Justinus, Trypho en χριστός

Het debat over de historiciteit van Jezus is al begonnen in de tijd toen jodendom en christendom als twee rivaliserende religieuze stromingen tegenover elkaar kwamen te staan. Het oudste geschrift waarin over die historiciteit gedebatteerd wordt, is de Dialogus cum Tryphone (‘Het gesprek met Tryphon’) van de Grieks-christelijke filosoof Justinus (ca. 100-165 n.Chr.). Tryphon, de Joodse opponent van Justinus, verdedigt daar de stelling dat Jezus nooit heeft geleefd en dat de christenen hem, als was hij een personage in een roman, verzonnen hebben.

Ik kwam deze opmerkelijke tekst tegen in de inleiding van Meijers en Wes’ vertaling van De Oude Geschiedenis van de Joden deel 3.1 Het leek mij een straffe bewering, en omdat ik toevallig een editie van Het gesprek met Trypho onder handbereik had, kon ik haar meteen controleren. In de passage die waarschijnlijk bedoeld is (Dial. 8.4), laat Justinus Trypho het volgende zeggen:

Χριστὸς δέ, εἰ καὶ γεγένηται καὶ ἔστι που, ἄγνωστός ἐστι καὶ οὐδὲ αὐτός πω ἑαυτὸν ἐπίσταται οὐδὲ ἔχει δύναμίν τινα, μέχρις ἂν ἐλθὼν Ἠλίας χρίσῃ αὐτὸν καὶ φανερὸν πᾶσι ποιήσῃ· ὑμεῖς δέ, ματαίαν ἀκοὴν παραδεξάμενοι, Χριστὸν ἑαυτοῖς τινα ἀναπλάσσετε καὶ αὐτοῦ χάριν τὰ νῦν ἀσκόπως ἀπόλλυσθε.2

Wie hiervan vluchtig een vertaling leest, ziet de woorden “Christus, als hij al geboren is […]; maar jullie hebben een Christus voor jullie zelf gemaakt […].” Betekent dit nu, dat Trypho zegt dat Jezus nooit heeft geleefd en dat de christenen hem verzonnen hebben? Nee. Eerst volgt hier nu de vertaling van J.C.M. van Winden:

Wat de Gezalfde betreft, als hij al geboren is en zich ergens bevindt, dan is hij onkenbaar. Ja, hij kent zichzelf nog niet en heeft geen enkele macht, totdat Elia komt en hem zalft en aan iedereen bekendmaakt. U [christenen] echter hebt, gehoor gevend aan ijdele woorden, uzelf een Christus gemaakt en omwille van hem laat u zich nu doelloos te gronde richten.3

De zorgvuldige lezer ziet, dat de χριστός waarover Trypho als eerste spreekt, de messias is zoals Trypho hem zelf voorstelt. Deze is mogelijk geboren, zegt hij, maar als dat het geval is, dan is hij nog onbekend en onbeduidend, totdat Elia komt. Philippe Bobichon merkt terecht op:

La réflexion porte alors sur la conception du Messie, et non sur son identification avec une personne déterminée.4

Het verwijt aan de christenen is ook niet, dat zij Jezus hebben verzonnen—Trypho spreekt in het vervolg onbekommerd over Jezus als mens—maar dat zij χριστός van hem hebben gemaakt.

De conclusie moet luiden, dat Fik Meijer en M.A. Wes hier zéér slordig hebben gelezen en daardoor Justinus verkeerd hebben geïnterpreteerd.

Noten

[1] Flavius Josephus, De Oude Geschiedenis van de Joden [Antiquitates Judaicae], dl 3: Boek XIV-XX (vert., inl. en aant. F.J.A.M. Meijer en M.A. Wes; Amsterdam/Leuven: Ambo/Kritak, 1998), 66.

[2] Philippe Bobichon (red.), Justin Martyr. Dialogue avec Tryphon: Édition critique, traduction, commentaire (2 dln, Paradosis 47; Fribourg: Academic Press, 2003).

[3] J.C.M. van Winden, Ware wijsheid. Wegen van vroeg-christelijk denken (Bronnen van de Europese cultuur 10; Baarn: Ambo, 1992), 60.

[4] Bobichon, Justin Martyr, 2:603.

Nee beste journalisten, geloven draait niet om het bestaan van Jezus

Deze morgen hoorde ik toevallig een interview op NPO Radio 1 over een recent verschenen boek, The Star of Bethlehem and the Magi (ed. George H. van Kooten and Peter Barthel; Leiden: Brill, 2015): De ster van Bethlehem heeft echt bestaan. Deze tendentieuze titel doet geen recht aan het interview – de geïnterviewden wijzen op de verschillende visies die naast elkaar bestaan –, hoewel de journalisten wel lijken te geloven dat dit boek op de een of andere manier zou bewijzen dat de ster echt bestaan heeft. Dat is immers gemakkelijke beeldvorming: de Bijbel heeft toch gelijk! Ophef!

Wat mij werkelijk begon te irriteren is echter een ander fenomeen, dat ik al veel vaker bij journalisten heb waargenomen. Misschien is het gespeeld, of verwoorden ze daarmee een vermeend gevoelen dat leeft onder ‘leken’. Ik weet het niet. Maar let eens op de volgende opmerking, na enige discussie over de kwestie van de ster:

Dan moet je er wel maar van uitgaan dat eh… dat er überhaupt… dat Jezus ooit is geboren, dat je gelovig bent.

Het eerste stuk van deze opmerking is nog enigszins zinvol, hoewel het subtieler had gekund, door bijvoorbeeld te zeggen: ‘Dan moet je er wel van uitgaan dat er historische gebeurtenissen ten grondslag liggen aan de geboorteverhalen.’ Het laatste stuk van de opmerking, ‘dat je gelovig bent’, is echter heel vreemd. Het veronderstelt dat vermeende kennis over Jezus afhankelijk is van je geloof in hem. Van Kooten wijst er vervolgens op dat hij de oudhistorische methode gebruikt. En Barthel zegt even later dat het gewoon een feit is dat Jezus er geweest is. (Kort door de bocht gezegd is dat inderdaad zo, hoewel niets ‘gewoon een feit’ is natuurlijk.) De andere interviewer gaat hier niet zomaar in mee:

Ja is dat zo? Maar daar draait toch eh.. het hele geloof om?

Zou de interviewer dat echt denken? Dat het geloof draait om het al of niet bestaan van God zou je nog kunnen verdedigen, hoewel dat ook een benauwde visie op geloof is. Maar het al of niet bestaan van Jezus is geen punt van discussie in het christelijk geloof. Het christelijk geloof draait erom dat Jezus leeft, en niet alleen maar heeft geleefd.

Nu ik erover nadenk, vermoed ik dat de journalist(en) simpelweg geen onderscheid maakte(n) tussen de historische Jezus en de literaire beelden van Jezus in de (christelijke) bronnen, of, nog waarschijnlijker, de populaire beeldvorming. Immers, als je bij ‘het bestaan van Jezus’ denkt aan de Jezus die over water loopt en water in wijn verandert (om maar twee in onze cultuur beeldbepalende wonderverhalen te noemen, waardoor Jezus vaak te boek staat als een soort veredelde goochelaar), dan is de opmerking dat het hele geloof hierom draait wel te begrijpen. Ook hier moet dan sterk genuanceerd worden, omdat het er in het christelijk geloof niet om gaat of je dit of dat wonder gelooft, maar of je gelooft dat Jezus Gods unieke vertegenwoordiger is. Dus nee, het hele geloof draait zelfs niet om de vraag of het beeld van de bovenmenselijke Jezus zoals dat in de christelijke bronnen en/of de cultuur bestaat, overeenkomt met de historische werkelijkheid.

In elk geval zou het veel miscommunicatie voorkomen als men in dit soort gesprekken zich eerst afvraagt: Over welke Jezus hebben we het eigenlijk? ‘Geloven in het bestaan van Jezus’ haalt allerlei zaken door elkaar. Over Jezus valt historisch, met seculiere historische methoden, het een en ander te zeggen, net zoals dat kan over Alexander de Grote of Pythagoras. En je kunt al dan niet in Jezus geloven, maar dat is een kwestie die niet wetenschappelijk valt te bepalen.

Jesus – Mythos und Wahrheit

Hieronder volgt een aflevering van het Duitse televisieprogramma History Live met als onderwerp Jesus – Mythos und Wahrheit (21 december 2014). Aan tafel zitten prof. em. dr. Klaus Wengst, dr. Hermann Detering en prof.dr. Annette Merz (hoogleraar Nieuwe Testament in Amsterdam/Groningen).

  • Wengst meent dat het onderzoek naar de historische Jezus weinig zin heeft. Weliswaar hebben de evangeliën betrekking op een concrete geschiedenis, maar de (theologische) waarheid ligt op het niveau van de Bijbelse vertelling, waarin Christus als levende aanwezigheid voor de gemeente present is. In Nederland zou je hiermee de zogeheten ‘Amsterdamse school’ kunnen vergelijken, die ook polemiseert tegen de historische exegese.
  • Detering vertegenwoordigt een extreem sceptische visie op de bronnen. Volgens hem is Jezus geen historisch figuur.
  • Merz representeert de gangbare historische opvatting over Jezus.

Paulus en de Jezustradities (9)

In (waarschijnlijk) de laatste aflevering van deze serie sta ik stil bij enkele gangbare verklaringen voor het feit dat Paulus nergens in zijn brieven uitgebreid stilstaat bij de aardse Jezus. Hierbij leun ik natuurlijk op de eerdere afleveringen, dus ik zal het vaak bij een beknopte beoordeling houden.

1. Paulus kon kennis over de aardse Jezus veronderstellen.

Deze stelling klopt in zoverre, dat Paulus aan mensen schrijft die al tot zijn groep behoren. Daarom kan hij vaak zaken beknopt aanduiden, verwijst hij naar overleveringen die hij eerder aan ‘zijn’ gemeentes had doorgegeven, en kan het moeilijk anders dan dat hij bekeerlingen op zijn minst in grote lijnen heeft uitgelegd wie Jezus was. Aan de andere kant wordt deze stelling soms als excuus gebruikt om zomaar gegevens uit latere bronnen in Paulus in te lezen. Dan verwordt deze verklaring tot een apologetische truc.

Een gerelateerd punt is dat de zeven onbetwiste brieven slechts fragmentarisch bewijs zijn. We mogen er niet vanuit gaan, dat we alle brieven van Paulus hebben, of dat deze een compleet beeld geven van de kennis van de apostel. De uitdaging is om te gaan met een puzzel waarvan vele stukjes kwijt zijn. Aan de andere kant is het geen gewaagde veronderstelling dat Paulus zaken communiceert die belangrijk voor hem zijn, en dat we dus door een doortastende interpretatie wel het een en ander kunnen zeggen over, onder andere, de plaats van de aardse Jezus in Paulus’ denken.

2. Paulus (en de mensen aan wie hij schrijft) had(den) geen interesse in de aardse Jezus.

Deze stelling klopt in zoverre, dat de belangstelling voor de historische Jezus een modern perspectief is. Het valt echter niet vol te houden dat Paulus helemaal geen interesse had in de aardse Jezus. De aardse Jezus is fundamenteel voor de kern van zijn evangelie: Christus is gestorven en opgestaan. Bovendien beroept Paulus zich op Jezus’ woorden en daden vóór zijn dood. Het is daarom beter te zeggen dat de aardse Jezus onderdeel uitmaakt van het grotere verhaal van Gods reddende ingrijpen, maar niet als zelfstandig gebied van aandacht.

3. Paulus had een minderwaardigheidscomplex.

Een interessante psychologische verklaring voor Paulus’ stilzwijgen over het merendeel van de inhoud van de evangeliën is dat hij zich de mindere voelde ten opzichte van de apostelen die leerlingen van Jezus waren geweest. Hij noemt zichzelf immers een misbaksel, de minste van de apostelen (1 Kor. 15:8). Deze (valse?) bescheidenheid compenseert hij door zijn onafhankelijkheid van die apostelen te onderstrepen: hij is niet tweederangs, maar direct door Jezus Christus geroepen. De spanning die dit oplevert voor het zelfbeeld van de apostel zou ertoe leiden dat hij liever zijn mond houdt over de verhalen die over de aardse Jezus de ronde deden. In dat opzicht is hij immers inderdaad afhankelijk van anderen.

Op deze speculatie valt het een en ander af te dingen. Ook auteurs zonder zo’n verleden als Paulus zijn uiterst spaarzaam met het vermelden van anekdotes over het leven van Jezus (bijvoorbeeld Lucas in Handelingen, of de schrijver van de brieven die aan een zekere Johannes zijn toegeschreven). En passages uit Paulus’ brieven die op deze verklaring zouden wijzen (zoals 2 Kor. 5:16), zijn beter anders uit te leggen. Als verklaring voor ons ‘probleem’ is de psychologische benadering dus overbodig.

Toch wijst de feitelijke rivaliteit tussen Paulus en de Jeruzalemse apostelen erop, dat Paulus in zijn boodschap een ander profiel toonde dan andere apostelen. Paulus kan de aardse Jezus samenvatten in het symbool van het kruis, en zo functioneert de aardse Jezus als niet bijzonder veel meer dan de (weliswaar belangrijke) voorwaarde voor zijn evangelie. Het is aannemelijk dat in de kringen die gelieerd waren aan de apostelen die leerlingen van Jezus geweest waren, herinneringen aan de aardse Jezus relatief belangrijker waren en levend werden gehouden. Paulus stond hier grotendeels buiten.

Paulus’ evangelie

Voor veel mensen uit onze tijd is het verrassend dat Paulus zo weinig zegt over het leven van de man om wie zijn evangelie nu juist draait. Dat komt wellicht door onze moderne belangstelling voor biografieën, maar misschien ook doordat we bij het woord ‘evangelie’ vaak denken aan een verhaal over Jezus. Maar welk verhaal bracht Paulus op een willekeurige agora ten gehore? In Athene laat Lucas hem zeggen, dat de god die alles gemaakt heeft, en die niet in tempels woont of aan afgodsbeelden gelijk is, zoals velen eeuwenlang gedacht hebben, nu mensen oproept om zich tot hem te bekeren. Daar is haast bij, want er komt een oordeelsdag, waarop een man, die deze god voor dat doel heeft aangewezen door hem uit de dood te doen opstaan, namens hem het oordeel velt  (Hand. 17). Er zijn verrassende overeenkomsten met wat we bij Paulus zelf vinden. Bij de Tessalonicenzen had hij verkondigd dat ze zich van de afgoden naar de ware god moesten keren. Daar was haast bij, want binnenkort zou de zoon van die god uit de hemel komen: Jezus, die hij uit de dood heeft doen opstaan en die de Tessalonicenzen zou redden van het oordeel (1 Tess. 1:9-10). Aan het begin van de brief aan de Romeinen noemt Paulus als kenmerk van het evangelie dat het door de profeten is aangekondigd, en dat het gaat over de zoon van David, die werd aangewezen als Zoon van God en bekleed met macht bij de opstanding (Rom. 1:2-4). Aan het slot van dezelfde brief staat het evangelie van Jezus Christus omschreven als een boodschap die nu, na eeuwenlang een mysterie te zijn gebleven, bedoeld is om alle volken tot de ware God te brengen, een boodschap die wordt gelegitimeerd door de profeten (Rom. 16:25-26). Dat laatste is van belang, omdat ook door tweede-eeuwse auteurs zoals Justinus nog nauwelijks naar de evangeliën gewezen wordt als bewijs voor Jezus, laat staan dat Paulus geciteerd wordt. De profeten, die Jezus als Gods gezant legitimeren, zijn veel belangrijker als common ground om ongelovigen te overtuigen.

Hoe dan ook, het evangelie van/over Jezus Christus volgens Paulus gaat niet zozeer over Jezus Christus op zichzelf, als wel over de universalisering van de god van Israël, die spoedig in de wereld zal ingrijpen door zijn zoon vanuit de hemel te sturen om het oordeel te vellen – een goede reden om die god te gaan dienen. Waarom die zoon? Hij werd al aangekondigd door de profeten, is gekomen als zoon van David, en werd als Gods representant aangewezen door de opstanding. Zo bekeken is het niet zo verrassend dat Paulus weinig belangstelling heeft voor ditjes en datjes uit het leven van Jezus.

Paulus en de Jezustradities (8)

De ‘stilte’ van Paulus over de aardse Jezus is dus een mythe. Wat hij schrijft over Jezus’ afkomst en familie, zijn leer, zijn levenshouding en zijn dood kan eigenlijk niet anders uitgelegd worden dan dat hij Jezus voorstelde als een volksgenoot die in het recente verleden in Judea door de Romeinen gekruisigd werd, maar wel als koning van de eindtijd de profetieën vervulde. Onder professionele Bijbelkenners bestaat hier geen onenigheid over. Anderen, die, meestal vanuit een ideologische invalshoek, graag alternatieve ideeën suggereren, beroepen zich vaak op het argumentum e silentio. Dat is om meerdere redenen uiterst problematisch.

Ten eerste is er dus helemaal geen sprake van een ‘stilte’. Zeker, Paulus schrijft niet veel over de aardse Jezus in directe zin. Maar dat neemt niet weg dat hij er dingen over zegt, ook al is dat misschien teleurstellend weinig. Alleen al de naam ‘Jezus’ is daar een voorbeeld van: hoe zou dat woord anders te lezen zijn dan als de eigennaam van een Joodse/Judese man? Het argument ‘Paulus zegt niks over Jezus’ kan dus de prullenmand in.

In de tweede plaats is het argumentum e silentio meestal een drogreden. Zelfs al zou Paulus brieven hebben geschreven aan zijn broeders en zusters zonder het ook maar één keer over Jezus te hebben, dan nog is het een logische fout aan te nemen dat ‘dus’ hij niets over Jezus wist.

In het historische onderzoek kan het argumentum e silentio wel een plaats hebben, zij het een zeer beperkte. Hier kan je er een uitgebreide verhandeling over lezen. Het kan voorkomen dat een bron over iets zwijgt, terwijl de auteur het feit kon kennen, alles over dat soort feiten wilde opsommen, en geen beperkingen had om alles te kunnen meedelen. Dan moet je naar een verklaring gaan zoeken waarom de auteur dat niet deed. Dit is duidelijk niet het geval bij Paulus.

De redenering dat een auteur (bijvoorbeeld Paulus of andere historici uit die tijd) bepaalde dingen (bijvoorbeeld over Jezus) wel had moeten vermelden als ze werkelijk gebeurd zouden zijn, wordt in de historiografische literatuur als zwak bestempeld.

Kortom, er is geen stilte, en als er een stilte was, zou dat op zichzelf nog niets betekenen. Toch is hiermee de zaak niet afgedaan. Want het is zeker niet onredelijk de vraag te stellen, waarom Paulus niet méér schrijft over de aardse Jezus. Bijvoorbeeld een genezing, of een exorcisme, of een gelijkenis, zoals die bekend zijn uit latere bronnen. Ik heb al een aantal verklaringen aangevoerd voor deze specifieke stiltes, maar het kan geen kwaad alles nog eens op een rij te zetten.