Wat nut ons de historische Jezus? (3)

[De kerk vereert Christus als de Zoon van God, God uit God, Licht uit Licht. Wat heeft die Christus nog te maken met de mens Jezus uit het begin van onze jaartelling? En wat heeft het te betekenen dat de boodschap over Jezus anders is dan de boodschap van Jezus?
In 2009 publiceerde Dale C. Allison Jr. The Historical Christ and the Theological Jesus (Grand Rapids, Mich.: Eerdmans). Je zou dit boek kunnen zien als de persoonlijke pendant van zijn meesterlijke studie Constructing Jesus (2010). Het biedt een door ervaring gelouterde visie op de relatie tussen historisch onderzoek naar Jezus en het christelijk geloof. In een aantal blogposts wil ik aan de hand van dit boekje nagaan hoe je op doordachte wijze vanuit het christelijk geloof met het onderzoek naar de historische Jezus om zou kunnen gaan.]

§5 Voorbij de dichotomie van feit en fictie

In de laatste aflevering is vastgesteld dat het historisch onderzoek naar Jezus geen kant-en-klaarpakket aan theologie en geloof aflevert. Bovendien blijkt dat er weliswaar wisselwerking is tussen historisch onderzoek aan de ene kant en theologie en geloof aan de andere kant, maar dat deze relatie niet in een vaste formule is te vangen.
In het volgende gedeelte van zijn boek gaat Allison weer terug naar het terrein van het historische onderzoek zelf. Het is vrij duidelijk, zo stelt Allison, dat we in veel opzichten meer weten dan vroeger. De afgelopen eeuw zijn er bijvoorbeeld reuzenstappen gezet in de kennis over de Joodse wereld waarin Jezus gesitueerd moet worden. Anderzijds ziet het er naar uit dat er verschillende historische portretten van Jezus zullen blijven bestaan. Dat komt ook door het simpele feit dat de bronnen en de historisch-kritische methode tekortschieten om, buiten een klein aantal gegevens waarover iedereen het wel eens is, met al te veel zekerheid over de historische Jezus te spreken. Bovendien vindt Allison dat historici niet in staat zijn om precies te beslissen wat Jezus wel en niet gezegd en gedaan heeft. Iets vergelijkbaars zei Annette Merz in haar inaugurele rede in Groningen:
We kunnen wat het leven en de boodschap van Jezus betreft over minder details dan ooit met de wenselijke waarschijnlijkheid overeenstemming bereiken juist omdat er op een aantal gebieden veel vooruitgang bereikt is. We weten dus tegelijk minder en meer. De algehele kennis over Jezus en de vroege Jezusbeweging in hun eerste-eeuwse Joodse context is zonder twijfel toegenomen. Ons vertrouwen in de historische nauwkeurigheid van individuele traditie eenheden is afgenomen en het onderscheid tussen feit en fictie, tussen gebeurtenis, gekleurde herinnering en op basis van authentieke herinneringen vorm gegeven fictieve traditie wordt steeds onduidelijker.
Allison zet zijn kaarten niet op de authenticiteit van dit of dat woord van Jezus, of op de authenticiteit van specifieke gebeurtenissen, maar op de algemene indrukken die steeds terugkeren in de bronnen. Want wat we meestal herinneren zijn de grote lijnen, de algemene strekking, terugkerende patronen. Als voorbeeld somt Allison een reeks teksten op waarin Jezus hoge eisen oplegt aan zijn volgelingen, die zichzelf zouden moeten opofferen. Het doet er niet toe of al deze uitspraken teruggaan op de historische Jezus, maar gezien het terugkerende patroon is het waarschijnlijk dat het stellen van dergelijke opvallend hoge eisen karakteristiek was voor Jezus.
Deze benadering is overigens niet zo nieuw als Allison het doet voorkomen. Wie bijvoorbeeld de publicaties van de Leidse hoogleraar Marinus de Jonge (die onlangs is overleden) kent, weet dat hij al decennia geleden in het voetspoor van weer andere nieuwtestamentici de nadruk legde op dwarsdoorsnedes door het (vroege) bronmateriaal heen.
Allison merkt op dat er weinig hoop is voor de historische betrouwbaarheid van de details, als op het meer algemene niveau, waar de herinnering het minst verandert, de bronnen een ernstig misleidend beeld zouden geven. Wordt dit niet weersproken door het feit dat op bijna elke bladzijde van de evangeliën wonderbaarlijke zaken gebeuren? Nee, want we kunnen redelijkerwijs aannemen dat Jezus de reputatie had dat hij wonderen verrichtte en dat sommigen geloofden dat zij heel bijzondere dingen hadden gezien. Hier geldt hetzelfde als bij Jezus’ woorden: het gaat niet om de authenticiteit van de afzonderlijke daden, maar om het terugkerende patroon.

IX. 3 Then Jesus leaped down from the roof and stood by the body of the child and cried with a loud voice and said: Zeno (for so was his name called), arise and tell me, did I cast thee down? And straightway he arose and said: Nay, Lord, thou didst not cast me down, but didst raise me up. And when they saw it they were amazed: and the parents of the child glorified God for the sign which had come to pass, and worshipped Jesus.

Kindheidsevangelie van Thomas, vert. M.R. James.

§6 Resultaten met consequenties

Na ingegaan te zijn op de te volgen methode, komt Allison te spreken over enkele concrete, onder historici tamelijk onomstreden resultaten van het historische onderzoek die ongemakkelijk kunnen zijn voor de theoloog en de gelovige.
Het eerste voorbeeld betreft de christologie. De bronnen presenteren Jezus enerzijds als een gewoon mens, anderzijds als iemand die tot de goddelijke wereld behoort. De orthodoxe oplossing voor dit gegeven heeft in feite Jezus’ menselijkheid doen verbleken. Dankzij het onderzoek naar de historische Jezus zullen weinig theologen nog overtuigd zijn van de vergezochte traditionele uitleg van de passages in de evangeliën waarin Jezus al te menselijk lijkt, of ondergeschikt aan God. Ook is het lastig voor de traditionele theologie dat de ‘hoge’ manier waarop Jezus over zichzelf spreekt in het evangelie naar Johannes tegenwoordig meestal wordt toegeschreven aan de verbeelding van de johanneïsche gemeente. Men moet er mee zien om te gaan dat het vrijwel uitgesloten is dat Jezus zich volledig bewust was van de goddelijke natuur die hij zou hebben, en dat hij daarover sprak. Aan de andere kant vinden moderne christenen het juist weer vervelend dat Jezus zichzelf waarschijnlijk een belangrijke positie in Gods heilsplan toedichtte.
Het tweede voorbeeld betreft de eschatologie. Ook al proberen sommige nieuwtestamentici en theologen er onderuit te komen, er is geen ontkomen aan: Jezus was een apocalyptische profeet. Hij verwachtte dat deze wereld spoedig ten einde zou komen en het koninkrijk van God zou aanbreken. Wij kunnen dat moeilijk anders verstaan dan als mythologie, als geprojecteerde verwachting. Het effect van zo’n apocalyptische visie was natuurlijk wel dat op de voorgrond trad waar het uiteindelijk om gaat en dat de gebreken van de status quo ontmaskerd werden. Moderne theologen en filosofen hebben dan ook Jezus’ apocalyptische boodschap existentialistisch of fenomenologisch geïnterpreteerd. Herinterpretatie van de apocalyptische verwachting begint overigens al in het Nieuwe Testament.
Het derde voorbeeld betreft de context van Jezus’ woorden. De uitspraken van Jezus in de evangeliën staan in een kunstmatige, literaire context. We weten bijna niets over de concrete situatie waarin bepaalde uitspraken gedaan zijn. Dat is tamelijk frustrerend.
Bovenstaande voorbeelden onderstrepen de vreemdheid van de historische Jezus. In het laatste hoofdstuk van zijn boek laat Allison echter zien dat Jezus ons ook zeer nabij kan komen.  
Advertenties

Wat nut ons de historische Jezus? (2)

[De kerk vereert Christus als de Zoon van God, God uit God, Licht uit Licht. Wat heeft die Christus nog te maken met de mens Jezus uit het begin van onze jaartelling? En wat heeft het te betekenen dat de boodschap over Jezus anders is dan de boodschap van Jezus?

In 2009 publiceerde Dale C. Allison Jr. The Historical Christ and the Theological Jesus (Grand Rapids, Mich.: Eerdmans). Je zou dit boek kunnen zien als de persoonlijke pendant van zijn meesterlijke studie Constructing Jesus (2010). Het biedt een door ervaring gelouterde visie op de relatie tussen historisch onderzoek naar Jezus en het christelijk geloof. In een aantal blogposts wil ik aan de hand van dit boekje nagaan hoe je op doordachte wijze vanuit het christelijk geloof met het onderzoek naar de historische Jezus om zou kunnen gaan.]

§3 Obstakels

Allison stelt dat het historische onderzoek naar Jezus hoe dan ook van belang is voor theologie en geloof. Voordat hij het daar over gaat hebben, noemt hij drie obstakels voor de theologische bruikbaarheid van het historische onderzoek naar Jezus.

(1) Er zijn meerdere historische Jezussen.  Weliswaar zijn er een paar — relatief saaie — basisgegevens die iedereen voor historisch houdt, maar al snel gaan de hypothesen uiteenlopen. Dat is voor een onderwerp uit de geesteswetenschappen niet verrassend. Maar we zullen dus, net als in de meeste vakgebieden, onze weg moeten vinden door het eens te zijn met sommigen, en niet met anderen. Maar hoe bepaal je als (relatieve) buitenstaander welke stemmen de moeite waard zijn om naar te luisteren?

(2) Er bestaat geen zuiver historische reconstructie van de historische Jezus. Zoals in elk historisch onderzoek speelt standplaats­­­gebondenheid onontkoombaar een rol. John Dominic Crossan gebruikt in dit kader de term interactivism, waarmee hij bedoelt dat de onderzoeker een zo eerlijk mogelijke dialectiek moet creëren tussen heden en verleden. Niettemin zijn er volgens Allison zorgwekkende verbanden te bespeuren tussen ideologische voorkeuren en de historische Jezus van dienst, bijvoorbeeld bij de liberale Robert Funk (Jesus Seminar) en de tamelijk conservatief-christelijke N.T. Wright. In de praktijk kiezen theologen meestal de historische Jezus van historici met wie ze ideologische affiniteit hebben.

De Nederlandse theoloog en patristicus Eginhard Meijering adviseert in zijn interessante boekje Wie is Jezus Christus? (2010) aan theologen zich niet als historici op te stellen, maar slechts de consequenties van de verschillende hypothesen te doordenken. Maar ook Meijering moet een keuze maken welke hypothesen hij serieus wil doordenken en welke niet. Het prijzenswaardige aan Meijerings opzet is dat hij voor zijn theologische betoog een hypothese als uitgangspunt neemt die hem persoonlijk niet het waarschijnlijkste lijkt en die het hem theologisch dan ook iets lastiger maakt.

(3) Het is onmogelijk de historische Jezus los te pellen uit de vroege bronnen. Wie iemand is en wat iemand betekent kan niet losgemaakt worden van wat anderen over die persoon denken en in die persoon zien. Het is daarom weinig zinvol een hard onderscheid te maken tussen wat ‘authentiek’ is aan het beeld van Jezus in de bronnen en wat latere ‘kerkelijke’ ontwikkeling. Tussen de vroege bronnen en Jezus bestaat ook een dialectiek: alles wat over Jezus gezegd wordt raakt aan christelijke belangen, maar wat de bronnen zeggen heeft tegelijk de historische Jezus als een van de oorzaken. De “unchurched Jesus” bestaat niet.

Kortom, de historische Jezus is niet keurig los te pellen uit de bronnen, is altijd het product van hermeneutische interactie tussen meerdere conceptuele horizonten en is daarom ook niet in één handzame uitvoering beschikbaar.


IX. 1 Now after certain days Jesus was playing in the upper story of a certain house, and one of the young children that played with him fell down from the house and died. And the other children when they saw it fled, and Jesus remained alone. 2 And the parents of him that was dead came and accused him that he had cast him down. (And Jesus said: I did not cast him down) but they reviled him still.

Kindheidsevangelie van Thomas, vert. M.R. James.


§4 Invloed van historisch onderzoek op theologie en geloof

Naast het feit dat het historisch onderzoek naar Jezus geen kant-en-klaarpakket aan theologie en geloof aflevert, is bovendien de vraag aan de orde in hoeverre historisch onderzoek daarop invloed kan hebben.

De eerste vraag die Allison stelt, is: hoeveel geschiedenis heeft de theologie of het geloof nodig? Hij maakt daarbij wel de aantekening, dat de gestelde vraag eigenlijk aan de verkeerde kant begint. De vraag mag immers het aanbod niet bepalen. Theologie en geloof hebben zich maar aan te passen aan hoeveel geschiedenis historici eigenlijk kunnen leveren. Desalniettemin: het blijkt afhankelijk van je vooronderstellingen hoeveel geschiedenis nodig is voor het geloof. Die vooronderstellingen hoeven natuurlijk niet dogmatisch vast te liggen. Terwijl fundamentalisten alles voor historisch houden, zijn voor velen bepaalde delen van de Bijbel wel waar of waardevol maar niet waar gebeurd. Of omgekeerd: juist niet waardevol en wel waar gebeurd. De betekenis van de Bijbel blijkt dus niet rechtstreeks afhankelijk te zijn van de historiciteit van gebeurtenissen. Maar er is wel degelijk een verband tussen ‘historisch waar’ en ‘betekenisvol’. De Rooms-katholieken hebben bijvoorbeeld de fictieve Catharina van Alexandrië van de heiligenkalender afgevoerd.

Een andere vraag is, of historisch onderzoek de enige manier is om Jezus ‘echt’ te leren kennen. Zoals al duidelijk is vanaf de eerste paragraaf van deze reeks, is de historische Jezus, in welke uitvoering dan ook, iets anders dan de ‘echte’ Jezus. Allison stelt dat historisch onderzoek naar Jezus in elk geval het kerkelijke lezen van de Bijbel en de kerkelijke Christus niet kan vervangen, alsof het Evangelie naar Marcus overbodig wordt als we weten ‘hoe het echt zit’. In die kerkelijke context is immers van belang hoe Jezus Christus van betekenis kan zijn in het geloof. Het historische en letterkundige onderzoek legt daarbij gewicht in de schaal. In positieve zin kan dat een fris perspectief bieden, maar aan de andere kant functioneert dit onderzoek als een waakhond. Je kunt via het geloof en zonder historisch-kritische onderbouwing niet opeens dingen beweren die direct ingaan tegen conclusies die op een historisch-kritische manier bereikt zijn.

Jezus, zo stelt Allison, kunnen we leren kennen door de oude teksten, de kerkelijke traditie, de cultuur, en ontmoetingen met de (volgens christenen) levende Jezus zelf. Is het daarbij een probleem dat we zo kennismaken met verschillende Jezussen?  Volgens Allison is een veelheid van portretten, juist bij zo’n belangrijk figuur, precies wat we zouden verwachten. Iemands identiteit ligt in the eye of the beholder. Religieuze ontmoetingen met Jezus of het appel dat Jezus op mensen doet, kunnen vanuit een historisch perspectief worden beschouwd als deel van zijn Wirkungsgeschichte. Vanuit christelijk perspectief kan de goddelijke werkelijkheid in Jezus niet worden beperkt tot zijn aardse leven: die kan zelfs actief zijn bij mensen die geen notie van Jezus hebben.

Tot zover enkele complicerende en relativerende observaties aan de hand van Allisons boek. De vraag is nu, hoe Allison verder gaat.

Wat nut ons de historische Jezus? (1)

De kerk vereert Christus als de Zoon van God, God uit God, Licht uit Licht. Wat heeft die Christus nog te maken met de mens Jezus uit het begin van onze jaartelling? En wat heeft het te betekenen dat de boodschap over Jezus anders is dan de boodschap van Jezus?

In 2009 publiceerde Dale C. Allison Jr. The Historical Christ and the Theological Jesus (Grand Rapids, Mich.: Eerdmans). Je zou dit boek kunnen zien als de persoonlijke pendant van zijn meesterlijke studie Constructing Jesus (2010). Het biedt een door ervaring gelouterde visie op de relatie tussen historisch onderzoek naar Jezus en het christelijk geloof. In een aantal blogposts wil ik aan de hand van dit boekje nagaan hoe je op doordachte wijze vanuit het christelijk geloof met het onderzoek naar de historische Jezus om zou kunnen gaan.

§1 Het historische aan de historische Jezus

Even heel kort: de ‘historische Jezus’ is een door historici geconstrueerde hypothese die op historisch-kritisch verantwoorde wijze het leven van Jezus van Nazaret wil beschrijven. De historische Jezus is dus iets anders dan de ‘echte’ Jezus. Zoals bij zoveel mensen uit de oudheid—van de meesten weten we (vrijwel) niets—is het slechts mogelijk een aantal aspecten van zijn leven met enige mate van zekerheid te belichten. De hoop en de claim van historici is uiteraard dat hun historische Jezus iets zegt over de ‘echte’ Jezus.


XIV. 1 But when Joseph saw the understanding of the child, and his age, that it was coming to the full, he thought with himself again that he should not be ignorant of letters; and he took him and delivered him to another teacher. And the teacher said unto Joseph: First will I teach him the Greek letters, and after that the Hebrew. For the teacher knew the skill of the child and was afraid of him: notwithstanding he wrote the alphabet and Jesus pondered thereon a long time and answered him not. 2 And Jesus said to him: If thou be indeed a teacher and if thou knowest letters well, tell me the power of the Alpha and then will I tell thee the power of the Beta. And the teacher was provoked and smote him on the head. And the young child was hurt and cursed him, and straightway he fainted and fell to the ground on his face. 3 And the child returned unto the house of Joseph: and Joseph was grieved and commanded his mother, saying: Let him not forth without the door, for all they die that provoke him to wrath.

Kindheidsevangelie van Thomas, vert. M.R. James.


§2 Theologische reacties

Dat er historisch onderzoek gedaan wordt naar Jezus van Nazaret is een gegeven. Vaak (niet altijd) is dat historische onderzoek ingebed in een bredere theologische setting. Als je het nog breder trekt, is het natuurlijk zo dat historisch onderzoek nooit ‘neutraal’ is. Dit tekent het spanningsveld: enerzijds gaat het om historisch onderzoek met historische methoden, anderzijds staan er ook (anti-)theologische belangen op het spel, zeker als het om Jezus Christus gaat. Dit valt nooit helemaal los van elkaar te zien.

Vanuit de christelijk theologie zijn er grosso modo drie reacties gekomen op het onderzoek naar de historische Jezus. Sommige onderzoekers hebben beweerd dat hun historische Jezus aantoont dat de traditionele geloofs­­­overtuigingen over Jezus Christus obsoleet zijn. Traditionelere theologen hebben gezegd dat de menswording van God christenen verplicht te vragen naar het historische leven van Jezus met behulp van historische methoden. Andere theologen hebben juist gezegd dat het evangelie niet kan rusten op de voorlopige oordelen van het historische onderzoek, met als gevolg dat zij dit grotendeels negeren.

In al deze reacties zit wel iets. Dat er door dit onderzoek vraagtekens komen te staan bij bepaalde aspecten van het traditionele geloof, valt niet te ontkennen. En dat vanuit de traditionele theologie gezien de geschiedenis theologisch van belang is, lijkt mij onomstreden. Maar het is ook zo dat het christelijk geloof iets anders is dan geloven dat x of y echt gebeurd is. Allison stelt dat het historische onderzoek naar Jezus hoe dan ook belangrijk is voor theologie en geloof. Dit blijkt alleen al uit het feit dat dit onderzoek de afgelopen anderhalve eeuw het theologische landschap grondig heeft veranderd.

Wie kennisgenomen heeft van het onderzoek naar de historische Jezus en niet hardnekkig wil volharden in oude waarheden—terug naar onwetendheid kan niet meer—moet dit onderzoek ook theologisch, vanuit (on)gelovig perspectief, een plek geven. Want het is uiteindelijk een verrijking, al is het niet altijd een comfortabele verrijking.  Allison: “The unexamined Christ is not worth having” (blz. 5).

Een vrijzinnig geluid over Jezus (1)

Recent verscheen een pamfletje over ‘de echte Jezus’. Onder de titel Angst voor de mythe betoogt theoloog en filosoof Arne Jonges dat de echte Jezus te vinden is “in het mythische verhaal en in de levende godsdienst”. Met een historische Jezus heeft dat allemaal niets te maken en daarom is dat onderzoek waardeloos. Dit boekje—gesponsord door de Vereniging van Vrijzinnige Protestanten—vormt zo een kritiek op de nieuwtestamentische wetenschap, die volgens Jonges door theologische belangen vertroebeld wordt. In een aantal blogposts (die onregelmatig zullen verschijnen) wil ik nagaan of dit vrijzinnige betoog steekhoudend is.

Arne Jonges is kleinzoon van de markante UvA-hoogleraar Gustaaf Adolf van den Bergh van Eysinga (1874-1957)1 en is dus persoonlijk betrokken bij de kwestie, zo schrijft hij (p. 6). Maar Jonges gaat niet zo ver als zijn grootvader: in tegenstelling tot de laatste denkt Jonges dat Jezus bestaan heeft en gekruisigd is (p.9). Maar dat is dan ook het enige dat over de historische Jezus valt te zeggen.

Opvallend is dat Jonges regelmatig namen verhaspelt. Zelfs de naam van zijn eigen grootvader spelt hij niet overal hetzelfde. De bibliografie is slordig samengesteld en de bibliografische stijl niet consistent.

Het uitgangspunt van de auteur is dat hij de Bijbel op dezelfde wijze als alle andere geschriften wil benaderen. Dat lijkt me vanuit wetenschappelijk oogpunt evident. Jonges zegt weliswaar “alle godsdienstige documenten”, maar die specificatie is denk ik niet restrictief bedoeld.

Vanuit dit uitgangspunt spreekt Jonges zijn verbazing uit over de ophef rond het boek van Edward van der Kaaij (2015) die zegt dat Jezus nooit bestaan heeft. Volgens Jonges ligt de kern van de ophef in de angst voor de term ‘mythe’ (p. 8). Maar dat is een verkeerde inschatting. Even afgezien van de reacties vanuit de Gereformeerde Bond, werd de ophef door een combinatie van twee dingen veroorzaakt: a) dat iemand binnen de Protestantse Kerk, die historisch-kritisch onderlegd zou moeten zijn het bestaan van Jezus bestreed en daar ook een podium voor kreeg in wat moet doorgaan voor de kwaliteitspers. Vergelijking met de Da Vinci Code (p. 8) gaat dus niet op, al is deze vergelijking van Jonges niet erg vleiend voor Van der Kaaij. Ook over de Da Vinci Code is trouwens het nodige geschreven door nieuwtestamentici. b) De tweede reden is niet zozeer de inhoud van Van der Kaaijs standpunt, maar het feit dat hij de wetenschappelijke methodiek en literatuur voor het grootste deel aan zijn laars lapt, en daarmee te kwalificeren is als een kwakhistoricus.

Het terechte historisch-kritische uitgangspunt van Jonges betekent inderdaad dat het geen enkel probleem is de vraag op te werpen of Jezus wel bestaan heeft. Dat is een buitengewoon interessante kwestie, niet alleen bij Jezus maar bij alle personages die in geschriften uit de Oudheid voorkomen. De uitkomst is niet zo opzienbarend (Jezus heeft bestaan), maar de vraag is veeleer: hoe weten we dat? Het historisch-kritische uitgangspunt betekent immers niet dat wetenschappers elk willekeurig ‘nieuw’ idee met open armen moeten ontvangen; het betekent wel dat willekeurig welk idee het overwegen waard wordt als iemand dat op een wetenschappelijk verantwoorde wijze onderbouwt.

Jonges ziet bovendien over het hoofd dat het woord ‘mythe’ verschillende betekenissen heeft. In het dagelijks spraakgebruik is een ‘mythe’ een verzonnen, onwaar verhaal. (“Dat dit soort voedsel extreem gezond is, is een mythe.”) In de godsdienstwetenschap is mythe echter een term voor een betekenisstichtend narratief waarin het goddelijke op een aanschouwelijke wijze aanwezig is. Bultmann bijvoorbeeld onderscheidde dit van het populaire begrip ‘mythe’. Een mythe in godsdienstwetenschappelijke zin kan dus geschiedenis insluiten, bijvoorbeeld als we het hebben over de keizercultus. Voor nieuwtestamentici is dit gesneden koek: het christendom is ontstaan onder mensen die leefden in een tijd die bepaald werd door mythisch denken. In die zin is Jezus vanaf het begin mythisch. Anders wordt het, wanneer het mythische wordt uitgespeeld tegen het historische en de betekenis van de term ‘mythisch’ dus naar de alledaagse betekenis toe kruipt. Als er in het gangbare spraakgebruik over ‘de mythische Jezus’ gesproken wordt, gaat het meestal over een Jezus die überhaupt niet bestaan heeft. In deze betekenis wijzen nieuwtestamentici de mythische Jezus af. Maar dat is geen angst voor de mythe, net zo min als artsen bang zijn voor kwakzalvers.

Bij sommige nieuwtestamentici en theologen is daarnaast wel theologisch gemotiveerde weerzin te bespeuren tegen een specifieke invulling van het begrip mythe in relatie tot het christendom, waarop ik later hoop terug te komen bij de bespreking van het vervolg van Jonges’ boekje. Jonges heeft dus ergens wel een punt over de ‘angst’ voor de mythe, al zit de kwestie volgens mij anders in elkaar dan Jonges denkt.

Noot

1 Net als zijn opvolgers J.N. Sevenster en J. Smit Sibinga was hij in Leiden opgeleid en aldaar lid van het nog altijd bestaande Collegium Theologicum. Zie J. Smit Sibinga, ‘G.A. van den Bergh van Eysinga’, in R.B. ter Haar Romeny en Joh. Tromp (red.), Quisque Suis Viribus, 1841-1991. 150 jaar theologie in dertien portretten (Leiden, 1991), 164-177; voor zijn blijvende actualiteit zie J.N. Sevenster, ‘Prof.dr. G.A. van den Bergh van Eysinga als nieuwtestamenticus’, Theologie en Practijk 18 (1958) 51-60.

Misquoting Albert Schweitzer

To no surprise for those who are a little bit familiar with the contrivances of quack historians, Albert Schweitzer is being quote mined to bolster the claims of the defenders of an “undurchführbare Hypothese” (infeasable hypothesis), as Schweitzer himself called  the hypothesis of the non-existence of Jesus (p. 564). Part of it is due to the English translation, but another part is certainly due to the fact that quotations of his work circulate without context, and moreover due to the lack of understanding of Schweitzer’s time and his place in the history of scholarship. Perhaps some light from the Netherlands, in between the German and the Anglo-Saxon world, could help to clarify the matter.

***

One quotation is from the beginning of the conclusion (English p. 398):

There is nothing more negative than the result of the critical study of the Life of Jesus.

The Jesus of Nazareth who came forward publicly as the Messiah, who preached the ethic of the Kingdom of God, who founded the Kingdom of Heaven upon earth, and died to give His work its final consecration, never had any existence. He is a figure designed by rationalism, endowed with life by liberalism, and clothed by modern theology in an historical garb.

This is a translation of the first edition. Compared to the second German edition (p. 631), the translation seems fine, except for the phrase “there is nothing more negative”, which is an exaggeration of “… den Ertrag der Leben-Jesu-Forschung … ist negativ”, i.e. “the result of the critical study of the life of Jesus is negative”.

Now, without context, it seems that Albert Schweitzer rejects the whole project of historical Jesus research. But nothing is further from the truth. First of all, Schweitzer wrote more than a century ago. But even more importantly,  he criticised a specific form of historical Jesus research, namely the liberal scholarship that was current in the nineteenth century, which, according to Schweitzer, tried to make the historical Jesus a stooge for their modern religious predilections. That Jesus had never any existence. Schweitzer’s own historical Jesus was the eschatological Jesus, who remained strange, even offensive, to our time.[1]

Apart from his criticism on the specific approach and method of most of the scholarship before him, Schweitzer has this to say about the Leben-Jesu-Forschung (p. 632):

Man kann es nicht hoch genug anschlagen, was die Leben-Jesu-Forschung geleistet hat. Sie bedeutet eine einzigartig große Wahrhaftigkeitstat, eines der bedeutendsten Ereignisse in dem gesamten Geistesleben der Menschheit.

In English (p. 399):

But it is impossible to over-estimate the value of what German research upon the Life of Jesus has accomplished. It is a uniquely great expression of sincerity, one of the most significant events in the whole mental and spiritual life of humanity.

***

“Wieder auf den schönen Orgel. 29-5-’52 Albert Schweitzer”.
Inscription (1952) in the music stand of the Van Hagerbeer Organ, St Peter’s Church, Leiden. (Photo A.L. Boon/Wikimedia.)

***

A second quote, only in the second edition, reads as follows (allegedly from p. 402 of the English translation of the second edition):

In reality, however, these writers are faced with the enormous problem that strictly speaking absolutely nothing can be proved by evidence from the past, but can only be shown to be more or less probable. Moreover, in the case of Jesus, the theoretical reservations are even greater because all the reports about him go back to the one source of tradition, early Christianity itself, and there are no data available in Jewish or Gentile secular history which could be used as controls. Thus the degree of certainty cannot even be raised so high as positive probability.

So nothing is achieved by calling on sound judgment or on whatever else one likes to ask for in an opponent. Seen from a purely logical viewpoint, whether Jesus existed or did not exist must always remain hypothetical.

This corresponds to p. 512 of the German edition. I doubt whether the translation “so high as positive probability” is correct; it certainly can leave a misleading impression. The German has the following text:

Es ist also nicht eimal eine Steigerung bis in die allerhöchsten Grade der Wahrscheinlichkeit möglich.

That is: “Thus even an increase to the highest degree of probability is not possible.”

Again, it is important to note the context of this quotation. On p. 511, Scheitzer argues that every historical statement must remain a hypothesis. When someone says that the (non-)historicity of Jesus is certain, such a statement is precise enough (“hinreichend präzis”) for everyday language, but from a scholarly point of view one can only speak about a certain degree of probability. Then, Schweitzer complains about writers, defending the existence of Jesus, who call on sound judgement (“Appell an den gesunden Menschenverstand”) for the ‘obvious’ fact that Jesus existed. That is, according to Schweitzer, fine for everyday language, but not a scholarly way to approach the matter. After that follows the quotation above. So Schweitzer makes a theoretical point, namely, that, just as in the case of every historical statement, the existence of Jesus must remain hypothetical. This theoretical point then serves to underpin the theological/philosophical idea that the historical Jesus cannot be the fundament of religion, but that the fundament of religion has to be fully independent of history.

It is obvious that this passage is not meant to give a judgement on the probability of the existence of the historical Jesus. It only clarifies the theoretical conditions of historical propositions. Schweitzer’s own conclusion can be found on p. 564:

Es ist also zu schließen, daß die Annahme, Jesus habe existiert, überaus wahrscheinlich, ihr Gegenteil aber überaus unwahrscheinlich ist.

In English (own translation): “Therefore, it has to be concluded that the assumption that Jesus existed is extremely likely, but its opposite extremely unlikely.” In everyday language: it is certain that Jesus existed.

Schweitzer summarises the arguments for this conclusion in the same paragraph. These arguments are that the problems for the hypothesis of Jesus’ non-existence are far more numerous, and in the end insurmountable and unanswerable. Further, the various hypotheses about the non-existence of Jesus until the publication of Schweitzer’s book stood in the sharpest opposition to each other.

***

To conclude, people who use Albert Schweitzer’s work to bolster claims about Jesus’ non-existence, either did not do their homework or are intentionally deceptive.

***

Albert Schweitzer, Geschichte der Leben-Jesu-Forschung. Tübingen: Mohr Siebeck, 21913 [1906].

***

[1] After publication of this blogpost, it has been pointed out that this paragraph bears some resemblance to Bart Ehrman’s Did Jesus Exist, pp. 12-13. I didn’t consult it for the writing of this post, but it possibly influenced the content and my writing style. On the other hand, what I say is commonplace. Anyhow, a reference to Ehrman is appropriate here.