-Jesu-Forschung (p. 632):

Man kann es nicht hoch genug anschlagen, was die Leben-Jesu-Forschung geleistet hat. Sie bedeutet eine einzigartig große Wahrhaftigkeitstat, eines der bedeutendsten Ereignisse in dem gesamten Geistesleben der Menschheit.

In English (p. 399):

But it is impossible to over-estimate the value of what German research upon the Life of Jesus has accomplished. It is a uniquely great expression of sincerity, one of the most significant events in the whole mental and spiritual life of humanity.

***

“Wieder auf den schönen Orgel. 29-5-’52 Albert Schweitzer”.
Inscription (1952) in the music stand of the Van Hagerbeer Organ, St Peter’s Church, Leiden. (Photo A.L. Boon/Wikimedia.)

***

A second quote, only in the second edition, reads as follows (allegedly from p. 402 of the English translation of the second edition):

In reality, however, these writers are faced with the enormous problem that strictly speaking absolutely nothing can be proved by evidence from the past, but can only be shown to be more or less probable. Moreover, in the case of Jesus, the theoretical reservations are even greater because all the reports about him go back to the one source of tradition, early Christianity itself, and there are no data available in Jewish or Gentile secular history which could be used as controls. Thus the degree of certainty cannot even be raised so high as positive probability.

So nothing is achieved by calling on sound judgment or on whatever else one likes to ask for in an opponent. Seen from a purely logical viewpoint, whether Jesus existed or did not exist must always remain hypothetical.

This corresponds to p. 512 of the German edition. I doubt whether the translation “so high as positive probability” is correct; it certainly can leave a misleading impression. The German has the following text:

Es ist also nicht eimal eine Steigerung bis in die allerhöchsten Grade der Wahrscheinlichkeit möglich.

That is: “Thus even an increase to the highest degree of probability is not possible.”

Again, it is important to note the context of this quotation. On p. 511, Scheitzer argues that every historical statement must remain a hypothesis. When someone says that the (non-)historicity of Jesus is certain, such a statement is precise enough (“hinreichend präzis”) for everyday language, but from a scholarly point of view one can only speak about a certain degree of probability. Then, Schweitzer complains about writers, defending the existence of Jesus, who call on sound judgement (“Appell an den gesunden Menschenverstand”) for the ‘obvious’ fact that Jesus existed. That is, according to Schweitzer, fine for everyday language, but not a scholarly way to approach the matter. After that follows the quotation above. So Schweitzer makes a theoretical point, namely, that, just as in the case of every historical statement, the existence of Jesus must remain hypothetical. This theoretical point then serves to underpin the theological/philosophical idea that the historical Jesus cannot be the fundament of religion, but that the fundament of religion has to be fully independent of history.

It is obvious that this passage is not meant to give a judgement on the probability of the existence of the historical Jesus. It only clarifies the theoretical conditions of historical propositions. Schweitzer’s own conclusion can be found on p. 564:

Es ist also zu schließen, daß die Annahme, Jesus habe existiert, überaus wahrscheinlich, ihr Gegenteil aber überaus unwahrscheinlich ist.

In English (own translation): “Therefore, it has to be concluded that the assumption that Jesus existed is extremely likely, but its opposite extremely unlikely.” In everyday language: it is certain that Jesus existed.

Schweitzer summarises the arguments for this conclusion in the same paragraph. These arguments are that the problems for the hypothesis of Jesus’ non-existence are far more numerous, and in the end insurmountable and unanswerable. Further, the various hypotheses about the non-existence of Jesus until the publication of Schweitzer’s book stood in the sharpest opposition to each other.

***

To conclude, people who use Albert Schweitzer’s work to bolster claims about Jesus’ non-existence, either did not do their homework or are intentionally deceptive.

***

Albert Schweitzer, Geschichte der Leben-Jesu-Forschung. Tübingen: Mohr Siebeck, 21913 [1906].

***

[1] After publication of this blogpost, it has been pointed out that this paragraph bears some resemblance to Bart Ehrman’s Did Jesus Exist, pp. 12-13. I didn’t consult it for the writing of this post, but it possibly influenced the content and my writing style. On the other hand, what I say is commonplace. Anyhow, a reference to Ehrman is appropriate here.

Nieuwe publicatie: ‘Welk Nieuwe Testament?’ in Met Andere Woorden

maw-voorkant-16-3-4Ik sprak onlangs een van mijn voormalige docenten, die, enigszins schertsend, beweerde dat het Nederlands Bijbelgenootschap de enige organisatie in Nederland is die de bijbelwetenschap ter harte neemt. Dat zou best wel eens kunnen kloppen. Net als de Duitse evenknie van het NBG met de website bibelwissenschaft.de timmert het NBG bovendien behoorlijk aan de weg met de website debijbel.nl, die niet alleen de Bijbel (in de brontekst en vele vertalingen) aanbiedt, maar ook allerlei achtergrondinformatie.

Ook geeft het NBG een kwartaaltijdschrift uit over vertalen, Met Andere Woorden. Dit tijdschrift is online te vinden, zie hier. Daar is het jongst verschenen themanummer te vinden, met daarin een bijdrage van mijn hand. Het nummer is gewijd aan de bronteksten van de Bijbel en tekstkritiek. De vraag is: waar staan we qua tekstonderzoek vijfhonderd jaar na Erasmus?

Mijn eigen bijdrage gaat over de vraag welke verschillen er optreden in vertalingen als voor een andere Griekse editie van het Nieuwe Testament gekozen wordt. Je zou immers denken dat vertalingen ‘gewoon’ de nieuwste versie van het Novum Testamentum Graece en daarmee de Editio Critica Maior, beide uitgegeven door het onvolprezen Institut für neutestamentliche Textforschung te Münster, zouden volgen. Niets is minder waar. De Naardense bijbelvertaling bijvoorbeeld heeft voor een achterhaalde versie gekozen (in de jongste drukken zijn er alleen selectief teksten veranderd op basis van de 28e editie van Nestle-Aland). De Herziene Statenvertaling maakt het helemaal bont door honderden jaren tekstonderzoek links te laten liggen. Dat heeft natuurlijk gevolgen voor wat er uiteindelijk in een vertaling komt te staan. Ook geef ik kritiek op de manier waarop in de Nieuwe Bijbelvertaling tekstkritische informatie wordt gepresenteerd.

‘Welk Nieuwe Testament? De Nieuwe Bijbelvertaling, de Herziene Statenvertaling en de bronteksten van het Nieuwe Testament’, Met Andere Woorden 35.3&4 (2016) 96–105 (hier online).

Nieuwe publicatie: Immer blijft de band

immer_blijft_de_bandDeze maand is een boek verschenen waaraan ook ik een bijdrage heb geleverd: Immer blijft de band. Quisque Suis Viribus 1841-2016 onder redactie van H.J. van Beek en J. Florusse. Het boek beschrijft de geschiedenis van het oudste theologische dispuut van Nederland, Quisque Suis Viribus, ‘eenieder naar zijn krachten’. Dit 175 jaar oude Collegium is in het huidige academische landschap van BSA’s en studieleningen een bijzondere verschijning: men kan hier nog de sfeer proeven die in de negentiende eeuw door Klikspaan is beschreven in zijn Studentenportretten. De geschiedenis van Quisque is nauw verweven met de geschiedenis van de Leidse universiteit, en daarom is het ook zeer passend dat er tijdens het lustrumfeest een exemplaar van het boek is overhandigd aan de rector magnificus.

Wie de ledenlijst van Quisque doorneemt, komt daar al snel klinkende namen tegen: Fredrik Pijper, B.D. Eerdmans, G.A. van den Bergh van Eysinga, O. Noordmans, J.N. Bakhuizen van den Brink, W.A. Visser ’t Hooft, M.A. Beek, W.C. van Unnik, Hannes de Graaf, om er een paar te noemen, en dan heb ik nog niet eens de lijst van na de Tweede Wereldoorlog opgeslagen. Ongeveer een tiende van de ruim 400 leden werd later hoogleraar, en—waarschijnlijk een even goede graadmeter voor wetenschappelijke gedegenheid—er zijn nog veel meer leden gepromoveerd, van sommige generaties iedereen. Zeker tot in de jaren ’60 was het toelatingsbeleid zeer streng: alleen de (potentieel) beste studenten mochten lid worden. Tijdens het Interbellum was Quisque nog altijd een dispuut van het corps. Niet zonder trots schrijft de ab-actis in de jaren twintig: “Quisque is in Leiden hét dispuut.” Dat de lat bij Quisque hoog ligt, geldt tot op de dag van vandaag, ook al beweegt het Collegium zich langzaam, zeer langzaam met de tijd mee. Nog altijd wordt steevast gehamerd op methodische gedegenheid en kritische zin, zo kenmerkend voor de Leidse Godgeleerdheid. Het is daarom ook jammer dat het fenomeen vakdispuut vrijwel verdwenen is, want als je ergens academisch gevormd wordt, is het wel daar. In die zin is Quisque levend academisch erfgoed.

Het boek Immer blijft de band geeft een geheel eigen blik op de geschiedenis van de afgelopen 175 jaar, namelijk vanuit het perspectief van de Leidse student Godgeleerdheid. Het is bijvoorbeeld zeer boeiend om te zien hoe de Eerste en Tweede Wereldoorlog vanuit het perspectief van deze studenten werd beleefd. Hoe stonden zij tegenover de vrijstelling van dienstplicht in de Eerste Wereldoorlog? Hoe ging men om met de verwikkelingen van de Tweede Wereldoorlog, bijvoorbeeld met ‘foute’ leden?

Ook is het bijzonder leuk dat er vele gebeurtenissen worden beschreven die, zeker buiten Quisque, onbekend zijn, en meestal niet in officiële biografieën zijn terecht gekomen. Soms is dat maar goed ook, maar in andere gevallen levert het mooie gegevens op. Zo schrijft Harvard-professor en erelid Kirsopp Lake in 1936 aan het Collegium dat hij met genoegen aan Leiden en Quisque terugdenkt:

My honorary membership in Quisque is one of my fondest memories of my sojourn in Leyden. I admit that I do not remember much of the speeches which were made, but I always remember the nabroodje.

Het ‘nabroodje’ is wat men tegenwoordig ‘afhappen’ noemt, alleen geschiedt het nabroodje na een zware werkvergadering waar drie of zelfs meer lezingen gehouden zijn. Lake schreef deze brief naar aanleiding van het lustrum van 1936. Het verslag van dit lustrum bevat ook het volgende pareltje:

Hoe werden deze zieltjes (van allerhande theologantenclubjes, CH) opgeschrikt door een snel naderend donderwerk. … Machtige donders bolderden tegen niets vermoedende trommelvliezen. Sherry-glazen versplinterden en professorenvrouwen vluchtten rokwaaiend over de loopplank.

Dit vuurwerk werd afgestoken door “den pyrotechnicus Posthumus”. Dit kan niemand anders geweest zijn dan Siep Posthumus, de latere PvdA-politicus, die destijds chemie studeerde in Delft. Hij was vermoedelijk aanwezig als vriend of kennis van een van de Quisquebroeders—net als vele leden van Quisque was hij actief in een vrijzinnige jongerenorganisatie.

Quisque Suis Viribus is een belangrijke schakel geweest in het leven van vele theologen en heeft mede de basis gelegd voor de loopbaan van mensen die ver buiten de kring van theologen invloed hebben uitgeoefend. Daarbij valt te denken aan de Wereldraad van Kerken, de Vrije Universiteit, maar ook aan het Booleaanse Pythagoreïsche Drietallenprobleem. Nog een laatste wetenswaardigheid: wist u dat de leerstoel Nieuwe Testament aan de Universiteit van Amsterdam de afgelopen eeuw vrijwel onafgebroken bekleed is geweest door een erelid van Quisque?

N.a.v. H.J. van Beek en J. Florusse (red.),  Immer blijft de band. Quisque Suis Viribus 1841-2016 (Delft: Eburon, 2016), 236 pagina’s, ISBN 9789463010603. Te bestellen via info@quisque.nl.

Jezelf opsluiten in een eigen woordenwereld

“Het blijft altijd wat raadselachtig hoe Kuyper en Bavinck, die het filologische, historische en exegetische handwerk in Leiden goed geleerd hadden, daar zo afstand van konden nemen. En daar zat vervolgens een heel kerkgenootschap en een hele theologische school mee.”

Dit citaat is van historicus Jan Dirk Snel, die een lezenswaardige beschouwing op zijn weblog heeft geplaatst: ‘Iets postmoderns – Over een eigenaardig trekje van de vroegere gereformeerde wereld.’ Naar aanleiding van het boek van Maarten Aalders over de kwestie Geelkerken. Nog een treffend citaat:

“Woorden bepaalden wat historisch was. De werkelijkheid was een constructie, ook al noemde men dat niet zo. Het blijft een merkwaardig soort postmodernisme avant la lettre. En het hield geen stand, zoals ook veel postmoderne overdrijvingen geen stand houden.”