Puzzelen met Theodoor van Mopsuestia (3)

Kunnen we weten hoe het verloren gegane boek Uitleg van de schepping ofwel Commentaar op Genesis van Theodoor van Mopsuestia eruit zag bij de uitleg van Genesis 1:26? In deze (voorlopig laatste) aflevering ga ik in op gevallen waarin er geen directe citaten in het Grieks (of vertalingen daarvan) voorhanden zijn, maar alleen parafrases. En hoe kunnen we weten of er sprake is van een parafrase van Theodoors werk?

Laten we beginnen bij Johannes Philoponus, die schrijft dat volgens Theodoor God de Vader twee machten (δυνάμεις) heeft: het Woord (Logos) of de Zoon, en de heilige Geest. Theodoor maakt nu een analogie met de ziel: de ziel heeft ook twee machten/vermogens, namelijk de rede (logos) en vitaliteit. In dit opzicht lijkt de mens op God.

Dezelfde (unieke) gedachte komen we tegen bij Procopius van Gaza, die rond 500 een enorme commentaar op de Octateuch schreef, waarin hij een selectie presenteerde uit excerpten van de kerkvaders. Helaas is hij hierbij parafraserend te werk gegaan, en geeft hij geen bronvermeldingen. De bovenstaande visie van Theodoor komen we ook bij hem tegen, maar dan anoniem. Op basis van Johannes Philoponus’ citaat valt die passage dus te identificeren als afkomstig van Theodoor. Hierbij komt, dat in dezelfde context bij Procopius veel meer citaten van Theodoor zijn te vinden—ook al zijn die lang niet allemaal als zodanig gemarkeerd in de recente uitgave van Procopius’ Commentaar op Genesis.

Dezelfde gedachte komen we ook tegen in een anonieme Syrische commentaar uit de eerste helft van de achtste eeuw, die we naar de voormalige locatie van het manuscript kortweg de Diyarbakır commentaar noemen. Deze commentaar verwijst soms expliciet naar Theodoor als ‘de Uitlegger’ (een status die hij kreeg in de Kerk van het Oosten; vandaar de grote invloed van zijn exegese in deze traditie), maar er zijn ook vele parallellen met Theodoors werk aan te wijzen die niet expliciet aan Theodoor worden toegeschreven. Zo ook hier. Ik zet nu de eerste frasen van de drie versies naast elkaar:

Joh. Philoponus Procopius Diyarbakır
God heeft twee machten, één is de God-Logos en Zoon, de ander de heilige Geest. Hij (God) nu heeft de volgende twee hypostatische machten, die, ongedeeld, uit hemzelf voortkomen en in hem blijven: de enige Zoon en de heilige Geest. Nu zijn er twee hypostatische machten in de Vader: de Zoon en de Geest.

Als we nog meer tekst zouden meenemen zou nog duidelijker worden dat de Diyarbakır commentaar versimpelt en samenvat. Maar samen maken deze commentaar en Procopius wel duidelijk dat het citaat dat Philoponus aan Theodoor toeschrijft, niet heel letterlijk is. Want Philoponus laat de term ‘hypostatisch’ weg, en voegt ‘God-Logos’ toe—dit laatste om de analogie met de menselijke logos duidelijker te maken. Procopius is het uitvoerigst, en als we nog meer tekst hadden meegenomen, zou nog duidelijker worden dat de conclusie hier moet luiden dat Procopius, ook al geeft hij een parafrase, hier het dichtst bij de tekst van Theodoor staat.

Maar nu komt het: zodra het citaat, of beter, de parafrase van Philoponus ophoudt, gaan Procopius en de Diyarbakır commentaar verder met twee Schriftcitaten die de analogie tussen de Drievuldigheid en de ziel moeten ondersteunen, namelijk Johannes 1:1 (de Zoon wordt hier Logos genoemd) en 1 Korintiërs 2:11 (waarin Paulus een vergelijking maakt tussen de goddelijke en de menselijke geest). Dit moet uit dezelfde bron komen. Ook al is deze passage niet aan Theodoor toegeschreven, toch kan deze bron niets anders zijn dan Theodoors commentaar.

Een vergelijkbaar geval is de parallel tussen Procopius en een andere Syrische auteur, namelijk Theodoor bar Koni (ca. 800). Beiden geven als reden waarom de ziel de Drievuldigheid weerspiegelt, dat het goddelijk mysterie voor de mens herkenbaarder zou zijn. Ook hier kan de gezamenlijke bron moeilijk iets anders zijn dan de commentaar van Theodoor van Mopsuestia.

theodoor-stemma-bronnen

Met deze bronnenkritiek valt een deel van de verloren gegane commentaar van Theodoor te reconstrueren. Het resultaat is van groot wetenschappelijk belang, maar de weg ernaar toe biedt ook veel voldoening, als je tenminste van puzzelen houdt.

Justinus, Trypho en χριστός

Het debat over de historiciteit van Jezus is al begonnen in de tijd toen jodendom en christendom als twee rivaliserende religieuze stromingen tegenover elkaar kwamen te staan. Het oudste geschrift waarin over die historiciteit gedebatteerd wordt, is de Dialogus cum Tryphone (‘Het gesprek met Tryphon’) van de Grieks-christelijke filosoof Justinus (ca. 100-165 n.Chr.). Tryphon, de Joodse opponent van Justinus, verdedigt daar de stelling dat Jezus nooit heeft geleefd en dat de christenen hem, als was hij een personage in een roman, verzonnen hebben.

Ik kwam deze opmerkelijke tekst tegen in de inleiding van Meijers en Wes’ vertaling van De Oude Geschiedenis van de Joden deel 3.1 Het leek mij een straffe bewering, en omdat ik toevallig een editie van Het gesprek met Trypho onder handbereik had, kon ik haar meteen controleren. In de passage die waarschijnlijk bedoeld is (Dial. 8.4), laat Justinus Trypho het volgende zeggen:

Χριστὸς δέ, εἰ καὶ γεγένηται καὶ ἔστι που, ἄγνωστός ἐστι καὶ οὐδὲ αὐτός πω ἑαυτὸν ἐπίσταται οὐδὲ ἔχει δύναμίν τινα, μέχρις ἂν ἐλθὼν Ἠλίας χρίσῃ αὐτὸν καὶ φανερὸν πᾶσι ποιήσῃ· ὑμεῖς δέ, ματαίαν ἀκοὴν παραδεξάμενοι, Χριστὸν ἑαυτοῖς τινα ἀναπλάσσετε καὶ αὐτοῦ χάριν τὰ νῦν ἀσκόπως ἀπόλλυσθε.2

Wie hiervan vluchtig een vertaling leest, ziet de woorden “Christus, als hij al geboren is […]; maar jullie hebben een Christus voor jullie zelf gemaakt […].” Betekent dit nu, dat Trypho zegt dat Jezus nooit heeft geleefd en dat de christenen hem verzonnen hebben? Nee. Eerst volgt hier nu de vertaling van J.C.M. van Winden:

Wat de Gezalfde betreft, als hij al geboren is en zich ergens bevindt, dan is hij onkenbaar. Ja, hij kent zichzelf nog niet en heeft geen enkele macht, totdat Elia komt en hem zalft en aan iedereen bekendmaakt. U [christenen] echter hebt, gehoor gevend aan ijdele woorden, uzelf een Christus gemaakt en omwille van hem laat u zich nu doelloos te gronde richten.3

De zorgvuldige lezer ziet, dat de χριστός waarover Trypho als eerste spreekt, de messias is zoals Trypho hem zelf voorstelt. Deze is mogelijk geboren, zegt hij, maar als dat het geval is, dan is hij nog onbekend en onbeduidend, totdat Elia komt. Philippe Bobichon merkt terecht op:

La réflexion porte alors sur la conception du Messie, et non sur son identification avec une personne déterminée.4

Het verwijt aan de christenen is ook niet, dat zij Jezus hebben verzonnen—Trypho spreekt in het vervolg onbekommerd over Jezus als mens—maar dat zij χριστός van hem hebben gemaakt.

De conclusie moet luiden, dat Fik Meijer en M.A. Wes hier zéér slordig hebben gelezen en daardoor Justinus verkeerd hebben geïnterpreteerd.

Noten

[1] Flavius Josephus, De Oude Geschiedenis van de Joden [Antiquitates Judaicae], dl 3: Boek XIV-XX (vert., inl. en aant. F.J.A.M. Meijer en M.A. Wes; Amsterdam/Leuven: Ambo/Kritak, 1998), 66.

[2] Philippe Bobichon (red.), Justin Martyr. Dialogue avec Tryphon: Édition critique, traduction, commentaire (2 dln, Paradosis 47; Fribourg: Academic Press, 2003).

[3] J.C.M. van Winden, Ware wijsheid. Wegen van vroeg-christelijk denken (Bronnen van de Europese cultuur 10; Baarn: Ambo, 1992), 60.

[4] Bobichon, Justin Martyr, 2:603.

Puzzelen met Theodoor van Mopsuestia (2)

Kunnen we weten hoe het boek Uitleg van de schepping van Theodoor van Mopsuestia eruit zag bij de uitleg van Genesis 1:26? Ja, tot op zekere hoogte kan dat. Het geschrift zelf is verloren gegaan, maar er zijn een aantal indirecte bronnen.

Laten we beginnen met Johannes Philoponos (‘de ijveraar’). Deze zesde-eeuwse geleerde tracht in zijn werk Over de schepping van de wereld aan te tonen dat het christelijk geloof in overeenstemming is met de wetenschap. (Hij is bekend van de impulstheorie, waarmee hij onder meer Galileo Galilei beïnvloedde.) Johannes moet niet veel hebben van Theodoor en zijn aanhangers, omdat die een wereldbeeld voorstonden die gebaseerd was op een tamelijk letterlijke lezing van de Bijbel. De aarde was volgens hen een platte schijf, drijvend op water, overkoepeld door een firmament van ijs, dat de vloer van de hemel vormde. Daarbij laten ze zich weinig gelegen liggen aan wereldse wijsheid. Johannes poogt juist aan te tonen dat de Bijbel in overeenstemming is met de natuurfilosofie van zijn tijd. Hij betwist natuurlijk dat Theodoor en zijn navolgers de Bijbel op de juiste manier uitleggen: als er staat “het rond der aarde” wordt er volgens Johannes niet een platte schijf, maar een bol bedoeld.

Johannes Philoponos citeert Theodoor zo nu en dan uitvoerig om hem daarna te weerleggen. Bij Genesis 1:26 schrijft hij:

De goede Theodoor (…) interpreteert in het vierde boek over Genesis de woorden ‘naar een beeld’ en ‘naar een gelijkenis’ anders. (…) Hij zegt: “Zoals namelijk een keizer, nadat hij een grote stad gebouwd heeft en een beeld van zichzelf heeft laten maken, dat in het midden van de stad zet, zodat het wordt geëerd door de burgers als plaatsvervanging voor de keizer, ja zelfs wordt vereerd, zo stelde ook God, nadat hij de wereld gemaakt had, de mens aan in de functie van zijn eigen beeld, zodat heel de schepping in de dienst aan deze mens God de gepaste eer zou geven.”

Als we niets anders hadden dan dit citaat, zouden we op basis van Johannes’ citeergewoonten een inschatting moeten maken of dit een betrouwbaar citaat is. Maar gelukkig valt het te controleren, en wel met behulp van twee andere bronnen. De eerste is de zogeheten Collectio Coisliniana, een exegetische collectie (rond 500 n.Chr.) waarin ook fragmenten van Theodoor zijn opgenomen. De passage die Johannes Philoponos gelezen moet hebben, luidt hier als volgt:

Zoals al de inwoners van een grote stad, wanneer een keizer, nadat hij die stad had gebouwd en het had opgetuigd met vele bouwwerken van allerlei aard, na de voltooiing ervan verordende dat een beeld van hem [1], groots en welgevormd [2], in het centrum van heel de stad moest staan als bewijs dat hij de stichter van de stad was, dat beeld moesten eren als een beeld van de keizer die de stad gebouwd had, en hun dankbaarheid moesten uiten jegens de stichter van de stad omdat hij hun een dergelijke woonplaats had gegeven, zo heeft ook de Schepper van de wereld eerst het universum gemaakt en verfraaid met verschillende werken van allerlei aard, waarna hij de mens maakte en hem in de functie plaatste van zijn eigen beeld, zodat de hele schepping door respect voor en dienst aan hem de gepaste eer aan God zou geven.

[1] Marc. Gr. 573 fr. 1: “van hemzelf”.
[2] Marc. Gr. 573 fr. 1: “uitstekend” (ἐκπρεπεστάτην) in plaats van εὐπρεπεστάτην.

(N.B. ik heb me in de vertaling hier en daar enige vrijheid veroorloofd ten opzichte van het Grieks van deze kronkelige volzin.)

Het blijkt dus, dat Johannes Philoponos Theodoor samenvatte, maar wel met respect voor de betekenis. Een andere tekstgetuige voor de Griekse tekst bevestigt dat de Collectio Coisliniana hier een letterlijk citaat heeft. Deze getuige bevat de tekst van “wanneer een keizer” tot “moesten uiten”. Twee kleine tekstvarianten die kans maken op authenticiteit heb ik als voetnoten vermeld. Deze laatste tekstgetuige is trouwens heel interessant: het gaat om een dogmatische bloemlezing uit de tijd van de iconoclastische controverse. De auteur wil aantonen dat beelden gewoon in het Oude en Nieuwe Testament voorkomen. Kennelijk vond de auteur deze passage uit het werk van Theodoor hiervoor bruikbaar. En dat is begrijpelijk, omdat de uitleg van Theodoor beslist een originaliteitsprijs verdient. Hij verbindt het ‘beeld van God’, anders dan andere exegeten, heel sterk aan de functie van het letterlijke beeld van de keizer in steden zoals Antiochië.

Dat deze dogmatische bloemlezing, waarvan het handschrift te vinden is in Venetië, citaten van Theodoor bevat, zou onbekend gebleven zijn als niet een geleerde dit (nog steeds onuitgegeven) handschrift had bekeken en bestudeerd, en als niet een andere geleerde deze citaten had gepubliceerd. Het zou dus kunnen dat er in de toekomst nog meer fragmenten van Theodoors geschriften opduiken in obscure teksten, of dat zelfs het commentaar op Genesis van Theodoor zelf gevonden wordt.

De hierboven behandelde volzin is ook door Syrische exegeten gelezen en verwerkt in hun eigen commentaren. Omdat we de Griekse tekst hebben, voert het hier te ver om ook de Syrische echo’s te behandelen.

Op basis van drie Griekse citaten valt dus in dit geval het commentaar van Theodoor  te reconstrueren. Nu is dit een vrij eenvoudig voorbeeld. Want hoe moet het als er geen directe citaten in het Grieks voorhanden zijn, maar alleen parafrases? En hoe kunnen we dat laatste weten? Daarover een volgende keer.

Puzzelen met Theodoor van Mopsuestia (1)

Het leek me goed weer eens een nieuwe blogreeks te beginnen en daarom heb ik deze blogpost optimistisch de eerste aflevering gedoopt. Ik wil het gaan hebben over de vraag hoe we een bron kunnen bestuderen die niet meer bestaat. Bij de bestudering van de Oudheid is er immers het probleem van de bronnenschaarste: veel is niet gedocumenteerd, en veel is verloren gegaan. En in veel gevallen houdt het daarmee op. Als we al weten dat een geschrift bestaan heeft, weten we soms niet meer dan de naam van de auteur en misschien de titel.

Bij het geschrift waar ik het over wil gaan hebben ligt dat iets anders, omdat er her en der fragmenten bewaard zijn gebleven. Het gaat om het boek Uitleg van de schepping, het commentaar op Genesis van Theodoor, de bisschop van Mopsuestia (circa 350–428). Over diens bijzondere uitleg van Genesis 1:26 heb ik in Berlijn (Humboldt-Universität) en Amsterdam (Vrije Universiteit) een korte en een lange paper gepresenteerd, waaruit ik mij heb voorgenomen enkele casus hier te bespreken. Het gaat me hierbij meer om het technische aspect dan de inhoud van de tekst, met andere woorden: meer om de puzzel dan om het plaatje.

In de negende eeuw was Theodoors Uitleg van de schepping nog niet verloren gegaan. Dat weten we op grond van het feit dat de Byzantijnse geleerde Photius er in zijn Bibliotheek een recensie over heeft geschreven. Hij vond het maar niks: het geschrift vertoonde een gebrekkige stijl, bevatte te veel herhalingen en had een onaangename toon. Bovendien schrijft Photius dat het de leer van Nestorius uitbraakte. Theodoor zat inderdaad in het verdomhoekje, want hij was in 553 veroordeeld in de zogeheten Driekapittelstrijd. Dat heeft niet bijgedragen aan de overlevering van zijn werken.

Toch zijn er zeker zeven bronnen die ons informatie verschaffen over Theodoors uitleg van Genesis 1:26 en zo de puzzelstukjes leveren waarmee het mogelijk wordt een reconstructie te maken. Daarover de volgende keer.

Nee beste journalisten, geloven draait niet om het bestaan van Jezus

Deze morgen hoorde ik toevallig een interview op NPO Radio 1 over een recent verschenen boek, The Star of Bethlehem and the Magi (ed. George H. van Kooten and Peter Barthel; Leiden: Brill, 2015): De ster van Bethlehem heeft echt bestaan. Deze tendentieuze titel doet geen recht aan het interview – de geïnterviewden wijzen op de verschillende visies die naast elkaar bestaan –, hoewel de journalisten wel lijken te geloven dat dit boek op de een of andere manier zou bewijzen dat de ster echt bestaan heeft. Dat is immers gemakkelijke beeldvorming: de Bijbel heeft toch gelijk! Ophef!

Wat mij werkelijk begon te irriteren is echter een ander fenomeen, dat ik al veel vaker bij journalisten heb waargenomen. Misschien is het gespeeld, of verwoorden ze daarmee een vermeend gevoelen dat leeft onder ‘leken’. Ik weet het niet. Maar let eens op de volgende opmerking, na enige discussie over de kwestie van de ster:

Dan moet je er wel maar van uitgaan dat eh… dat er überhaupt… dat Jezus ooit is geboren, dat je gelovig bent.

Het eerste stuk van deze opmerking is nog enigszins zinvol, hoewel het subtieler had gekund, door bijvoorbeeld te zeggen: ‘Dan moet je er wel van uitgaan dat er historische gebeurtenissen ten grondslag liggen aan de geboorteverhalen.’ Het laatste stuk van de opmerking, ‘dat je gelovig bent’, is echter heel vreemd. Het veronderstelt dat vermeende kennis over Jezus afhankelijk is van je geloof in hem. Van Kooten wijst er vervolgens op dat hij de oudhistorische methode gebruikt. En Barthel zegt even later dat het gewoon een feit is dat Jezus er geweest is. (Kort door de bocht gezegd is dat inderdaad zo, hoewel niets ‘gewoon een feit’ is natuurlijk.) De andere interviewer gaat hier niet zomaar in mee:

Ja is dat zo? Maar daar draait toch eh.. het hele geloof om?

Zou de interviewer dat echt denken? Dat het geloof draait om het al of niet bestaan van God zou je nog kunnen verdedigen, hoewel dat ook een benauwde visie op geloof is. Maar het al of niet bestaan van Jezus is geen punt van discussie in het christelijk geloof. Het christelijk geloof draait erom dat Jezus leeft, en niet alleen maar heeft geleefd.

Nu ik erover nadenk, vermoed ik dat de journalist(en) simpelweg geen onderscheid maakte(n) tussen de historische Jezus en de literaire beelden van Jezus in de (christelijke) bronnen, of, nog waarschijnlijker, de populaire beeldvorming. Immers, als je bij ‘het bestaan van Jezus’ denkt aan de Jezus die over water loopt en water in wijn verandert (om maar twee in onze cultuur beeldbepalende wonderverhalen te noemen, waardoor Jezus vaak te boek staat als een soort veredelde goochelaar), dan is de opmerking dat het hele geloof hierom draait wel te begrijpen. Ook hier moet dan sterk genuanceerd worden, omdat het er in het christelijk geloof niet om gaat of je dit of dat wonder gelooft, maar of je gelooft dat Jezus Gods unieke vertegenwoordiger is. Dus nee, het hele geloof draait zelfs niet om de vraag of het beeld van de bovenmenselijke Jezus zoals dat in de christelijke bronnen en/of de cultuur bestaat, overeenkomt met de historische werkelijkheid.

In elk geval zou het veel miscommunicatie voorkomen als men in dit soort gesprekken zich eerst afvraagt: Over welke Jezus hebben we het eigenlijk? ‘Geloven in het bestaan van Jezus’ haalt allerlei zaken door elkaar. Over Jezus valt historisch, met seculiere historische methoden, het een en ander te zeggen, net zoals dat kan over Alexander de Grote of Pythagoras. En je kunt al dan niet in Jezus geloven, maar dat is een kwestie die niet wetenschappelijk valt te bepalen.