Een vrijzinnig geluid over Jezus (1)

Recent verscheen een pamfletje over ‘de echte Jezus’. Onder de titel Angst voor de mythe betoogt theoloog en filosoof Arne Jonges dat de echte Jezus te vinden is “in het mythische verhaal en in de levende godsdienst”. Met een historische Jezus heeft dat allemaal niets te maken en daarom is dat onderzoek waardeloos. Dit boekje—gesponsord door de Vereniging van Vrijzinnige Protestanten—vormt zo een kritiek op de nieuwtestamentische wetenschap, die volgens Jonges door theologische belangen vertroebeld wordt. In een aantal blogposts (die onregelmatig zullen verschijnen) wil ik nagaan of dit vrijzinnige betoog steekhoudend is.

Arne Jonges is kleinzoon van de markante UvA-hoogleraar Gustaaf Adolf van den Bergh van Eysinga (1874-1957)1 en is dus persoonlijk betrokken bij de kwestie, zo schrijft hij (p. 6). Maar Jonges gaat niet zo ver als zijn grootvader: in tegenstelling tot de laatste denkt Jonges dat Jezus bestaan heeft en gekruisigd is (p.9). Maar dat is dan ook het enige dat over de historische Jezus valt te zeggen.

Opvallend is dat Jonges regelmatig namen verhaspelt. Zelfs de naam van zijn eigen grootvader spelt hij niet overal hetzelfde. De bibliografie is slordig samengesteld en de bibliografische stijl niet consistent.

Het uitgangspunt van de auteur is dat hij de Bijbel op dezelfde wijze als alle andere geschriften wil benaderen. Dat lijkt me vanuit wetenschappelijk oogpunt evident. Jonges zegt weliswaar “alle godsdienstige documenten”, maar die specificatie is denk ik niet restrictief bedoeld.

Vanuit dit uitgangspunt spreekt Jonges zijn verbazing uit over de ophef rond het boek van Edward van der Kaaij (2015) die zegt dat Jezus nooit bestaan heeft. Volgens Jonges ligt de kern van de ophef in de angst voor de term ‘mythe’ (p. 8). Maar dat is een verkeerde inschatting. Even afgezien van de reacties vanuit de Gereformeerde Bond, werd de ophef door een combinatie van twee dingen veroorzaakt: a) dat iemand binnen de Protestantse Kerk, die historisch-kritisch onderlegd zou moeten zijn het bestaan van Jezus bestreed en daar ook een podium voor kreeg in wat moet doorgaan voor de kwaliteitspers. Vergelijking met de Da Vinci Code (p. 8) gaat dus niet op, al is deze vergelijking van Jonges niet erg vleiend voor Van der Kaaij. Ook over de Da Vinci Code is trouwens het nodige geschreven door nieuwtestamentici. b) De tweede reden is niet zozeer de inhoud van Van der Kaaijs standpunt, maar het feit dat hij de wetenschappelijke methodiek en literatuur voor het grootste deel aan zijn laars lapt, en daarmee te kwalificeren is als een kwakhistoricus.

Het terechte historisch-kritische uitgangspunt van Jonges betekent inderdaad dat het geen enkel probleem is de vraag op te werpen of Jezus wel bestaan heeft. Dat is een buitengewoon interessante kwestie, niet alleen bij Jezus maar bij alle personages die in geschriften uit de Oudheid voorkomen. De uitkomst is niet zo opzienbarend (Jezus heeft bestaan), maar de vraag is veeleer: hoe weten we dat? Het historisch-kritische uitgangspunt betekent immers niet dat wetenschappers elk willekeurig ‘nieuw’ idee met open armen moeten ontvangen; het betekent wel dat willekeurig welk idee het overwegen waard wordt als iemand dat op een wetenschappelijk verantwoorde wijze onderbouwt.

Jonges ziet bovendien over het hoofd dat het woord ‘mythe’ verschillende betekenissen heeft. In het dagelijks spraakgebruik is een ‘mythe’ een verzonnen, onwaar verhaal. (“Dat dit soort voedsel extreem gezond is, is een mythe.”) In de godsdienstwetenschap is mythe echter een term voor een betekenisstichtend narratief waarin het goddelijke op een aanschouwelijke wijze aanwezig is. Bultmann bijvoorbeeld onderscheidde dit van het populaire begrip ‘mythe’. Een mythe in godsdienstwetenschappelijke zin kan dus geschiedenis insluiten, bijvoorbeeld als we het hebben over de keizercultus. Voor nieuwtestamentici is dit gesneden koek: het christendom is ontstaan onder mensen die leefden in een tijd die bepaald werd door mythisch denken. In die zin is Jezus vanaf het begin mythisch. Anders wordt het, wanneer het mythische wordt uitgespeeld tegen het historische en de betekenis van de term ‘mythisch’ dus naar de alledaagse betekenis toe kruipt. Als er in het gangbare spraakgebruik over ‘de mythische Jezus’ gesproken wordt, gaat het meestal over een Jezus die überhaupt niet bestaan heeft. In deze betekenis wijzen nieuwtestamentici de mythische Jezus af. Maar dat is geen angst voor de mythe, net zo min als artsen bang zijn voor kwakzalvers.

Bij sommige nieuwtestamentici en theologen is daarnaast wel theologisch gemotiveerde weerzin te bespeuren tegen een specifieke invulling van het begrip mythe in relatie tot het christendom, waarop ik later hoop terug te komen bij de bespreking van het vervolg van Jonges’ boekje. Jonges heeft dus ergens wel een punt over de ‘angst’ voor de mythe, al zit de kwestie volgens mij anders in elkaar dan Jonges denkt.

Noot

1 Net als zijn opvolgers J.N. Sevenster en J. Smit Sibinga was hij in Leiden opgeleid en aldaar lid van het nog altijd bestaande Collegium Theologicum. Zie J. Smit Sibinga, ‘G.A. van den Bergh van Eysinga’, in R.B. ter Haar Romeny en Joh. Tromp (red.), Quisque Suis Viribus, 1841-1991. 150 jaar theologie in dertien portretten (Leiden, 1991), 164-177; voor zijn blijvende actualiteit zie J.N. Sevenster, ‘Prof.dr. G.A. van den Bergh van Eysinga als nieuwtestamenticus’, Theologie en Practijk 18 (1958) 51-60.

Advertenties

Openbaring van Jakobus, een “verloren bijbelboek”? Welnee

Vandaag berichtte de NOS over een belangwekkende vondst, namelijk een gedeelte van de Griekse tekst van de Openbaring van Jakobus. Hier is het nieuwsbericht van de University of Texas.

Maar is dit een “verloren bijbelboek”? Welnee. Om twee redenen. De (Eerste) Openbaring van Jakobus wordt door Roelof van den Broek gedateerd in de tweede helft van de tweede of de eerste helft van de derde eeuw. Ongetwijfeld zal dit boek voor de schrijver (uiteraard niet de historische Jakobus) en een groep geïnteresseerden een zeker gezag hebben bezeten. En als dit geschrift door die groep(en) in samenkomsten werd gelezen of bestudeerd als onderdeel van een bijzonder corpus, dan functioneerde de Openbaring van Jakobus voor hen inderdaad als heilige Schrift. Maar voor de meerderheid van de christenen geldt, dat als men al van dit geschrift had gehoord, men dit slechts als een “ketterse” vervalsing terzijde zou hebben geschoven. Het boek heeft nooit enige kans gemaakt om in de Bijbel te worden opgenomen. Dit geldt trouwens niet alleen voor dit soort “ketterse” geschriften, maar ook voor vele “orthodoxe” van gelijke aard (bijvoorbeeld de Openbaring van Paulus, of de Handelingen van Paulus). En zelfs geschriften die wij als bijbelboek kennen, zijn omstreden geweest. Een bekend voorbeeld is de Openbaring van Johannes, dat door velen werd verworpen, zelfs na de vierde eeuw. Kortom, het is misleidend de Openbaring van Jakobus aan te duiden als een bijbelboek. Alsof dat een vaste eigenschap van een boek zou zijn, of alsof het boek geschreven zou zijn om in de Bijbel te worden opgenomen.

In de tweede plaats is dit boek nu niet “teruggevonden”. Het was al decennia geleden gevonden in twee versies. Bij de Nag Hammadigeschriften zat een Koptische vertaling. (Omdat er ook een andere Openbaring van Jakobus in deze verzameling zit, pleegt men het geschrift waar we het in deze blogpost over hebben de [Eerste] Openbaring van Jakobus te noemen.) En in de jaren zeventig is er een andere Koptische tekstversie gevonden in de Tchacoscodex. Beide versies hebben beschadigingen en kunnen elkaar aanvullen, maar er zitten ook verschillen tussen. Het belangwekkende is nu dat er een gedeelte van de Griekse tekst is gevonden. Daarmee kan een beter zicht verkregen worden op de tekstgeschiedenis van dit boek. Saillant is overigens dat het manuscript met de Griekse tekst uit de vijfde of zesde eeuw komt, en de handschriften met de Koptische vertaling ongeveer uit de vierde eeuw.

In het NOS-artikel krijgt cultuurhistoricus Jacob Slavenburg het woord, die, om het diplomatiek te zeggen, een nogal bijzondere visie heeft op de oorsprong van het christendom. Hij suggereert dat er aanvankelijk zo’n honderd evangeliën verdeeld waren over plaatselijke gemeenten, waaruit er uiteindelijk slechts vier zijn gekozen. Hieruit kan het beeld ontstaan, dat die honderd allemaal eenzelfde kans hadden of evenveel gezag kregen. Maar dat is niet zo. Verreweg de meeste evangeliën, openbaringen, handelingen en brieven die niet in het Nieuwe Testament staan, worden gedateerd in de tweede eeuw of later, toen de kern van de nieuwtestamentische canon (de vier evangeliën en de brieven van Paulus) zich al aan het vormen was. Volgens de gangbare wetenschappelijke opvattingen bevat het Nieuwe Testament de oudste christelijke geschriften. Er zijn maar een paar geschriften bekend, zoals 1 Clemens en de Didache, die waarschijnlijk ouder zijn dan de jongste bijbelboeken.

Overigens is de suggestie dat de “orthodoxen” actief achter “ketterse” teksten aangingen om ze te vernietigen, erg misleidend. Ongetwijfeld zal zoiets af en toe zijn voorgekomen, maar de meeste “ketterse” teksten zijn gewoon op een gegeven moment niet meer gekopieerd en daardoor verloren gegaan. Hetzelfde geldt voor vele “orthodoxe” geschriften die we niet meer hebben.

Update: Zie ook dit artikel in de Volkskrant.

Update: Zie ook dit opinieartikel van prof.dr. Johannes van Oort.

Bewijs voor de opstanding van het lichaam

Een jaar geleden publiceerde ik een artikel over een opmerkelijk traktaat over de opstanding (De resurrectione), dat aan Justinus wordt toegeschreven maar vermoedelijk van iets later datum is, zo ongeveer rond 200 AD. In dit werkje geeft de auteur een filosofische bewijsvoering voor de opstanding van het vlees (d.w.z., het vergankelijke lichaam).

Wat dit traktaat zo intrigerend maakt is niet zozeer het bewijs zelf, dat naar onze maatstaven achterhaald is, maar het feit dat hij een dergelijke bewijsvoering opzet. Uit Eusebios’ Kerkgeschiedenis weten we dat er in het begin van de derde eeuw in Rome een groep was rond Theodotos de Schoenmaker die met behulp van Aristoteles en Theophrastos christelijke leerstellingen in de vorm van bewijzen goot. Het zou mij niet verbazen als de auteur van De resurrectione zich verwant voelde met zo’n groep, of ermee wilde wedijveren.

Het betoog is namelijk zo opgezet, dat voor degenen die twijfelen over de juiste opvatting over de opstanding van het vergankelijke lichaam het helder gemaakt wordt dat instemming hiermee volkomen rationeel is. De verwerping ervan, wat uiteraard in het licht van de heersende opvattingen het meest rationeel scheen, krijgt als label mee dat het nog dommer is dan wat ‘heidenen’  over hun goden denken. De groep van de auteur met diens afwijkende opvatting behoort in feite bij de buitenstaanders, maar de auteur tracht mensen die op de drempel staan zo te manipuleren dat ze denken dat zijn groep het redelijke denken vertegenwoordigt, terwijl andere groepen juist buitenstaanders zijn. Zijn gebruik van de filosofie dient ertoe zijn eigen opvattingen te normaliseren en de tegenstanders een gezaghebbende troef uit handen te nemen.

9783525593745

Deze offensieve benadering die zich het gezaghebbende rationele denken toe-eigent, is heel anders (en uiteindelijk succesvoller gebleken) dan de benadering die je in een brief over de geestelijke opstanding uit ongeveer dezelfde tijd tegenkomt. In deze brief, geschreven aan een zekere Rheginos, wordt het filosofische denken juist afgeserveerd ten gunste van geloof en esoterie. Het is denk ik een van de factoren van het succes van het christendom geweest, dat het zich óók presenteerde als een filosofie en zich daarmee committeerde aan het rationele denken.

N.a.v. mijn ‘Proving the Resurrection of the Flesh: The Use of Natural Philosophy and Galenic Epistemology in Pseudo-Justin’s De Resurrectione’, in Joseph Verheyden, Andreas Merkt, and Tobias Nicklas (eds.), “If Christ has not been raised…”: Studies on the Reception of the Resurrection Stories and the Belief in the Resurrection in the Early Church (Novum Testamentum et Orbis Antiquus/Studien zur Umwelt des Neuen Testaments 115; Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2016), 135–147 (pre-print versie hier).

John of Damascus, Commentary on Paul’s Epistle to the Ephesians 1.1-14

To my knowledge, there is no modern translation of John of Damascus’s commentaries on the corpus paulinum, written in the first half of the eighth century AD. While reading his commentary on Ephesians, it occurred to me that it would not be that laborious an undertaking to work out my notes into a full translation. John’s commentary consists of short comments on the text of the New Testament. It is probably not the most exciting commentary ever written, but nonetheless it is worthwile to make a part available in English.

Here follows a first version of a translation of the comments on Ephesians 1:1-14. The edition used is R. Volk (ed.), Die Schriften des Johannes von Damaskos, vol. 7: Commentarii in epistulas Pauli (Patristische Texte und Studien 68; Berlin, 2013), 384-411. The Biblical text is that of the NRSV, slightly adapted.

John of Damascus

Commentary on the Epistle of Paul to the Ephesians

 

(384) (PG 95, 821) 1:1 Paul, apostle of Jesus Christ.

The main point of the epistle is to teach them about the goodness of Christ. This goodness consists of our assumption and sanctification in Him, because we have become His body and have Him as head. The cause of this grace is the goodness of God, which is praised forever. The way towards it is the forgiveness through the blood of Christ.

1:1–3 By the will of God, to the saints who are in Ephesus and the faithful in Christ Jesus. Grace to you and peace from God our Father and the Lord Jesus Christ. Blessed be the God and Father of our Lord Jesus Christ.

Just as regarding the other works of God, so also regarding his own apostleship (Paul) says it is from God, brought about by Christ, because He is the power of God.

(PG 95, 824) 1:3 Who has blessed us in Christ with every spiritual blessing in the heavenly places.

He Himself, [Paul] says, is our blessing; that is, the gift from God in order that we enjoy the spiritual goods. The enjoyment of them is not on earth, since the blessings are also not carnal, but heaven is their eternal place.

1:4–5 Just as He chose us in Him before the foundation of the world to be holy and blameless before Him in love. He destined us for adoption as His children through Jesus Christ.

The grace of the Spirit has manifested itself now, on the one hand, but on the other hand it has existed from the beginning with God, being allotted to the elect, whom He also destined to be assistants of God through the holiness that has been given.

(385) 1:5–6 According to the good pleasure of His will, to the praise of His glorious grace that He freely bestowed on us.

He freely bestowed on us, (Paul) says, having made us into sons by voluntary goodness, not by payment on the basis of our works.

1:6–8 In the Beloved. In Him we have redemption through His blood, the forgiveness of our trespasses, according to the riches of His grace that He lavished on us with all wisdom and insight.

Since the Scriptures say everywhere that He became obedient to the Father until death (Phil. 2:7), and since Christ said: ‘God, my God, why have you left me?’ (Mk. 15:34)—one should not suppose that He truly had been left, as He spoke this kind of words from our perspective—for this reason the divine Scripture proclaims everywhere that He is loved and beloved.

1:9 He has made known to us the mystery of His will.

Only in this way the grace of Christ comes towards us: through knowledge; it is not accommodated to those who are ignorant.

1:9–10 According to His good pleasure that He set forth in Christ as a plan for the fullness of time.

For before the world He was well pleased with this kindness. He destined also a time for it, when He admitted the things that were predestined as a fitting end.

1:10 To gather up all things in Him, things in heaven and things on earth.

Inasmuch as Adam sinned and robbed himself from all these things, renewal happened in Christ. Of which things, then, did he rob himself? While he was uncorrupted, he ended up in corruption, and while he was immortal, he ended up in death and away from (386) paradise, outside of para|dise. (PG 95, 825) God therefore planned to gather up  and to renew [all things]. And on behalf of the following the Only-begotten became a human being: in order to dissolve death, to abolish corruption, and to throw out sin, what indeed has happened when Christ came. The phrase things in heaven means that the angels had great and constant grief because of the fact that the world was sinning and was under a curse. And it is clear on the basis of the Lord’s saying that there is joy in heaven about one sinner who repents (Lk. 15:7). It means, then, that the Lord came and renewed both things on earth and things in heaven. He gave the angels rest from that grief which they were having on account of the corruption of humankind. For he lifted them up towards the previous joy, the one about the people who are saved.

1:11–12 In Him we have also obtained an inheritance, having been destined according to the purpose of Him who accomplishes all things according to the counsel of His will, so that we, who were the first to set our hope on Christ, might live for the praise of His glory.

By being one with Christ, (Paul) says, we are a portion of God.

1:13 In him you also, when you had heard the word of truth, the gospel of your salvation, and had believed in Him, were marked with the seal of the promised Holy Spirit.

(Paul) says: You too belong to those who were known beforehand, being reconciled with Christ through obedience,  through faith after having heard, and through sealing after having come to faith, which is being made like Christ through the participation in the Spirit. From whom else did they hear the word of truth than from John the evangelist? For he proclaimed [the gospel] there. That is why Paul speaks with them in a loftier manner, because they were prepared beforehand by John’s teaching [= Severian of Gabala]. For the man was very lofty in speaking about God.

1:14 Who is the pledge of our inheritance toward redemption as God’s own people, to the praise of His glory.

With pledge (Paul) means the beginning of acquisition. So he says that those who have received the Spirit already have begun to be possessions of Christ and God.

 

Christus de drakendoder

Plato’s dialoog Symposium gaat over liefde (erôs). Het is geen toeval dat het Symposium van Methodius van Olympus, vermoedelijk geschreven tussen 260 en 290, gaat over kuisheid. Na een paradijselijk banket houden tien meisjes om beurten een lofrede op de maagdelijkheid. Het onderwerp wordt in geleerde betogen van verschillende kanten bekeken: historisch, ethisch, hermeneutisch, en vanuit een allegorische uitleg van de Bijbel.

De achtste rede van Tekla bevat onder meer een uitleg van de mythe van de vrouw en de draak uit Openbaring 12. De dochters van de vrouw (die staat voor de kerk), is de conclusie, moeten het gevecht aangaan met het beest, en zich bewapenen met de geestelijke wapenrusting (Efeziërs 6:12-17). Daar kan de draak, wiens zeven hoofden staan voor verschillende ondeugden, zeker niet tegen op. Want als de draak ziet dat je bij Christus hoort, zal hij het opgeven. Christus heeft de draak immers al verslagen.

Op dit punt vlecht Tekla een gedicht in haar betoog. Het is een bewerking van de Ilias (6.181-183), welke passage handelt over de strijd tussen Bellerofontes en het monster Chimaira.

Leeuw van voren, van achteren slang en chimaira in ’t midden,
die een afschuwlijke adem van laaiende vlammen uitstootte.
Hij echter doodde het dier, op zijn Vaders tekens vertrouwend,
Christus de Koning. Velen had het vernietigd, niemand
veelde het uit zijn bek druipende dodelijk schuim.

Methodius van Olympus, Symposium 8.12. (De eerste drie regels zijn overgenomen en aangepast uit de vertaling van H.J. de Roy van Zuydewijn. De laatste regel is een dactylische pentameter.)

Deze mengvorm van bijbelse en Griekse mythologie is literair misschien niet altijd even geslaagd, maar als cultureel en historisch fenomeen is het in elk geval bijster interessant.