Nee beste journalisten, geloven draait niet om het bestaan van Jezus

Deze morgen hoorde ik toevallig een interview op NPO Radio 1 over een recent verschenen boek, The Star of Bethlehem and the Magi (ed. George H. van Kooten and Peter Barthel; Leiden: Brill, 2015): De ster van Bethlehem heeft echt bestaan. Deze tendentieuze titel doet geen recht aan het interview – de geïnterviewden wijzen op de verschillende visies die naast elkaar bestaan –, hoewel de journalisten wel lijken te geloven dat dit boek op de een of andere manier zou bewijzen dat de ster echt bestaan heeft. Dat is immers gemakkelijke beeldvorming: de Bijbel heeft toch gelijk! Ophef!

Wat mij werkelijk begon te irriteren is echter een ander fenomeen, dat ik al veel vaker bij journalisten heb waargenomen. Misschien is het gespeeld, of verwoorden ze daarmee een vermeend gevoelen dat leeft onder ‘leken’. Ik weet het niet. Maar let eens op de volgende opmerking, na enige discussie over de kwestie van de ster:

Dan moet je er wel maar van uitgaan dat eh… dat er überhaupt… dat Jezus ooit is geboren, dat je gelovig bent.

Het eerste stuk van deze opmerking is nog enigszins zinvol, hoewel het subtieler had gekund, door bijvoorbeeld te zeggen: ‘Dan moet je er wel van uitgaan dat er historische gebeurtenissen ten grondslag liggen aan de geboorteverhalen.’ Het laatste stuk van de opmerking, ‘dat je gelovig bent’, is echter heel vreemd. Het veronderstelt dat vermeende kennis over Jezus afhankelijk is van je geloof in hem. Van Kooten wijst er vervolgens op dat hij de oudhistorische methode gebruikt. En Barthel zegt even later dat het gewoon een feit is dat Jezus er geweest is. (Kort door de bocht gezegd is dat inderdaad zo, hoewel niets ‘gewoon een feit’ is natuurlijk.) De andere interviewer gaat hier niet zomaar in mee:

Ja is dat zo? Maar daar draait toch eh.. het hele geloof om?

Zou de interviewer dat echt denken? Dat het geloof draait om het al of niet bestaan van God zou je nog kunnen verdedigen, hoewel dat ook een benauwde visie op geloof is. Maar het al of niet bestaan van Jezus is geen punt van discussie in het christelijk geloof. Het christelijk geloof draait erom dat Jezus leeft, en niet alleen maar heeft geleefd.

Nu ik erover nadenk, vermoed ik dat de journalist(en) simpelweg geen onderscheid maakte(n) tussen de historische Jezus en de literaire beelden van Jezus in de (christelijke) bronnen, of, nog waarschijnlijker, de populaire beeldvorming. Immers, als je bij ‘het bestaan van Jezus’ denkt aan de Jezus die over water loopt en water in wijn verandert (om maar twee in onze cultuur beeldbepalende wonderverhalen te noemen, waardoor Jezus vaak te boek staat als een soort veredelde goochelaar), dan is de opmerking dat het hele geloof hierom draait wel te begrijpen. Ook hier moet dan sterk genuanceerd worden, omdat het er in het christelijk geloof niet om gaat of je dit of dat wonder gelooft, maar of je gelooft dat Jezus Gods unieke vertegenwoordiger is. Dus nee, het hele geloof draait zelfs niet om de vraag of het beeld van de bovenmenselijke Jezus zoals dat in de christelijke bronnen en/of de cultuur bestaat, overeenkomt met de historische werkelijkheid.

In elk geval zou het veel miscommunicatie voorkomen als men in dit soort gesprekken zich eerst afvraagt: Over welke Jezus hebben we het eigenlijk? ‘Geloven in het bestaan van Jezus’ haalt allerlei zaken door elkaar. Over Jezus valt historisch, met seculiere historische methoden, het een en ander te zeggen, net zoals dat kan over Alexander de Grote of Pythagoras. En je kunt al dan niet in Jezus geloven, maar dat is een kwestie die niet wetenschappelijk valt te bepalen.

Jesus – Mythos und Wahrheit

Hieronder volgt een aflevering van het Duitse televisieprogramma History Live met als onderwerp Jesus – Mythos und Wahrheit (21 december 2014). Aan tafel zitten prof. em. dr. Klaus Wengst, dr. Hermann Detering en prof.dr. Annette Merz (hoogleraar Nieuwe Testament in Amsterdam/Groningen).

  • Wengst meent dat het onderzoek naar de historische Jezus weinig zin heeft. Weliswaar hebben de evangeliën betrekking op een concrete geschiedenis, maar de (theologische) waarheid ligt op het niveau van de Bijbelse vertelling, waarin Christus als levende aanwezigheid voor de gemeente present is. In Nederland zou je hiermee de zogeheten ‘Amsterdamse school’ kunnen vergelijken, die ook polemiseert tegen de historische exegese.
  • Detering vertegenwoordigt een extreem sceptische visie op de bronnen. Volgens hem is Jezus geen historisch figuur.
  • Merz representeert de gangbare historische opvatting over Jezus.

Paulus en de Jezustradities (9)

In (waarschijnlijk) de laatste aflevering van deze serie sta ik stil bij enkele gangbare verklaringen voor het feit dat Paulus nergens in zijn brieven uitgebreid stilstaat bij de aardse Jezus. Hierbij leun ik natuurlijk op de eerdere afleveringen, dus ik zal het vaak bij een beknopte beoordeling houden.

1. Paulus kon kennis over de aardse Jezus veronderstellen.

Deze stelling klopt in zoverre, dat Paulus aan mensen schrijft die al tot zijn groep behoren. Daarom kan hij vaak zaken beknopt aanduiden, verwijst hij naar overleveringen die hij eerder aan ‘zijn’ gemeentes had doorgegeven, en kan het moeilijk anders dan dat hij bekeerlingen op zijn minst in grote lijnen heeft uitgelegd wie Jezus was. Aan de andere kant wordt deze stelling soms als excuus gebruikt om zomaar gegevens uit latere bronnen in Paulus in te lezen. Dan verwordt deze verklaring tot een apologetische truc.

Een gerelateerd punt is dat de zeven onbetwiste brieven slechts fragmentarisch bewijs zijn. We mogen er niet vanuit gaan, dat we alle brieven van Paulus hebben, of dat deze een compleet beeld geven van de kennis van de apostel. De uitdaging is om te gaan met een puzzel waarvan vele stukjes kwijt zijn. Aan de andere kant is het geen gewaagde veronderstelling dat Paulus zaken communiceert die belangrijk voor hem zijn, en dat we dus door een doortastende interpretatie wel het een en ander kunnen zeggen over, onder andere, de plaats van de aardse Jezus in Paulus’ denken.

2. Paulus (en de mensen aan wie hij schrijft) had(den) geen interesse in de aardse Jezus.

Deze stelling klopt in zoverre, dat de belangstelling voor de historische Jezus een modern perspectief is. Het valt echter niet vol te houden dat Paulus helemaal geen interesse had in de aardse Jezus. De aardse Jezus is fundamenteel voor de kern van zijn evangelie: Christus is gestorven en opgestaan. Bovendien beroept Paulus zich op Jezus’ woorden en daden vóór zijn dood. Het is daarom beter te zeggen dat de aardse Jezus onderdeel uitmaakt van het grotere verhaal van Gods reddende ingrijpen, maar niet als zelfstandig gebied van aandacht.

3. Paulus had een minderwaardigheidscomplex.

Een interessante psychologische verklaring voor Paulus’ stilzwijgen over het merendeel van de inhoud van de evangeliën is dat hij zich de mindere voelde ten opzichte van de apostelen die leerlingen van Jezus waren geweest. Hij noemt zichzelf immers een misbaksel, de minste van de apostelen (1 Kor. 15:8). Deze (valse?) bescheidenheid compenseert hij door zijn onafhankelijkheid van die apostelen te onderstrepen: hij is niet tweederangs, maar direct door Jezus Christus geroepen. De spanning die dit oplevert voor het zelfbeeld van de apostel zou ertoe leiden dat hij liever zijn mond houdt over de verhalen die over de aardse Jezus de ronde deden. In dat opzicht is hij immers inderdaad afhankelijk van anderen.

Op deze speculatie valt het een en ander af te dingen. Ook auteurs zonder zo’n verleden als Paulus zijn uiterst spaarzaam met het vermelden van anekdotes over het leven van Jezus (bijvoorbeeld Lucas in Handelingen, of de schrijver van de brieven die aan een zekere Johannes zijn toegeschreven). En passages uit Paulus’ brieven die op deze verklaring zouden wijzen (zoals 2 Kor. 5:16), zijn beter anders uit te leggen. Als verklaring voor ons ‘probleem’ is de psychologische benadering dus overbodig.

Toch wijst de feitelijke rivaliteit tussen Paulus en de Jeruzalemse apostelen erop, dat Paulus in zijn boodschap een ander profiel toonde dan andere apostelen. Paulus kan de aardse Jezus samenvatten in het symbool van het kruis, en zo functioneert de aardse Jezus als niet bijzonder veel meer dan de (weliswaar belangrijke) voorwaarde voor zijn evangelie. Het is aannemelijk dat in de kringen die gelieerd waren aan de apostelen die leerlingen van Jezus geweest waren, herinneringen aan de aardse Jezus relatief belangrijker waren en levend werden gehouden. Paulus stond hier grotendeels buiten.

Paulus’ evangelie

Voor veel mensen uit onze tijd is het verrassend dat Paulus zo weinig zegt over het leven van de man om wie zijn evangelie nu juist draait. Dat komt wellicht door onze moderne belangstelling voor biografieën, maar misschien ook doordat we bij het woord ‘evangelie’ vaak denken aan een verhaal over Jezus. Maar welk verhaal bracht Paulus op een willekeurige agora ten gehore? In Athene laat Lucas hem zeggen, dat de god die alles gemaakt heeft, en die niet in tempels woont of aan afgodsbeelden gelijk is, zoals velen eeuwenlang gedacht hebben, nu mensen oproept om zich tot hem te bekeren. Daar is haast bij, want er komt een oordeelsdag, waarop een man, die deze god voor dat doel heeft aangewezen door hem uit de dood te doen opstaan, namens hem het oordeel velt  (Hand. 17). Er zijn verrassende overeenkomsten met wat we bij Paulus zelf vinden. Bij de Tessalonicenzen had hij verkondigd dat ze zich van de afgoden naar de ware god moesten keren. Daar was haast bij, want binnenkort zou de zoon van die god uit de hemel komen: Jezus, die hij uit de dood heeft doen opstaan en die de Tessalonicenzen zou redden van het oordeel (1 Tess. 1:9-10). Aan het begin van de brief aan de Romeinen noemt Paulus als kenmerk van het evangelie dat het door de profeten is aangekondigd, en dat het gaat over de zoon van David, die werd aangewezen als Zoon van God en bekleed met macht bij de opstanding (Rom. 1:2-4). Aan het slot van dezelfde brief staat het evangelie van Jezus Christus omschreven als een boodschap die nu, na eeuwenlang een mysterie te zijn gebleven, bedoeld is om alle volken tot de ware God te brengen, een boodschap die wordt gelegitimeerd door de profeten (Rom. 16:25-26). Dat laatste is van belang, omdat ook door tweede-eeuwse auteurs zoals Justinus nog nauwelijks naar de evangeliën gewezen wordt als bewijs voor Jezus, laat staan dat Paulus geciteerd wordt. De profeten, die Jezus als Gods gezant legitimeren, zijn veel belangrijker als common ground om ongelovigen te overtuigen.

Hoe dan ook, het evangelie van/over Jezus Christus volgens Paulus gaat niet zozeer over Jezus Christus op zichzelf, als wel over de universalisering van de god van Israël, die spoedig in de wereld zal ingrijpen door zijn zoon vanuit de hemel te sturen om het oordeel te vellen – een goede reden om die god te gaan dienen. Waarom die zoon? Hij werd al aangekondigd door de profeten, is gekomen als zoon van David, en werd als Gods representant aangewezen door de opstanding. Zo bekeken is het niet zo verrassend dat Paulus weinig belangstelling heeft voor ditjes en datjes uit het leven van Jezus.

Paulus en de Jezustradities (8)

De ‘stilte’ van Paulus over de aardse Jezus is dus een mythe. Wat hij schrijft over Jezus’ afkomst en familie, zijn leer, zijn levenshouding en zijn dood kan eigenlijk niet anders uitgelegd worden dan dat hij Jezus voorstelde als een volksgenoot die in het recente verleden in Judea door de Romeinen gekruisigd werd, maar wel als koning van de eindtijd de profetieën vervulde. Onder professionele Bijbelkenners bestaat hier geen onenigheid over. Anderen, die, meestal vanuit een ideologische invalshoek, graag alternatieve ideeën suggereren, beroepen zich vaak op het argumentum e silentio. Dat is om meerdere redenen uiterst problematisch.

Ten eerste is er dus helemaal geen sprake van een ‘stilte’. Zeker, Paulus schrijft niet veel over de aardse Jezus in directe zin. Maar dat neemt niet weg dat hij er dingen over zegt, ook al is dat misschien teleurstellend weinig. Alleen al de naam ‘Jezus’ is daar een voorbeeld van: hoe zou dat woord anders te lezen zijn dan als de eigennaam van een Joodse/Judese man? Het argument ‘Paulus zegt niks over Jezus’ kan dus de prullenmand in.

In de tweede plaats is het argumentum e silentio meestal een drogreden. Zelfs al zou Paulus brieven hebben geschreven aan zijn broeders en zusters zonder het ook maar één keer over Jezus te hebben, dan nog is het een logische fout aan te nemen dat ‘dus’ hij niets over Jezus wist.

In het historische onderzoek kan het argumentum e silentio wel een plaats hebben, zij het een zeer beperkte. Hier kan je er een uitgebreide verhandeling over lezen. Het kan voorkomen dat een bron over iets zwijgt, terwijl de auteur het feit kon kennen, alles over dat soort feiten wilde opsommen, en geen beperkingen had om alles te kunnen meedelen. Dan moet je naar een verklaring gaan zoeken waarom de auteur dat niet deed. Dit is duidelijk niet het geval bij Paulus.

De redenering dat een auteur (bijvoorbeeld Paulus of andere historici uit die tijd) bepaalde dingen (bijvoorbeeld over Jezus) wel had moeten vermelden als ze werkelijk gebeurd zouden zijn, wordt in de historiografische literatuur als zwak bestempeld.

Kortom, er is geen stilte, en als er een stilte was, zou dat op zichzelf nog niets betekenen. Toch is hiermee de zaak niet afgedaan. Want het is zeker niet onredelijk de vraag te stellen, waarom Paulus niet méér schrijft over de aardse Jezus. Bijvoorbeeld een genezing, of een exorcisme, of een gelijkenis, zoals die bekend zijn uit latere bronnen. Ik heb al een aantal verklaringen aangevoerd voor deze specifieke stiltes, maar het kan geen kwaad alles nog eens op een rij te zetten.

Paulus en de Jezustradities (7)

Af en toe haalt Paulus een spreuk van de Heer (d.w.z. Jezus) aan. Maar dat wil niet automatisch zeggen dat hij dan bedoelt een uitspraak van de aardse Jezus te citeren. Soms moeten we zo’n spreuk begrijpen als een woord van de verhoogde Heer Jezus. Bijvoorbeeld:

Om te verhinderen dat ik mezelf zou verheffen, werd mij een doorn in het vlees gestoken: ik word gekweld door een engel van Satan. Ik heb de Heer driemaal gesmeekt mij van hem te bevrijden, maar hij zei: ‘Je hebt niet meer dan mijn genade nodig, want kracht wordt zichtbaar in zwakheid.’ Dus laat ik mij veel liever voorstaan op mijn zwakheid, zodat de kracht van Christus in mij zichtbaar wordt.
— 2 Kor. 12,7b-9 (NBV)

Hetzelfde is vermoedelijk het geval in 1 Tes. 4,15-17 (NBV), waar Paulus “met een woord van de Heer” spreekt. Paulus kan het in dit geval van anderen overgenomen hebben.

Een strikt onderscheid tussen woorden van de aardse en de hemelse Jezus vloeit voort uit een moderne, historische vraagstelling. Paulus geeft daar geen direct antwoord op, want voor hem heeft een woord van de aardse en de hemelse Jezus hetzelfde gezag. Het heeft daarom voor hem geen zin het onderscheid expliciet aan te geven. Of hij dacht dat een woord door de aardse Jezus was uitgesproken, moet blijken uit een nauwkeurige interpretatie. In het kader van dit blogbericht kunnen we er slechts in vogelvlucht naar kijken.

In de Eerste brief aan de Korintiërs haalt Paulus in drie gevallen expliciet een woord aan dat op naam van Jezus staat. Het eerste geval luidt als volgt:

Degenen die getrouwd zijn geef ik, nee, niet ik – de Heer geeft hun het volgende gebod: een vrouw mag niet scheiden van haar man (is ze al gescheiden, dan moet ze dat blijven of zich met haar man verzoenen), en een man mag zijn vrouw niet wegsturen.
— 1 Kor. 7,10-11 (NBV)

Wat opvalt is dat Paulus onderscheid maakt tussen zijn eigen opvatting en het gebod van de Heer, dat kennelijk tot de algemeen bekende overlevering behoorde. Bovendien vult hij dit gebod aan met zijn eigen mening (1 Kor. 7,25) omdat hij geen voorschrift van de Heer voor andere te bespreken gevallen heeft. Hij plaatst het verbod om te scheiden dus heel duidelijk buiten zichzelf. De parallellen in het Evangelie volgens Marcus en in Q (Mc. 10,9; Mt. 5,32; Lc. 16:18), die overeenkomsten en verschillen vertonen met Paulus, maken het vrij zeker dat we hier te maken hebben met een woord dat al vroeg aan de aardse Jezus werd toegeschreven.

De tweede keer dat Paulus expliciet een woord van Jezus aanhaalt, is de volgende:

Voor hen die het evangelie bekendmaken geldt hetzelfde: de Heer heeft bepaald dat zij door te verkondigen in hun levensonderhoud mogen voorzien.
— 1 Kor. 9,14 (NBV)

In de context doet Paulus een beroep op verschillende autoriteiten: algemene gewoonte, wettelijke voorschriften en rechten van de andere apostelen. Als laatste volgt dan een bepaling van de Heer. Aangezien Paulus’ eigen autoriteit hier ter discussie staat, moet het wel gaan om een bepaling die reeds als bepaling van Jezus de ronde deed. Ook is er een sterke parallel met de synoptische traditie (Mt. 10,10; Lc. 10,7). Wederom is het vrij zeker dat we hier te maken hebben met een woord van Jezus dat tot de vroegchristelijke overlevering behoorde en waarmee Paulus dus bekend was.

Het derde geval is de aanhaling van de woorden bij het laatste avondmaal:

Want wat ik heb ontvangen en aan u heb doorgegeven, gaat terug op de Heer zelf. In de nacht waarin de Heer Jezus werd uitgeleverd nam hij een brood, sprak het dankgebed uit, brak het brood en zei: ‘Dit is mijn lichaam voor jullie. Doe dit, telkens opnieuw, om mij te gedenken.’ Zo nam hij na de maaltijd ook de beker, en hij zei: ‘Deze beker is het nieuwe verbond dat door mijn bloed gesloten wordt. Doe dit, telkens als jullie hieruit drinken, om mij te gedenken.’
— 1 Kor. 11,23-25 (NBV)

Opvallend is dat deze woorden van Jezus zijn ingebed in een (samenvattend) verhaal, wat niet vaak voorkomt in Paulus’ brieven. Ook is het hier klip en klaar dat Paulus een gebeurtenis schetst uit de laatste uren van Jezus’ aardse leven.

Lastiger te begrijpen zijn de woorden waarmee Paulus deze passage inleidt: “Want wat ik heb ontvangen en aan u heb doorgegeven, gaat terug op de Heer zelf.” Of, iets concordanter vertaald: “Want wat ik heb ontvangen van de Heer, heb ik aan u doorgegeven.” Hij lijkt hier enerzijds een overlevering te citeren, maar aan de andere kant lijkt hij de Heer als bron aan te duiden. Moeten we dat opvatten als een verwijzing naar de uiteindelijke oorsprong van de overlevering, waarbij Paulus de tradenten voor het gemak weglaat? Dat is mogelijk, maar de minst omslachtige lezing lijkt te zijn dat Paulus claimt dat hij dit van de Heer zelf gehoord heeft. Dat zou in het uiterste geval betekenen dat Paulus zegt deze woorden rechtstreeks uit de hemel te hebben ontvangen.

Maar zelfs als Paulus het zo zou bedoelen, is dat op historische gronden twijfelachtig. Dan moeten we immers aannemen dat de parallelle scenes in de evangeliën, in onderscheid van de rest, opeens diepgaand door een stukje tekst van Paulus zijn beïnvloed. De parallel in het evangelie volgens Lucas komt het meest overeen met Paulus, maar lijkt op een aantal punten ‘primitiever’ dan de versie van Paulus. Tevens past de vorm van 1 Kor. 11,23b-25, met de details die voor de context van Paulus’ brief irrelevant zijn, eerder bij een vroegchristelijke herinnering dan bij de inhoud van een ‘openbaringswoord’ van de Heer aan iemand die niet echt is geïnteresseerd in historische details. Dit wordt bevestigd door het feit dat in deze verzen taalgebruik voorkomt dat atypisch is voor Paulus.

Niet alleen de synoptische parallellen, de voor Paulus atypische inhoud en het atypische taalgebruik maken het aannemelijk dat Paulus hier een vroegchristelijke traditie heeft overgenomen. Het begrippenpaar ‘ontvangen’ en ‘doorgeven’ komt ook voor in 1 Kor. 15,3, waar het gaat om een een geformaliseerde overlevering over de dood en opstanding van Christus. Daar is het duidelijk een gemeenschappelijke overlevering van alle apostelen, die immers allen dezelfde boodschap brengen (1 Kor. 15,11) en bij wie Paulus zich aansluit. De combinatie ‘ontvangen’ en ‘doorgeven’ is een vaste uitdrukking die ook in rabbijnse bronnen voorkomt voor het doorgeven van de traditie.

Hoe valt de frase “van de Heer” dan te verklaren? Twee dingen zijn hier van belang. Ten eerste, voor Paulus gaat het erom het gezag van de te citeren woorden te onderstrepen. Het gaat hem er niet om uit de doeken te doen hoe hij deze woorden precies heeft ontvangen. In de tweede plaats is het onjuist menselijke overlevering en hemelse openbaring als elkaar uitsluitende fenomenen te beschouwen. Iemand die het woord van God bracht, sprak namens de Heer. Sterker nog, diegene werd gezien als ware hij de Heer zelf (vgl. Did. 4,1). Het is daarom goed voorstelbaar dat Paulus de geciteerde overlevering heeft ontvangen van mensen die hij beschouwde als sprekend met de legitimatie van de hemelse Heer. Met deze verklaring wordt recht gedaan aan beide aspecten van de introductie van Jezus’ laatste woorden.

Van één gedeelte in 1 Korintiërs is het dus zeker dat Paulus de geciteerde woorden aan de aardse Jezus toeschreef. De overeenkomst met de andere twee uitspraken in deze brief is dat ze allemaal betrekking hebben op de inrichting van het christelijke gemeenschapsleven. En van het verbod op echtscheiding is er een relatief vroege parallel in de synoptische overlevering (namelijk de overlevering die ten grondslag ligt aan Marcus én Q). De bepaling over het levensonderhoud heeft een parallel in Q. Het is daarom niet onwaarschijnlijk dat Paulus meende dat ook deze andere twee voorschriften door Jezus tijdens zijn aardse leven waren uitgesproken.

Zowel uit de parallellen met de synoptische traditie als uit de expliciete instructies van Jezus die Paulus aanhaalt, blijkt dat Paulus bekend was met overleveringen die later opgenomen zijn in de synoptische evangeliën. Ten minste één, maar vermoedelijk meer van die instructies schrijft hij toe aan de aardse Jezus. Dat is niet veel. Kennelijk was het onderwijs van de aardse Jezus nog niet zo belangrijk voor Paulus als het in het latere christendom zou worden.