‘De Bijbel van Jezus’: Pieter Oussorens vertaling van Genesis 1-13 LXX

Pieter Oussoren (de man van de Naardense Bijbel) is begonnen met een vertaling van de Septuaginta, de Griekse vertaling van de Joodse wet.[1] Dergelijke vertalingen bestaan al in andere moderne talen, maar vreemd genoeg nog niet in het Nederlands (althans, geen complete vertaling), terwijl de Griekse vertaling van het Oude Testament, samen met de geschriften van het Nieuwe Testament, onbetwist de belangrijkste Bijbel is uit de formatieve periode van het christendom. Voor wie het vroege jodendom en het christendom bestudeert, is de Septuaginta of een vertaling ervan eigenlijk een onontbeerlijke bron.

Oussorens ‘gelegenheidsproeve’ is uitgegeven onder de titel De Bijbel van Jezus, waarschijnlijk omdat De Bijbel uit de tijd van Jezus minder lekker bekt. Immers, dat Jezus kon lezen, laat staan schrijven, is twijfelachtig. Oussoren lijkt echter te suggereren dat Jezus inderdaad met de Septuaginta in aanraking kan zijn geweest.

Hoe dan ook, er is zeer concordant vertaald. Dat wil zeggen dat voor hetzelfde Griekse woord zoveel mogelijk hetzelfde Nederlandse woord of woordveld gebruikt wordt. Hieronder wil ik nagaan hoe dit uitpakt voor Genesis 1:1-5.

Genesis 1:1 luidt in deze vertaling als volgt:

Bij begin

Wat?

Er staat: ᾿Εν ἀρχῇ. Een Griekse lezer vat dit in deze context op equivalent aan de Nederlandse frase In het begin. Er is niets ongewoons aan het Grieks. Het feit dat Oussoren het lidwoord heeft weggelaten laat zien dat hij óf niet weet dat het weggelaten lidwoord bij het Griekse idioom hoort óf dat hij denkt dat gemankeerd Nederlands een goede indruk geeft van normaal Grieks. Het weglaten van het lidwoord in de Nederlandse vertaling geeft immers een misleidende indruk van het Grieks. Lezen we verder:

maakt God

Een aoristus indicativus drukt een verleden tijd uit, dus is de meest voor de hand liggende vertaling: maakte God. Lezen we verder:

de hemel en het land.

De Septuaginta vertaalt de Hebreeuwse woorden die we doorgaans vertalen met aarde, land, stof en veld allemaal met γῆ. Waarom we dan γῆ consequent met land zouden moeten vertalen, ontgaat mij, omdat de vertalers het woord γῆ kennelijk in verschillende betekenissen gebruikten. Hier staat de hemel tegenover γῆ, en dat valt het beste te vertalen als de hemel en de aarde. Lezen we verder:

Maar het land is … geweest

Het partikel δέ heeft weliswaar adversatieve waarde, maar kan je meestal onvertaald laten. Er is hier geen sprake van een tegenstelling, maar van een wisseling van onderwerp. Daarnaast vertalen we ἦν uiteraard met ‘was’: De aarde was…

onaanzienlijk en oningericht

Het woord ἀόρατος betekent hier toch echt niets anders dan onzichtbaar.[2] ‘Onaanzienlijk’ is fout. ‘Oningericht’ is niet verkeerd, maar klinkt te veel Ikea naar mijn smaak, ik prefereer ongevormd in deze context. Lezen we verder:

met duisternis
boven de afgrond

Dit is mogelijk, maar de vraag is waarom de vertaler plots de vrijheid neemt om en er was duisternis boven de afgrond om te zetten in een bijwoordelijke bepaling. Er is hier geen enkel bezwaar met een kort zinnetje te vertalen: en (er was/lag) duisternis op de peilloze diepte. Lezen we verder:

en adem van God
is gedragen
boven het water.

Het ontgaat Oussoren kennelijk dat πνεῦμα hier bepaald is: de geest/wind/adem van God. Verder moeten we met een verleden tijd vertalen: werd voortgedragen op het water. De NETS heeft: was being carried along. Dat kan bijvoorbeeld gezegd worden over een vlot. In Genesis wordt precies dezelfde constructie gebruikt bij de ark die op het water wordt voortgedragen.

De volgende verzen luiden zo:

3 En God zegt: geschiede er licht!
En er geschiedt licht.
4 En God ziet aan het licht dat het goed is.
En God brengt scheiding aan
midden tussen het licht en het duister.
5 En God roept het licht uit tot dag
en het duister roept hij uit tot nacht.
En er geschiedt een avond
en er geschiedt een ochtend:
dag één.

Ook hierbij vallen verschillende opmerkingen te maken. Met name het woord ‘geschieden’ vind ik hier overdreven. Het Griekse woord betekent meestal ‘zijn’, ‘worden’, ‘ontstaan’ of ‘gebeuren’. In deze context past ‘ontstaan’ natuurlijk erg goed.

Hieronder volgt Oussorens vertaling met daarnaast de mijne. (Eigenlijk zou ik het eindeloze ‘ge-en’ aan het begin van de zin ook willen aanpassen, maar aangezien dit ook in het Grieks een semitisch coloriet geeft, heb ik het laten staan.)

Oussoren Mijn vertaling
1 Bij begin maakt God
de hemel en het land.
1 In het begin maakte God de hemel en de aarde.
2 Maar het land
is onaanzienlijk en oningericht geweest,
met duisternis
boven de afgrond,
en adem van God
is gedragen
boven het water.
2 De aarde was onzichtbaar en ongevormd [of: afzichtelijk en wanordelijk] [2], en duisternis lag op de peilloze diepte, en de geest van God werd voortgedragen op het water.
3 En God zegt: geschiede er licht!
En er geschiedt licht.
3 En God zei: ‘Laat er licht zijn.’ En er ontstond licht.
4 En God ziet aan het licht dat het goed is.
En God brengt scheiding aan
midden tussen het licht en het duister.
4 En God zag het licht, dat het goed was. En God maakte scheiding tussen het licht en tussen de duisternis.
5 En God roept het licht uit tot dag
en het duister roept hij uit tot nacht.
En er geschiedt een avond
en er geschiedt een ochtend:
dag één
5 En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde hij nacht. En het werd avond, en het werd morgen, dag één.

Ik ben nog meer zaken tegengekomen die mijn verwondering of zelfs irritatie opriepen, maar daarover wellicht een andere keer. Voor nu laat ik het bij de conclusie dat ik niet zo goed begrijp welke zin deze vertaalmethode (of althans deze specifieke toepassing ervan) heeft.

Noten

[1] Pieter Oussoren, De Bijbel van Jezus. Genesis 1-13 vertaald uit de Septuaginta (Vught 2017).

[2] Naschrift: Ik werd gewezen op het artikel van Pieter W. van der Horst, ‘Was the Earth ‘Invisible’? A Note on ἀόρατος in Genesis 1:2 LXX’ , Journal of Septuagint and Cognate Studies 48 (2015) 5-7. Hij laat zien dat het goed zou kunnen dat we ἀόρατος als ‘lelijk’, ‘niet om aan te zien’ o.i.d. moeten interpreteren. Josephus vatte dit woord wel op als ‘onzichtbaar’. Hoe dan ook, ‘niet om aan te zien’ is echt iets anders dan ‘onaanzienlijk’.

Justinus, Trypho en χριστός

Het debat over de historiciteit van Jezus is al begonnen in de tijd toen jodendom en christendom als twee rivaliserende religieuze stromingen tegenover elkaar kwamen te staan. Het oudste geschrift waarin over die historiciteit gedebatteerd wordt, is de Dialogus cum Tryphone (‘Het gesprek met Tryphon’) van de Grieks-christelijke filosoof Justinus (ca. 100-165 n.Chr.). Tryphon, de Joodse opponent van Justinus, verdedigt daar de stelling dat Jezus nooit heeft geleefd en dat de christenen hem, als was hij een personage in een roman, verzonnen hebben.

Ik kwam deze opmerkelijke tekst tegen in de inleiding van Meijers en Wes’ vertaling van De Oude Geschiedenis van de Joden deel 3.1 Het leek mij een straffe bewering, en omdat ik toevallig een editie van Het gesprek met Trypho onder handbereik had, kon ik haar meteen controleren. In de passage die waarschijnlijk bedoeld is (Dial. 8.4), laat Justinus Trypho het volgende zeggen:

Χριστὸς δέ, εἰ καὶ γεγένηται καὶ ἔστι που, ἄγνωστός ἐστι καὶ οὐδὲ αὐτός πω ἑαυτὸν ἐπίσταται οὐδὲ ἔχει δύναμίν τινα, μέχρις ἂν ἐλθὼν Ἠλίας χρίσῃ αὐτὸν καὶ φανερὸν πᾶσι ποιήσῃ· ὑμεῖς δέ, ματαίαν ἀκοὴν παραδεξάμενοι, Χριστὸν ἑαυτοῖς τινα ἀναπλάσσετε καὶ αὐτοῦ χάριν τὰ νῦν ἀσκόπως ἀπόλλυσθε.2

Wie hiervan vluchtig een vertaling leest, ziet de woorden “Christus, als hij al geboren is […]; maar jullie hebben een Christus voor jullie zelf gemaakt […].” Betekent dit nu, dat Trypho zegt dat Jezus nooit heeft geleefd en dat de christenen hem verzonnen hebben? Nee. Eerst volgt hier nu de vertaling van J.C.M. van Winden:

Wat de Gezalfde betreft, als hij al geboren is en zich ergens bevindt, dan is hij onkenbaar. Ja, hij kent zichzelf nog niet en heeft geen enkele macht, totdat Elia komt en hem zalft en aan iedereen bekendmaakt. U [christenen] echter hebt, gehoor gevend aan ijdele woorden, uzelf een Christus gemaakt en omwille van hem laat u zich nu doelloos te gronde richten.3

De zorgvuldige lezer ziet, dat de χριστός waarover Trypho als eerste spreekt, de messias is zoals Trypho hem zelf voorstelt. Deze is mogelijk geboren, zegt hij, maar als dat het geval is, dan is hij nog onbekend en onbeduidend, totdat Elia komt. Philippe Bobichon merkt terecht op:

La réflexion porte alors sur la conception du Messie, et non sur son identification avec une personne déterminée.4

Het verwijt aan de christenen is ook niet, dat zij Jezus hebben verzonnen—Trypho spreekt in het vervolg onbekommerd over Jezus als mens—maar dat zij χριστός van hem hebben gemaakt.

De conclusie moet luiden, dat Fik Meijer en M.A. Wes hier zéér slordig hebben gelezen en daardoor Justinus verkeerd hebben geïnterpreteerd.

Noten

[1] Flavius Josephus, De Oude Geschiedenis van de Joden [Antiquitates Judaicae], dl 3: Boek XIV-XX (vert., inl. en aant. F.J.A.M. Meijer en M.A. Wes; Amsterdam/Leuven: Ambo/Kritak, 1998), 66.

[2] Philippe Bobichon (red.), Justin Martyr. Dialogue avec Tryphon: Édition critique, traduction, commentaire (2 dln, Paradosis 47; Fribourg: Academic Press, 2003).

[3] J.C.M. van Winden, Ware wijsheid. Wegen van vroeg-christelijk denken (Bronnen van de Europese cultuur 10; Baarn: Ambo, 1992), 60.

[4] Bobichon, Justin Martyr, 2:603.

Babata en de talen rond de Dode Zee

Rond deze tijd is het precies 56 jaar geleden dat aan de westkust van de Dode Zee de zogeheten Brievengrot (Cave of Letters) werd ontdekt door Yigael Yadin. Een van de meest opzienbarende vondsten was, naast brieven van Bar Kochba, het archief van Babata, een Judese vrouw die ten zuiden van de Dode Zee in Moaza woonde. De documenten die zij bij zich droeg op het moment dat zij met haar familie de toevlucht had gezocht in de grotten van Nahal Hever, geven een uniek beeld van de complexe (taal)situatie van deze regio aan het begin van de tweede eeuw.

Het archief van Babata bevat allerlei contracten in het Nabatees en Judees Aramees, en in het Grieks. Hoewel ze niet kon schrijven en hoogstens een beetje kon lezen, was mevrouw verwikkeld geweest in juridische procedures rondom de voogdij van haar zoon Jezus en de erfenis van haar eerste man, die werden uitgevochten onder de jurisdictie van het Romeinse hof in Petra. Onder de documenten is ook een belastingaangifte bewaard gebleven.

In december 127 reisde Babata Simonsdochter met haar echtgenoot en voogd Juda van hun woonplaats Moaza naar een van de centra van de provincie Arabia: Rabbat-Moab. Daar deed zij aangifte over vier dadelplantages ter gelegenheid van een census, die werd uitgevoerd door gouverneur Titus Aninius Sextius Florentinus. Babata huurde een schrijver om de aangifte in het Grieks op te stellen. Vervolgens voegde Juda een Aramese verklaring toe dat Babata naar waarheid had verklaard, en daar de eed aan de tuchê van de keizer op had gezworen. De schrijver vertaalde ook deze Aramese tekst eronder in het Grieks. Bij het inleveren van de declaratie noteerde de prefect Priscus in het Latijn op de aangifte dat hij het document had ontvangen. Toen werd dit hele document gepubliceerd in de basilica, waarna het vermoedelijk in het publieke archief verdween. Maar voordat dat gebeurde, liet Babata een officiële kopie maken. De ingehuurde kopiist liet het Aramese stuk weg, en een andere schrijver vertaalde het Latijn in het Grieks. Ten slotte tekenden vijf getuigen, allen in Nabatees Aramees.

In de hele procedure komen dus drie talen en twee ‘regiolecten’ voor: Latijn, Grieks, Judees en Nabatees Aramees. Elke taal heeft hierin een eigen functie: Latijn voor intern gebruik in het Romeinse bestuur, Grieks voor de officiële juridische taal, en Aramees als de lingua franca van de locale bevolking. Contracten die zijn opgesteld tussen plaatsgenoten in en rond Moaza zijn dan ook meestal in het Aramees.

Hebreeuws is afwezig in het archief van Babata. Dat is niet verbazend, aangezien zij niet in Judea woonde. Interessant is dat in andere juridische documenten uit deze grotten, die óf betrekking hebben op Judea, óf tijdens de Bar-Kochba-opstand in Judea zijn opgesteld, wel vaak Hebreeuws voorkomt.

Enkele opmerkingen bij Jona Lenderings Israël verdeeld

Vanmiddag had ik het genoegen de presentatie van het nieuwste boek van Jona Lendering, Israël verdeeld, bij te wonen. Het was naast de deur, dus een goede gelegenheid om mijn exemplaar van het boek te laten signeren en de auteur een hand te schudden. Na een impressie van hoe het is om mee te gaan met een archeologische expeditie door prof.dr. Jürgen Zangenberg (waarbij heel wat mij uit 2011 bekende Horvat Kur people levensgroot het scherm vulden) sprak Jona Lendering aan de hand van de casus van Jezusmythicisme over wat er mis is met de wetenschapsvoorlichting, zoals op bovenstaande foto te zien is.

Ik heb het boek al globaal gelezen en ben nu weer voorin begonnen voor een grondiger leesronde. Wat hier volgt is geen uitgebreide recensie; die kan de lezer elders vinden: o.a. NRC (betaalmuur), Volkskrant, Bijbelaantekeningen. Wel wil ik enkele kleine punten aanstippen die mij zijn opgevallen. Maar eerst wil ik zeggen dat het een heel goed boek is, dat op een toegankelijke manier een overzicht biedt over de geschiedenis van Israël in de woelige eeuwen rond het begin van de jaartelling. Wat mij bijzonder bevalt is dat het boek in kort bestek ook eventjes het onderzoek naar de historische Jezus uitlegt, want dergelijke literatuur is schaars in het Nederlands.

Als oudhistorici gaan schrijven over een onderwerp dat doorgaans door specialisten in het vroege joden- en/of christendom bestudeerd wordt, is dat altijd spannend: een oudhistoricus kijkt vanuit de hele Grieks-Romeinse(-Mesopotamische-etc.) wereld naar één stukje daarvan en dat kan frisse perspectieven opleveren. Mijn (zéér generaliserende) indruk is dat oudhistorici een tikkeltje minder paranoia zijn richting de bronnen dan historisch-kritisch geschoolde collega’s uit de godsdienstwetenschappelijke / theologische hoek. Maar dat kan ik mis hebben. Lenderings boek is qua methodische reflectie op en kritische schifting van de bronnen een bewijs dat de auteur een goed overzicht heeft over de verschillende specialisaties.

Maar in het geval van het Testimonium Flavianum stapt Lendering naar mijn smaak net iets te snel over de problemen heen. Hij presenteert de gereconstrueerde ingekorte versie als consensus. Wat mij betreft zou het Testimonium heel goed volledig van Josefus’ hand kunnen zijn, maar wat zou er gebeuren als we helemaal van het omstreden Testimonium als bron af zouden zien? Het is methodisch immers wel zo veilig om niet al te veel gewicht op een toch wat ‘besmette’ zuil te laten rusten. Het betoog zou aan kracht winnen als kon worden aangetoond dat het gebouw bij de hypothetische weglating van het Testimonium niet instort.

Een ander punt is dat Lendering bij de bespreking van de historische Jezus de zogeheten authenticiteitscriteria hanteert. Dat kan, maar het gaat wel grotendeels voorbij aan de discussies in het vakgebied waarbij deze criteria onder vuur liggen, met name vanwege de impliciete pretentie dat ze met een magische toverstok een individuele passage als ‘authentiek’ zouden kunnen laten gelden. Zo gebruikt Lendering ze natuurlijk niet, maar ik zou zelf deze criteria geen grotere plaats geven dan als vuistregels om te schiften tussen ouder en jonger materiaal, en het woord ‘authenticiteit’ zorgvuldig vermijden.

Het moge duidelijk zijn dat dit opmerkingen zijn op de vierkante millimeter voor de fijnproevers. Het raakt niet aan de lijn van Lenderings betoog en mijn hierboven geuite mening is helder: het is een lezenswaardig boek dat een heel goede inleiding vormt in de wereld waaruit het rabbijnse jodendom en het christendom ontstonden.

De zoon van David buiten de Bijbel (6)

In de voorafgaande posts heb ik een aantal teksten de revue laten passeren die te maken hebben met de verwachting van een eschatologische koning uit het huis van David. Hieronder volgt een overzicht daarvan en een uitzicht richting de beweging rond Jezus van Nazaret.

In de eerste aflevering stelde ik reeds: In het jodendom rond het begin van de jaartelling bestond de eschatologische verwachting van een ideale koning uit het huis van David. Dit valt te onderbouwen met onder meer de volgende besproken teksten:

Mogelijk mogen we ook de Apocrief van Daniël (4Q246) hierbij rekenen, maar hierin komt de zoon van David of equivalente termen in elk geval niet voor. Hoe dan ook, bij alle onderlinge verscheidenheid tussen deze teksten blijkt duidelijk, dat men verwachtte dat God ervoor zou zorgen dat een nakomeling van David in de eindtijd (die of spoedig zou aanbreken of al aan de gang was) op de troon van Israël zou komen om Gods vijanden te verslaan en een tijd van vrede en heil te doen aanbreken. Andere volken zouden zich aan Israël onderwerpen.

Bij deze verwachting is het nuttig nogmaals aan te tekenen, dat niet alle Joden/Judeeërs deze verwachting deelden en het ook lang niet het enige eindtijdscenario was. Tevens is het fenomeen van de ideale koning van de eindtijd niet beperkt tot het jodendom:

iam redit et Virgo, redeunt Saturnia regna,
iam nova progenies caelo demittitur alto.

Wel is de uitdrukkingsvorm van deze voorstelling typisch Joods/Judees. De zoon van David bijvoorbeeld kom je natuurlijk nergens anders tegen.

De interesse in dit onderwerp zou natuurlijk nooit zo groot zijn, als er niet een kleine, maar succesvolle groepering was geweest die Jezus van Nazaret tot de zoon van David, de eschatologische heerser had geproclameerd. Dit is al in een heel vroeg stadium gebeurd. Niet alleen de Handelingen der Apostelen (15:15-18), Lucas, Hebreeën (7:13-14), Matteüs en Marcus veronderstellen of ‘bewijzen’ Jezus’ afstamming van David, maar ook Paulus heeft het erover:

… 3 het evangelie over zijn Zoon, een mens voortgekomen uit het nageslacht van David, 4 aangewezen als Zoon van God en door de heilige Geest bekleed met macht toen hij, Jezus Christus, onze Heer, opstond uit de dood.

— Rom. 1:3-4 (NBV), vgl. Rom. 9:5

Omdat Jezus’ afstamming van David niet tot Paulus’ eigen theologische stokpaardjes hoort, en omdat dit stukje tekst nog wel meer eigenaardigheden vertoont (bijvoorbeeld over het begin van Jezus’ Zoonschap), is het een plausibele hypothese dat Paulus hier een oudere formule citeert.

Hoe dan ook, de opvatting dat Jezus zoon van David is, kan tot de oudste lagen van de vroegchristelijke overlevering gerekend worden. Dat roept de vraag op hoe men er ooit toe is gekomen om Jezus met de zoon van David te identificeren. Het pre-christelijke concept verschilt immers nogal van het beeld van Jezus in de vroegste bronnen. Elke verklaring van de oorsprong van de beweging rond Jezus moet hier een overtuigende hypothese over bevatten.